Sinds de modernisering van het secundair onderwijs werden ‘economische en financiële competenties’ opgenomen als een van de nieuwe minimumdoelen. Dat is een belangrijke stap vooruit volgens expert Kristof De Witte (KU Leuven). In onderstaand interview beschrijft hij hoe het onderwijs van die sleutelcompetenties effectiever kan worden georganiseerd.
Wat houdt financiële geletterdheid precies in?
Kristof De Witte: Financiële geletterdheid is een specifieke vorm van geletterdheid waarvan het belang is toegenomen door verschillende maatschappelijke evoluties. Financiële markten worden steeds complexer waardoor individuen meer keuzes moeten maken. De risico’s en de verantwoordelijkheid voor die financiële keuzes komen ook steeds meer bij het individu te liggen, en minder bij werkgevers en overheden. Financiële geletterdheid is de combinatie van (1) financiële kennis; (2) financiële attitudes; en (3) financieel gedrag. Het hebben van financiële kennis is noodzakelijk, maar op zichzelf niet voldoende om je financiële welzijn te verbeteren. Bijvoorbeeld, je moet niet alleen kennis hebben van inflatie en samengestelde intrest, maar je moet er ook naar handelen. Een hogere financiële geletterdheid is ook niet het einddoel, maar een middel om je financieel welzijn te verbeteren en vast te houden.
Hoe financieel geletterd zijn onze jongeren in Vlaanderen? Zijn er ernstige lacunes?
Kristof De Witte: Onderzoek toont aan dat financiële geletterdheid niet wijdverspreid is. Hoewel Vlaanderen beter scoort dan andere landen en regio’s, beschikt een ruim percentage van de Vlamingen niet over voldoende financiële geletterdheidscompetenties. Een OESO-enquête van 2015 toont aan dat ruim één derde van de Vlaamse volwassenen laag scoort op financiële kennis, financiële vaardigheden of financiële attitudes. Eén op de twintig Vlaamse volwassenen scoort laag op de drie dimensies en kan als financieel laaggeletterd worden beschouwd. Ook bij een grote groep van jongeren zijn de financiële competenties onvoldoende: liefst een op acht van de 15-jarigen haalt het basisniveau niet dat vereist is in onze maatschappij. Ze herkennen geen factuur, kunnen geen samengestelde interest berekenen, beseffen niet het belang van sparen voor pensioen, kunnen risico’s niet inschatten, kennen het verschil tussen vaste en variabele rente niet, weten niet waar franchise en aansprakelijkheid voor staat of beseffen niet de rol van een arbeidsovereenkomst.
Aan economische en financiële competenties moet op jonge leeftijd gewerkt worden: alle jongeren moeten voldoende financiële geletterdheid ontwikkelen. Het leerplichtonderwijs bouwt het fundament, en mensen moeten hun hele leven blijven bijleren op financieel vlak.
Wat zijn de voordelen als we economische en financiële competenties van jongeren kunnen versterken?
Kristof De Witte: In de eerste plaats kan het een positieve impact hebben op de financiële beslissingen die mensen nemen. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat financieel laaggeletterden minder sparen voor onvoorziene omstandigheden, minder vaardigheden hebben om een pensioenplanning uit te werken, een hoger schuldniveau hebben en meer gebruik maken van krediet. Een sterkere financiële geletterdheid draagt dus bij aan het individuele financiële welzijn. Maatschappelijk gezien zijn er eveneens voordelen: mensen leren hun budget beheren en moeten hierdoor minder aanspraak maken op sociale bijstand en financiële hulp. Ook de financiële sector en de economie kunnen de vruchten plukken: betere keuzes van consumenten kunnen leiden tot een betere werking van de financiële sector en de economie in het algemeen.
Hoe kunnen we het onderwijs van financiële geletterdheid versterken?
Kristof De Witte: Het gebeurt vaak dat lesmethoden worden ontwikkeld zonder dat duidelijk is of die de leerprestaties meer verhogen dan andere methoden. Ook voor de nieuwe minimumdoelen en leerplannen rond ‘economische en financiële competenties’ ontbrak het aan lesmateriaal dat bewezen effecten heeft. We hebben daarom via projecten, en in samenwerking met Wikifin en Baloise Insurance, digitaal lesmateriaal ontwikkeld. Via grootschalige experimenten testen we de effecten van lesmateriaal. Hierbij wezen we scholen en leerlingen willekeurig toe aan bepaalde varianten van het lesmateriaal. Daardoor kunnen we het effect van een specifieke variant van het lesmateriaal isoleren. Door de leerlingen zowel voor als na de interventie te bevragen, kunnen we de leerwinst in de verschillende groepen met elkaar vergelijken. Bovendien kunnen we ook inzoomen op bepaalde subgroepen, bijvoorbeeld leerlingen die thuis geen Nederlands spreken of leerlingen die goed presteren op school, zodat we kunnen nagaan of de onderzoeksresultaten algemeen geldend zijn of dat het beter is om specifieke conclusies en aanbevelingen te formuleren voor verschillende subgroepen.
Hoe ziet dit lesmateriaal er uit?
Kristof De Witte: Er zijn diverse modules ontwikkeld. Voor het minimumdoel ‘De leerlingen beoordelen de veiligheid, risico’s en kosten verbonden aan het gebruik van betaalmiddelen en verkoopkanalen’ ontwikkelden we concreet lesmateriaal in de vorm van een spel. Leerlingen moeten hierbij uit een digitale ‘escape room’ ontsnappen door bij te leren over betaalmiddelen. Voor een ander minimumdoel werkten we een ‘urban trail’ uit, waarbij leerlingen digitaal door Brussel liepen. Na een stukje digitale les kregen ze vragen, waarbij een fout antwoord hen wegstuurde van hun doel en ze dus bijkomende oefeningen kregen. Een juist antwoord bracht hen dichter bij hun doel, namelijk het gebouw van de Nationale Bank van België. In nog een andere module werken de leerlingen in een bedrijf dat scooters maakt. Voor elke beslissing die ze er nemen, kunnen ze direct de financiële gevolgen nagaan. Maar evengoed ontwikkelden we een digitale Levensweg rond verzekeringen of een kennismaking met de rol van de overheid.
Zijn er al resultaten van dit project bekend?
Kristof De Witte: Zeker. Alle lesmaterialen die doeltreffend bleken te zijn, publiceren we op de website www.financiele-geletterdheid.org. Daar kunnen leraren ze gratis gebruiken en zelfs aanpassen. Lesmateriaal dat niet werkt, herwerkten we maar verspreiden we niet.
Welke leraren hebben de taak om de financiële geletterdheid van jongeren te verhogen? Zijn die daar klaar voor?
Kristof De Witte: In eerdere studies werd aangetoond dat de kwaliteit van leerkrachten een grote invloed heeft op de prestaties van leerlingen, en ook voor financiële educatie wordt het belang van competente leerkrachten benadrukt. Uit een bevraging in 2019 bleek echter dat slechts een derde van de bevraagde Vlaamse leerkrachten zicht zelfzeker genoeg voelde om financiële educatie te geven. Omdat het gericht opleiden van student-leerkrachten geen kortetermijnoplossing biedt, onderzochten we via een experiment effectieve manieren van professionalisering van huidige leerkrachten. Het doel van onze studie is om inzicht te verkrijgen in hoe professionaliseringsinitiatieven zo optimaal mogelijk kunnen worden ontworpen om de effectiviteit van financiële educatie programma’s te versterken. Meer specifiek onderzoeken we het potentieel van online professionalisering, omdat dit, in tegenstelling tot meer traditionele, face-to-face professionalisering, op grote schaal en binnen relatief korte termijn gerealiseerd kan worden.
We keken niet alleen naar het effect van de professionalisering op de leraar, maar vooral naar de leerprestaties bij hun leerlingen. We zien dat de professionalisering van leraren voor bepaalde groepen leerlingen een bijkomend positief effect heeft op hun financiële geletterdheid. Het gaat dan om leerlingen die weinig gemotiveerd zijn om te leren over financiële onderwerpen, die thuis Nederlands spreken, een hoge socio-economische status hebben, en in relatief grote klassen zitten. Leerkrachten die deelnamen aan de professionalisering scoren naderhand zelf hoger op een test die financiële geletterdheid meet, en zijn na afloop ook meer zelfzeker om les te geven over financiële onderwerpen.
Hebben ouders hier ook een taak?
Kristof De Witte: Ouders hebben een belangrijke taak in het onderwijs van hun kinderen, en in financiële geletterdheid in het bijzonder. Voorgaand onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat ouders invloed hebben op de financiële kennis en het spaar- en leningsgedrag van hun kinderen. Rond het nut van ouderbetrokkenheid bij het onderwijs en huiswerk circuleren echter vele kritische bedenkingen. Soms wordt zelfs geopperd dat huiswerk best afgebouwd wordt omdat het de kloof tussen leerlingen uit gezinnen met een hoge en lage sociaal-economische status vergroot. Bovendien zouden ouders uit minder begoede milieus hun kinderen onvoldoende kunnen helpen. We onderzoeken of huiswerk en het betrekken van ouders bij huiswerk wel effectief kan zijn.
De resultaten tonen aan dat het huiswerk voor de gemiddelde leerling resulteert in hogere leerprestaties, maar het betrekken van ouders bij het huiswerk blijkt de leereffecten bij de gemiddelde leerling niet systematisch verder te verhogen. Het gemiddelde verbergt echter ook verschillen tussen de leerlingen: voor leerlingen uit de laagste sociaal-economische milieus observeren we geen effect van een traditioneel huiswerk zonder ouders, terwijl we dit wel zien bij leerlingen uit de hoogste sociaal-economische milieus. Anderzijds zien we dat een huiswerk waarbij de ouders betrokken worden wel effectief is voor financieel kwetsbare groepen. Zo verbeterde ouderbetrokkenheid de leereffecten bij leerlingen met een lage socio-economische status en leerlingen die thuis anders weinig over financieel onderwerp spreken. Ouders kunnen de leeruitkomsten, interesse en motivatie van hun kind verbeteren door thuis opnieuw de onderwerpen te bespreken die op school aan bod zijn gekomen, door eigen voorbeelden te geven of door leerstof in te oefenen. In het experiment observeerden we dat door ouderbetrokkenheid de kans toeneemt dat thuis over financiële thema’s wordt gesproken.
Meer weten?
Van Campenhout, G., De Witte, K. en De Becker, K.. Financiële vorming op school. In De Witte, K. and Hindriks, J. (Eds.) (2017). De Geslaagde School. Itinera Institute – Skribis. ISBN 9789073626553. Pp. 206.