Karen De Keersmaeker werkt momenteel aan een doctoraat over de relatie tussen de wiskundecompetenties van jonge kinderen en hun taalcompetenties (Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, KU Leuven). Ze focust op de relaties tussen wiskundetaal en wiskundecompetenties, en bekijkt die relatie ook longitudinaal. Stof voor een boeiend interview!
Eerst even dit: wat is wiskundetaal precies?
Karen: Wiskundetaal verwijst naar belangrijke termen, uitdrukkingen of expressies die voorkomen in wiskundige contexten. Het gaat dan bijvoorbeeld om begrippen zoals de helft en een kwart, het onderscheid tussen zeker, niet zeker en zeker niet, of om het verschil tussen drie groepen van twee en twee groepen van drie.
Voor veel leerlingen vormt wiskundetaal een uitdaging. Zij moeten niet alleen nieuwe woorden verwerven, vaak afkomstig uit het Latijn of Grieks, zoals hexagoon en parallellogram, maar ook nieuwe betekenissen leren voor reeds vertrouwde woorden, zoals graad of breuk. Daarnaast krijgen sommige woorden binnen de wiskunde een nauwkeurigere betekenis dan in het dagelijkse taalgebruik. Zo gebruiken we het woord zeker in alledaagse situaties vaak om te verwijzen naar een grote waarschijnlijkheid, terwijl het in een wiskundige context een waarschijnlijkheid van 100% aanduidt.
Van wiskunde werd lang gedacht: dat heeft weinig met taal te maken. Maar jouw onderzoek toont dat dat niet klopt?
Karen: Ja, inderdaad. Wiskunde werd gezien als iets van louter cijfers en formules, maar in werkelijkheid speelt taal daarin een grote rol. Wiskunde is vaak erg abstract en wordt daarom aangeboden via taal: leerlingen moeten instructies en opdrachten begrijpen, en redeneringen verwoorden. Tegelijkertijd zijn wiskundetaal en wiskundecompetenties niet hetzelfde. Bijvoorbeeld, een leerling kan perfect begrijpen dat verdubbelen betekent: vermenigvuldigen met twee. Toch kan die leerling moeite hebben met de vraag “Wat is het dubbele van vijf?” omdat de onderliggende rekenvaardigheid nog onvoldoende ontwikkeld is.
In ons onderzoek hebben we daarom bewust een onderscheid gemaakt tussen wiskundetaalvaardigheid en wiskundecompetenties van kinderen. Ons onderzoek toont aan dat wiskundetaal een belangrijke voorspeller is van wiskundeprestaties. We hebben die relatie gevolgd in het kleuter- en lager onderwijs, en die relatie blijft, zelfs nadat we rekening houden met de algemene taalvaardigheid van leerlingen.
Kan je wat meer vertellen over dat longitudinale onderzoek?
Karen: In ons longitudinaal onderzoek volgden we een groep leerlingen uit het eerste leerjaar gedurende drie jaren. We vonden in die leerjaren systematisch dat een betere wiskundetaalvaardigheid samenhangt met betere wiskundecompetenties. Verder zagen we ook dat groei in wiskundetaal samengaat met groei in wiskundecompetenties (en ook omgekeerd, groei in wiskundecompetenties gaat samen met groei in wiskundetaal). Dat verband bleef bestaan gedurende het eerste, tweede en derde leerjaar. Op basis van deze resultaten kunnen we dus stellen dat de relatie niet beperkt blijft tot de start van het lager onderwijs. Zelf hebben we geen gegevens verzameld bij leerlingen uit hogere jaren, maar er zijn studies die ook bij oudere leerlingen uit het lager onderwijs, en zelfs bij leerlingen aan de start van het secundair onderwijs, een positief verband tussen wiskundetaal en wiskundecompetenties vonden.
Je hebt ook gekeken naar de invloed van thuistaal en SES?
Karen: We weten uit eerder onderzoek dat thuistaal en SES een rol spelen in de ontwikkeling van schoolse vaardigheden. Daarom onderzochten we de invloed van deze variabelen op wiskundetaalvaardigheid. In onze longitudinale studie zien we dat leerlingen met een lagere SES al in het eerste leerjaar een minder sterke beheersing van wiskundetaal tonen dan leerlingen met een hogere SES. Nadien zien we in beide groepen een gelijkaardige groei. De initiële achterstand bij leerlingen met een lagere SES blijft dus bestaan.
Voor thuistaal zien we een ander patroon. Leerlingen die thuis uitsluitend Nederlands spreken met hun ouders, starten met een hogere wiskundetaalvaardigheid dan leerlingen die thuis (soms naast het Nederlands) in contact komen met een andere taal. Die laatste groep maakt echter een snellere groei door in de daaropvolgende jaren, waardoor het verschil tussen beide groepen geleidelijk kleiner wordt.
Wat kunnen leraren met de resultaten van jouw onderzoek doen? Heb je didactische aanbevelingen?
Karen: Ons onderzoek toont aan dat wiskundetaal ontzettend belangrijk is. Tegelijkertijd blijkt uit ons onderzoek dat wiskundetaal voor veel leerlingen een uitdaging vormt. Gemiddeld gezien hebben leerlingen met een lage SES een minder sterke beheersing van wiskundetaal, maar ook sterke leerlingen kunnen moeilijkheden ervaren.
Daarom is het belangrijk dat leraren en schoolteams een wiskundetaalrijke leeromgeving creëren. Gebruik consequent correcte wiskundige begrippen en vermijd om deze te sterk te vereenvoudigen. Neem de tijd om stil te staan bij complexe of nieuwe begrippen in de les. Geef leerlingen daarnaast voldoende kansen om zelf wiskundetaal te gebruiken. Laat hen bijvoorbeeld verwoorden hoe ze een probleem aanpakken, hoe ze redeneren, en waarom ze tot een bepaalde oplossing komen.
Ten slotte is aandacht voor wiskundetaal niet iets dat pas in het lager onderwijs begint. Al in de kleuterklas kunnen kinderen op een speelse manier kennismaken met begrippen zoals meer, minste, bovenop en kleiner. Zo bouwen zij alvast aan een sterke basis voor later.
Wil je meer hierover weten?
Je kan Karen bereiken via mail: karen.dekeersmaeker@kuleuven.be
Haar promotor is Wim Van Dooren. Co-promotoren zijn Patrick Onghena en Kris Van den Branden.
