Vroegtijdig schoolverlaten: waarom haken jongeren af?

Nog steeds gaat er in het Vlaamse onderwijs te veel energie en talent verloren. Heel wat jongeren verlaten het secundair onderwijs vroegtijdig en zonder een diploma. Maar waarom haken ze af? Geen betere manier om het te weten te komen dan het aan de jongeren te vragen. Dat is wat de Ierse onderzoekers Byrne en Smyth (in hun ophefmakende rapport ‘No Way Back?’) deden in hun studie naar vroegtijdig schoolverlaten. Ze volgden meer dan 1000 leerlingen tijdens hun loopbaan in het secundair onderwijs aan de hand van jaarlijkse vragenlijsten; 184 haakten vroegtijdig af en werden door de onderzoekers gecontacteerd.  Met 25 van hen werden diepte-interviews uitgevoerd. De interviews zijn pakkend en soms ronduit verscheurend. Dit zijn de belangrijkste tendensen die uit het onderzoek kwamen:

  1. De meeste leerlingen haken af omdat ze allerlei negatieve ervaringen op school opstapelen. Vaak voelen ze zich afgekeurd, ‘opgegeven’, of verworpen door de leerkrachten en directie. Velen van hen ontwikkelen baldadig en opstandig gedrag nadat de relatie met hun leerkrachten is verstoord geraakt. Ze hebben het gevoel dat de leerkrachten lage verwachtingen over hen koesteren, niet in hen geloven, hen als minderwaardig behandelen.
  2. Opvallend is dat voor velen van hen het gevoel van afgekeurd zijn en falen al heel vroeg, zelfs reeds in het basisonderwijs start. Zo stapelen de negatieve gevoelens zich geleidelijk op tot de emmer overloopt. Met andere woorden, vroegtijdig schoolverlaten is zelden een beslissing die plots wordt genomen; het is eerder het eindpunt van een proces dat al heel lang aansleept.
  3. Veel hangt af van hoe scholen met de negatieve ervaringen van de leerlingen omgaan: als schoolteams de leerlingen systematisch als minderwaardig behandelen, komen de leerlingen sneller in een negatieve spiraal terecht. Het schoolklimaat – en de relaties tussen leerkrachten en leerlingen – zijn van levensbelang. Opvallend is dat onderwijssystemen en scholen die met strakke niveaugroepen werken, sneller negatieve gevoelens van minderwaardigheid bij de leerlingen in de ‘zwakste groepen’ aanwakkeren: als de leerkrachtverwachtingen dalen voor de leerlingen in de ‘laagste niveaugroepen’, versterkt dat het gevoel van falen bij de leerlingen.
  4. Ook negatieve ervaringen met klasgenoten en een moeilijke thuissituatie dragen bij tot de negatieve spiraal en het gevoel van niet thuishoren op de school.
  5. De aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt (en het vooruitzicht om geld te verdienen) heeft invloed op sommige jongeren, maar die invloed wordt pas echt belangrijk als de negatieve gevoelens op school beginnen door te wegen.
  6. De meeste jongeren hadden gesprekken met hun ouders over hun negatieve gevoelens en hun plannen om de school te verlaten vooraleer ze de cruciale stap zetten. De ouders stribbelden heel vaak tegen, maar dat had niet altijd het gewenste effect.
  7. Kinderen van laaggeschoolde ouders en jongens zijn oververtegenwoordigd in de groep van de vroegtijdige schoolverlaters. In scholen met een sociaal en cultureel gemengde leerlingpopulatie is de proportie van vroegtijdig schoolverlaten lager.

In hun aanbevelingen pleiten de onderzoekers voor een positief schoolklimaat met veel aandacht voor persoonlijke relaties tussen leerkracht en leerlingen. Hun studie “points to aspects of school process, including active teaching methods, flexible ability grouping and positive school climate, which enhance student engagement in learning, an engagement in learning which can serve to promote both retention and achievement equally.” In termen van duurzaam onderwijs: scholen moeten actief zoeken naar manieren om de energie die jongeren voor leren hebben, aan te wakkeren en om te zetten in positieve leerervaringen. Dat levert immers nieuwe positieve energie voor leren. Activerende leermethoden, flexibele groeperingsvormen die zich aanpassen aan het leerproces van de leerling, en een positief schoolklimaat kunnen het cruciale verschil maken tussen schoolverlaten (en ‘school haten’, zoals sommige geïnterviewde leerlingen het uitdrukken) en schoolsucces.

 

Advertenties

Begrijpend-leesonderwijs: wat werkt?

Welke kenmerken van begrijpend-leesonderwijs maken voor leerlingen het verschil? En werken die kenmerken voor alle leerlingen? In een recent onderzoek van de KU Leuven (gefinancierd door het Ministerie van Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap) werden die vragen onderzocht.

Wat werkt? De volgende kenmerken van leesonderwijs bleken een positief effect te hebben op de  leerwinst die leerlingen in het vijfde leerjaar van het basisonderwijs voor begrijpend lezen boekten:

  1. Goed georganiseerde en aantrekkelijke lessen: leerlingen leerden meer bij als ze de (lees)lessen ervoeren als interessant, goed georganiseerd en goed gestructureerd.
  2. Aandacht voor leesstrategieën: leerlingen leerden meer bij als er aandacht werd geschonken aan leesstrategieën (bijv. hoofdzaken van bijzaken onderscheiden, tussentitels gebruiken….). Internationaal onderzoek leert ons dat dit het meest oplevert als er aandacht aan leesstrategieën wordt geschonken terwijl de leerlingen een interessante begrijpend-leestaak uitvoeren. Er mag dus niet zomaar in het luchtledige aan strategieënonderwijs gedaan worden.
  3. Coöperatief leren: regelmatig gebruik van werkvormen waarbij leerlingen moeten samenwerken aan een begrijpend-leestaak heeft een positief effect op leerwinst.
  4. Veilig en stimulerend leerklimaat: de leerlingen boeken meer leerwinst als ze het leerklimaat als veilig, niet-bedreigend en stimulerend ervaren. Er moet dus een positieve sfeer in de klas hangen.
  5. Vakoverschrijdende leeractiviteiten: de leerlingen boekten meer leerwinst voor begrijpend lezen als er niet alleen in de taallessen, maar in alle domeinen aan begrijpend lezen werd gewerkt.
  6. Differentiëren in het leesonderwijs: de leerlingen boekten meer leerwinst als de leerkracht haar ondersteuning afstemde op de leerbehoeften van de leerlingen en oog had voor verschillen (bv. in leesbegrip) tussen leerlingen.
  7. Werken met leesouders: ook deze maatregel had een positief effect op de leerwinst voor begrijpend lezen.

Deze resultaten bevestigen de steeds weerkerende trends in internationaal onderzoek naar leesonderwijs: het werken met interessante en uitdagende leestaken (die leerlingen zin doen krijgen in lezen), waarbij de leerlingen gedifferentieerd ondersteund worden en regelmatig mogen samenwerken en waarbij aandacht wordt besteed aan leesstrategieën werpt vruchten af, zeker als dat gebeurt in een positief, veilig, stimulerend klimaat, en als dat niet alleen in de taallessen gebeurt, maar doorheen het curriculum.

Werken deze ingrediënten voor alle leerlingen? JA. Zowel het Vlaams onderzoek van de KU Leuven als het internationaal onderzoek geven duidelijk aan dat alle leerlingen (sterkere lezers en zwakkere lezers, allochtone en autochtone leerlingen, kinderen van hooggeschoolde en laaggeschoolde ouders) van deze maatregelen profiteren. Ze worden er betere lezers van, en dat is een sleutelcompetentie in het onderwijs van de 21ste eeuw. Zwakkere lezers mogen dus niet op leesdieet gezet worden: ook zij hebben nood aan leuke, uitdagende, motiverende begrijpend-leestaken waarbij ze goed ondersteund worden terwijl ze de taken uitvoeren.

Voor meer info over dit onderzoek, zie http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/2009/0904/default.htm

Gelijke(re) onderwijskansen in het Vlaams onderwijs?

Het Vlaams onderwijs is zeer goed. Maar het moet beter. De sociale kloof is te groot. De kinderen van laagopgeleide ouders lopen een te hoog risico om ook als laagopgeleide ons onderwijssysteem te verlaten. Dat verlies aan energie en talent kunnen we ons niet veroorloven.  Het Vlaams onderwijs moet duurzamer omspringen met de energie en het talent van alle kinderen, ongeacht hun achtergrond.

Wat zegt internationaal wetenschappelijk onderzoek over effectief onderwijs voor kinderen van laagopgeleide ouders? Hoe slagen andere onderwijssystemen erin om meer gelijke onderwijskansen te creëren? Hieronder lijst ik een aantal cruciale wetenschappelijke bevindingen op:

  1. Investeren in kleuteronderwijs loont. Kleuters kunnen in het kleuteronderwijs al heel wat basisvaardigheden opdoen vooraleer ze naar het eerste leerjaar gaan. Kleuteronderwijs werkt vooral goed als het inspeelt op de belangstelling van de kleuter, en  als er heel veel wordt gepraat over onderwerpen, spel en acties waarin kleuters intrinsiek geïnteresseerd zijn. Zo wordt de spontane energie van kleuters al  spelend en explorerend omgezet in leren. Het helpt ook als van in den beginne de ouders op een heel informele en laagdrempelige manier bij het onderwijs betrokken worden.
  2. Differentiatie is essentieel.  Leerlingen verschillen in hoe ze leren en in de snelheid waarmee ze bepaalde competenties ontwikkelen. Leerlingen verschillen qua voorkennis, motivatie, interesse en talent. In de beste onderwijssystemen ter wereld wordt veel aandacht besteed aan differentiatie: leerlingen krijgen bijkomende ondersteuning als het leren wat moeilijker loopt, en krijgen nieuwe uitdagingen als het leren goed loopt; de groepering van leerlingen wordt aangepast aan de leernoden van de leerlingen en is niet voor alle vakken en domeinen dezelfde; als aanpak A niet werkt, wordt naar een andere aanpak (een andere manier van uitleggen of ontdekken) gezocht…
  3. Coöperatief leren in heterogene groepen helpt.  Leerlingen kunnen veel leren van andere leerlingen. Leerlingen die het wat moeilijker hebben met bepaalde vakken, kunnen profiteren van het voorbeeld en de steun van leerlingen die sterker zijn voor die vakken. Bovendien is in kleine groepen het leerklimaat vaak veiliger dan in de grote groep.
  4. Ouderbetrokkenheid is belangrijk. In effectieve onderwijssystemen wordt de afstand tussen school en thuis klein gehouden. Leerinhouden worden verbonden met de thuis- en leefwereld van de kinderen; de ouders zijn goed op de hoogte van wat er op school gebeurt, kunnen informeel met leerkrachten over de ontwikkeling van hun kind praten, en zijn zo beter gewapend om het kind thuis te ondersteunen.
  5. De leerkracht maakt het verschil.  Zowel in basis- als secundair onderwijs speelt de leerkracht een cruciale rol in het stimuleren van de ontwikkeling van de leerling. Leerkrachten die het verschil maken,
    1. leggen de lat hoog en koesteren tegelijk hoge verwachtingen voor hun leerlingen: ze  (blijven) geloven in de ‘leer-kracht’ van elke leerling;
    2. kiezen voor zinvolle, interessante inhouden en rijke, uitdagende taken die de leerlingen relevant vinden en die hen energie-tot-leren geven. De intrinsieke motivatie van leerlingen is, op lange termijn, immers veel krachtiger als energiebron voor leren dan extrinsieke motivatie (punten, complimenten…);
    3. verbinden nieuwe inhouden met ervaringen, kennis en vaardigheden die de leerlingen al hebben opgebouwd, ook buiten de school; wat de leerlingen al weten, kunnen en kennen is immers brandstof voor verder leren.
    4. smeden een warme, veilige band met hun leerlingen, en zorgen ervoor dat leerlingen zich een volwaardig en gewaardeerd lid van de groep voelen; ze creëren vaak het gevoel dat alle leerlingen samen aan een grandioos project werken;
    5. besteden de beschikbare tijd zo maximaal mogelijk aan leren: ze trachten hun lessen  goed te structureren en efficiënt te organiseren;
    6. voorzien in veel variatie qua werkvormen, met een goede afwisseling van directe instructie, zelfontdekkend leren, groepswerk, individueel werk en buitenschoolse opdrachten, zodat leerlingen nieuwe inhouden op verschillende manieren kunnen ontdekken, toepassen en herhalen.
    7. overleggen samen met collega’s over het best mogelijke onderwijs, blijven zich verder professionaliseren, en trachten te leren uit wetenschappelijk onderzoek wat het best werkt voor sociaal kwetsbare leerlingen.

Uit de bovenstaande bevindingen kunnen we afleiden waarom zittenblijven voor zoveel leerlingen geen duurzame oplossing blijkt te zijn. Als zittenblijven inhoudt dat leerlingen hetzelfde leerjaar op dezelfde manier moeten overdoen, dan dreigen dezelfde leerproblemen snel weer de kop op te steken. Dan is zittenblijven een gok: we gooien de dobbelsteen nog eens, en  hopen dat er een hoger cijfer uitkomt.  GOK (werken aan Gelijke OnderwijsKansen), daarentegen, is doelbewust werken aan de duurzame ontwikkeling van kinderen. Daarvoor moeten we naar een individuele leerling durven kijken om te ontdekken (a) hoe de natuurlijke energie-voor-leren van die leerling maximaal kan worden opgewekt, (2) hoe aan die leerling de best mogelijke ondersteuning kan worden gegeven zodat die energie wordt omgezet in daadwerkelijk leren. Dat is immers de beste garantie dat er een positieve leerervaring ontstaat die nieuwe energie-voor-leren opwekt. Het wiel blijft dan duurzaam draaien.

Aan alle leerlingen duurzame ontwikkelingskansen bieden is zonder twijfel een prachtige uitdaging voor het nieuwe schooljaar: de ultieme uitdaging om in alle opzichten rijke verbindingen tot stand te brengen met elke leerling in de klas.