17.000 scholieren spreken: wat willen ze leren op school (en hoe)?

Verplicht leesvoer voor alle leerkrachten in Vlaanderen, als je het mij vraagt. Liefst 17.000 scholieren uit alle onderwijsvormen en studierichtingen deden mee aan het debat over de actualisering van de eindtermen en presenteren hun bevindingen in het Scholierenrapport. Wat opvalt in hun rapport is dat het “wat” (wat willen de scholieren zeker leren op school?) doordesemd wordt met uitspraken over het “hoe” (hoe denken ze dat het best te kunnen leren?). De 17.000 scholieren verdienen het om au sérieux genomen te worden: zij zijn immers ervaringsdeskundigen, ze ondervinden dagelijks aan den lijve welk soort onderwijs het best voor hen werkt en ze hebben een verdomd goed zicht op wat voor hun ontwikkeling en hun leven in de 21ste eeuw van cruciaal belang is. Ze clusterden hun aanbevelingen in 6 categorieën.

  1. Gezond en wel

Wat? Scholieren willen leren hoe ze gezond(er) kunnen leven. Ze willen kritisch en goed geïnformeerd kunnen oordelen over voedings- en leefgewoonten. Ze willen kennismaken met diverse sporten en manieren om in beweging te blijven. Ze willen leren hoe ze verslavingen kunnen weerstaan en verslaan.

Hoe? De scholieren willen leren aan de hand van concrete ervaringen die ze zelf meemaken (bv. de pepdrankjes die ze zelf drinken) en vanuit positieve voorbeelden (bv. een gezonde middaglunch op school). Ze willen kennis opdoen, maar dan wel bij voorkeur tijdens lessen die vertrekken vanuit hun concrete vragen en dagelijkse bekommernissen. Ze willen échte inspraak hebben in het gezondheidsbeleid op hun school. Ze willen op een prettige, positieve en niet-prestatiegerichte manier kennismaken met tal van sporten.

  1. Mentaal in evenwicht

Wat? Scholieren willen leren hoe je kan omgaan met stress en faalangst. Ze willen leren hoe je mentaal gezond kan blijven en je weerbaarheid kunt verhogen. Ze willen meer inzicht opbouwen in leerstoornissen en beter begrijpen waarom sommige leerlingen extra zorg behoeven.

Hoe? Scholieren willen een open klassfeer waarin er zonder taboes over gevoelens en problemen kan gepraat worden. Ze willen de aanhoudende prestatiedruk omlaag en willen af van de schoolse obsessie voor punten. Het accent moet verlegd worden van presteren naar leren. Fouten maken moet kunnen, meer zelfs, in het onderwijs moet je kunnen leren uit fouten en mislukkingen.

  1. Eigen kracht

Wat? Scholieren willen hun eigen sterktes leren ontdekken en ontwikkelen. Ze willen hun eigen levenspad leren uitstippelen. Ze willen hun creativiteit ontwikkelen en hun eigen identiteit via kunst en cultuur leren uiten.

Hoe? “Keuzes, keuzes, keuzes”: scholieren willen meer eigen keuzes maken in het curriculum. Ze willen af van een onderwijssysteem waarin alle leerlingen gedwongen worden om hetzelfde programma te volgen; ze willen meer keuzevakken en -activiteiten rond de competenties die hen sterk interesseren en waar ze goed in zijn. Onderwijs moet ook meer gedifferentieerd inspelen op wat leerlingen al kunnen of buiten de school hebben geleerd. Er moet meer aandacht voor kunst, cultuur en creativiteit in alle vakken komen: stimuleer leerlingen om te proeven van diverse kunst- en cultuuruitingen, en laat hen op creatieve wijze uiting geven aan hun eigen identiteit.

  1. Klaar voor het leven na het middelbaar

Wat? Scholieren willen leren hoe ze op eigen benen kunnen staan. Ze willen competenties ontwikkelen die hen wapenen voor het echte leven buiten de school. Ze willen leren zorgen voor zichzelf en voor anderen. Ze willen EHBO-vaardigheden opdoen, een belastingbrief leren invullen, een rijbewijs halen, leren omgaan met administratie. Ze willen zelfstandig leren beslissingen nemen. Ze willen financiële verantwoordelijkheid ontwikkelen en prijsbewust leren consumeren. Ze willen via het talenonderwijs vooral leren communiceren met echte mensen in de echte wereld. Ze willen kritisch en efficiënt leren omgaan met moderne technologie en informatie. Ze willen leren hoe je een job vindt.

Hoe? Leraren moeten het nut van leerstof voor het echte leven duidelijker maken. Ze moeten de leerstof vaker ophangen aan ervaringen en competenties die voor scholieren echt nuttig zijn. Scholieren willen leren vanuit concrete toepassingen en levensechte ervaringen. Scholen moeten ook investeren in goede computerapparatuur en ze moeten moderne technologie (inclusief smartphones) integreren in het onderwijs- en studieproces. Ook al is ICT geen doel op zich, het zorgt voor variatie in het onderwijsaanbod en kan de interesse van leerlingen verhogen. Scholieren willen de realiteit van de buitenwereld en van de werkvloer meer aan den lijve meemaken, bijvoorbeeld via buitenschoolse stages en opdrachten.

  1. Verbonden met elkaar

Wat? Scholieren willen leren hoe je met sociale diversiteit omgaat. Ze willen wederzijds respect, beleefdheid en communicatieve vaardigheden ontwikkelen. Ze willen meer leren over seksualiteit, relaties en romantiek. Ze willen ook leren hoe ze daarbij grenzen kunnen stellen en hun eigen veiligheid bewaken.

Hoe? Om scholieren respectvol te leren zijn, moet de school zelf respectvol met leerlingen omgaan. Leerlingen moeten zich veilig voelen op school. Om hun sociale competenties te ontwikkelen, vragen scholieren meer activiteiten die hen met leerlingen uit andere klassen, scholen en studierichtingen in contact doen komen. De nadruk moet ook hier liggen op het leren vanuit concrete situaties die zich voordoen op school of in het echte leven, eerder dan op theoretische lessen. Ze willen vanuit concrete, positieve voorbeelden en een open debat leren wat er mogelijk is en bestaat op het vlak van relaties, samenlevingsvormen en seksualiteit.

  1. Met beide voeten in de wereld

Wat? Leerlingen willen zich ontwikkelen tot goed ontwikkelde en kritische wereldburgers. Ze willen kritisch leren denken om een onderbouwde mening op te bouwen. Ze willen in dialoog leren gaan met anderen. Ze willen inzicht opbouwen in andere culturen, religies, meningen en andere zienswijzen echt leren begrijpen. Ze willen leren hoe ze met de hedendaagse vermenging van culturen kunnen omgaan. Ze willen ook competenties opbouwen op economisch en politiek vlak: hoe je eigen budget beheren, hoe je politieke mening vormen, hoe een onderneming opstarten? Scholieren willen de school verlaten als actieve burgers die kunnen meedraaien in de samenleving; ze willen ook leren hoe je reeds op school kan participeren aan de besluitvoering en het schoolbeleid.

Hoe? Scholieren moeten tijdens de lessen meer ruimte krijgen om te filosoferen, zelf vragen te stellen en stil te staan bij de zin van het leven. Ze moeten in een open, veilig klimaat de kans krijgen om hun mening te uiten en die bij te stellen. Ze moeten op school actief de kans krijgen om mee te beslissen en inspraak krijgen, zodat ze al doende hun burgerschapcompetenties kunnen ontwikkelen. Aandacht voor diversiteit moet het hele curriculum en het hele schooljaar doordringen en mag niet beperkt blijven tot één themadag. Leerlingen willen meer activiteiten uitvoeren met leerlingen van andere studierichtingen (op dezelfde school). Ze willen niet de les gelezen krijgen over waarden en normen, maar zelf aan het denken gezet worden in activiteiten rond levensbeschouwing. Leerlingen willen actief nadenken en overleggen over hoe bepaalde wereldproblemen aangepakt kunnen worden: de lessen mogen niet beperkt blijven tot louter informatie-overdracht. In dit verband verdient het sterke aanbeveling om de leerstof op school in alle vakken veel vaker te verbinden met de actualiteit buiten de school.

Het was al duidelijk, en het wordt dankzij dit rapport zo mogelijk nog duidelijker: we staan op een scharnierpunt. De scholieren hebben hun verantwoordelijkheid genomen en een sterk signaal gegeven. Ze willen een eigentijds onderwijs dat hen helpt om hun eigen leven in handen te nemen en met de uitdagingen van de 21ste-eeuwse samenleving te leren omgaan. Of zoals zij het zelf zeggen:

“Leerlingen en leerkrachten merken dat het onderwijs achterop hinkt en dat het anders moet en kan. Het risico om volledig passé te zijn en de trein te missen is te groot. Tijd om in actie te schieten dus en een frisse en moderne wind door ons onderwijs te laten waaien” (Scholierenrapport, 2016, p. 11)

 

Het volledige Scholierenrapport lezen?

7 frisse voornemens voor het nieuwe schooljaar

Duizenden leraren staan met opgeladen batterijen klaar om het nieuwe schooljaar aan te vatten. Voor allen onder hen die de ambitie hebben om dit schooljaar nog effectiever, eigentijdser en duurzamer onderwijs aan hun leerlingen aan te bieden, kunnen de volgende 7 ideeën inspiratie bieden.

  1. Breng de buitenwereld nog wat vaker de klas binnen

Bouw je les nog wat vaker op vanuit een actueel nieuwsitem of een gebeurtenis in de buurt. Of nodig eens een expert, ervaringsdeskundige, beoefenaar van een bepaald beroep, rolmodel of afgestudeerde uit in de klas en laat de leerlingen met die persoon in gesprek gaan. Op die manier kunnen leerlingen ervaren dat het onderwijs in de klas gaat over het echte leven buiten de school, kunnen ze zich optrekken aan bepaalde rolmodellen, en/of kunnen ze schoolse kennis toetsen aan levenservaring. Bovendien wekken andere stemmen en andere bronnen vaak nieuwe interesse.

  1. Gebruik moderne technologie nog vaker om je onderwijs aanschouwelijker te maken

Abstracte kennis kan maar door leerlingen begrepen en verworven worden als ze die kunnen verbinden met concrete manifestaties die ze (her)kennen. Gebruik de rijkdom van moderne technologie om concrete illustraties van abstracte principes te tonen. Een tip voor leraren die ermee worstelen om een complex en saai onderwerp op een duidelijke manier over te brengen: Zoek een Youtube-filmpje of een stuk van een reportage waarin via beeld, geluid en tekst het moeilijke onderwerp wordt toegelicht. Het is zelfs geen ramp dat in het filmpje bepaalde informatie oppervlakkig of foutief wordt weergegeven. Dat kan immers de basis vormen voor een boeiende les waarin de leerlingen samen met de leraar de betrouwbaarheid van de informatie in het filmpje controleren. Op die manier ontwikkelen de leerlingen tegelijkertijd vakkennis en mediawijsheid.

  1. Doorbreek wat vaker de grenzen van je vak

Leerlingen kunnen maar echt een diepgaand inzicht in (bijvoorbeeld) de oorzaken en gevolgen van migratiegolven verwerven als ze economische, aardrijkskundige, historische en sociale inzichten met mekaar verbinden. Het onderwijs wordt rijker en eigentijdser als de grenzen van de vakken worden doorbroken en kennis van verschillende vakken met mekaar wordt verbonden. Probeer dit schooljaar eens een mini-project op te zetten waarbij je een eigen vakles verbindt met een les van een ander vak (of twee andere vakken) over hetzelfde onderwerp. Of experimenteer eens wat vaker met co-teaching, waarbij leerkrachten van diverse vakken samen mini-projectonderwijs geven. Creëer eens een taalzone, waarin je de les Nederlands, Frans en Engels meteen op mekaar laat volgen, en drie achtereenvolgende lessen rond één thema uitwerkt. En kies dan bij voorkeur voor een thema dat de leerlingen echt beroert en bezighoudt. Globaliseer je onderwijs: laat kennis over de grenzen van vakken heen vloeien.

  1. Werk nog wat vaker met groepswerk

Er is niets mis met een goed georganiseerd, interactief onderwijsleergesprek. Maar effectief onderwijs wordt volgens onderzoekers gekenmerkt door een variatie aan werkvormen. Geef je leerlingen dus nog vaker de kans om in duo’s of groepen te werken. Groepswerk kan sommige leerlingen die zich onzeker voelen tijdens klassikale momenten kansen bieden om actief te participeren en uit hun schulp te komen. Tijdens groepswerk kunnen leerlingen ook leren om met sociale diversiteit om te gaan en rekening te houden met anderen. Tijdens groepswerk kunnen leerlingen mekaar helpen en uitleg verschaffen. Tijdens groepswerk kunnen alle leerlingen actief aan de slag, en kunnen meerdere leerlingen tegelijkertijd aan het woord. Groepswerken en klassikale werkvormen zijn sterk complementair.

  1. Besteed extra zorg aan de feedback die je bij een toets of huiswerk aan de leerlingen geeft

Feedback is cruciaal voor effectief leren. Feedback voedt duurzame leerontwikkeling. Het leereffect van toetsen en huiswerken is voor een groot gedeelte afhankelijk van de feedback die leerlingen krijgen. Dat kan best feedback zijn die verder gaat dan “goed” of “fout”, of dan “goed gedaan”, maar die leerlingen helpt om in te zien waarom iets goed of fout is, hoe ze uit hun fouten kunnen leren,  hoe ze hun prestatie kunnen verbeteren. Probeer voor een toets met beperkte feedback eens extra na te denken over meer effectieve feedback. Geef de leerlingen ook eens wat vaker een punt na de feedback: laat hen een eerste versie van een toets, taak of huiswerk inleveren, geef hen daarop feedback waarmee ze hun werk nog kunnen verbeteren, en geef pas op de finale versie punten. Met duidelijke criteria kunnen ook leerlingen mekaar feedback en punten geven: zo bouwen zij bewuster inzicht in die criteria op, en het scheelt correctiewerk voor jou als leerkracht.

  1. Geef je leerlingen wat vaker autonomie en medezeggenschap

Introduceer het onderwerp van de les, maar laat je leerlingen de vragen bepalen die zij over dat onderwerp beantwoord willen zien. Als je je les aan de hand van die vragen opbouwt, is de kans groot dat de intrinsieke interesse van veel leerlingen verhoogt. Geef leerlingen eens wat vaker de kans om mee te bepalen welke werkvorm de meest geschikte is, of in welke volgorde ze een reeks oefeningen zullen maken. Autonomie en medezeggenschap verhogen de motivatie van leerlingen, en bieden hen ook kansen om te leren met die autonomie om te gaan en daarbij rekening te houden met de mening van anderen.

  1. Actualiseer je curriculum: integreer de sleutelcompetenties in je vakonderwijs

Kijk naar het lijstje van de 21ste-eeuwse sleutelcompetenties hieronder, en probeer eens wat vaker een (of meerdere) van die sleutelcompetenties in je vaklessen te integreren. Daarvoor moet je niet altijd spectaculaire ingrepen doen, maar eerder bewust bedenken hoe je iets meer ruimte voor die sleutelcompetenties in bepaalde fasen van je les kunt creëren. Je vakonderwijs zal er krachtiger en eigentijdser door worden, en zal vooral je leerlingen meer kansen bieden de competenties te verwerven die er in de 21ste eeuw écht toe doen:

taal en informatie doen werken: kritisch en effectief leren omgaan met informatie en daarover helder communiceren;

kennis doen werken: kennis toepassen om problemen op te lossen in authentieke situaties;

verbeelding doen werken: creatief leren denken;

moderne technologie doen werken: mediawijs, effectief en kritisch omgaan met moderne technologie;

sociale relaties doen werken: respectvol en constructief leren omgaan met sociale diversiteit;

verandering doen werken: leren omgaan met plotse wendingen en veranderingen;

je leer-kracht doen werken: leerstrategieên voor levenslang leren ontwikkelen en het geloof in je leervermogen behouden;

je eigen leven doen werken: opgroeien tot een zelfstandig denkend wezen dat autonoom beslissingen kan nemen en voor zichzelf kan zorgen;

het leven op deze planeet doen werken: een bijdrage leveren tot een betere wereld om ons heen.

 

Meer lezen?

Kris Van den Branden (2015). Onderwijs voor de 21ste eeuw: een boek voor leerkrachten en ouders. Leuven: ACCO.

Kwaliteit van interactie in de klas: 3 cruciale parameters

De kwaliteit van de interactie tussen leerkracht en leerling is van doorslaggevend belang voor de ontwikkeling van de leerling. Op basis van jarenlang, uitgebreid onderzoek in klassen van het basis- en secundair onderwijs kwamen Robert Pianta en zijn collega’s tot de conclusie dat de kenmerken van rijke, leerbevorderende interactie tussen leerkracht en leerling kunnen worden ondergebracht in 3 grote categorieën:

Social and Emotional Support: In welke mate bevordert de leerkracht het socio-emotioneel welbevinden van de leerlingen en een positief sociaal klimaat in de klas?

Organizational and Management Support: In welke mate zorgt de leerkracht voor een vlotte en effectieve organisatie van het klasgebeuren?

Instructional Support: In welke mate ondersteunt de leerkracht de leerlingen in het actief verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden en het ontwikkelen van hoger-orde-denkvaardigheden?

Voor de eerste categorie, Social and Emotional Support,  leiden de volgende kenmerken van interactie tot verhoogde leerwinst:

Class climate:  In effectieve klassen hecht de leerkracht veel belang aan een positief klasklimaat waarin leerlingen en leerkrachten respectvol met elkaar omgaan. De leerkracht zorgt ervoor dat de leerlingen het leren prettig vinden en dat de leerlingen goed opschieten met elkaar.

–  Teacher sensitivity: De leerkracht speelt veel in op de vragen, interesses en zorgen van de leerlingen. De leerkracht past zijn ondersteuning aan de noden van specifieke leerlingen aan.

Regard for student perspectives: De leerlingen krijgen veel kansen om zelf keuzes te maken, beslissingen te nemen en autonomie op te bouwen. De leerkracht maakt de inhoud van de lessen relevant en bruikbaar voor de leerlingen. De leerkracht respecteert de mening van de leerlingen, en geeft de leerlingen veel kansen om mekaar in interactie te gaan.

Voor de tweede categorie, Organizational and Management Support, zijn de volgende kenmerken van groot belang voor het bevorderen van leerwinst:

Behavior management: De leerkracht hanteert heldere regels voor het klashouden en maakt er duidelijke afspraken met de leerlingen over. De leerkracht past de regels consistent en fair toe. De leerkracht tracht op een positieve manier storend gedrag te voorkomen.

Productivity: In een productieve klas gaat weinig tijd verloren aan zaken die weinig met de kern van leren hebben te maken (bv. administratie, doelloos wachten…). Groepswerk wordt vlot georganiseerd aan de hand van heldere instructies.

Strategies for engaging students: In effectieve klassen gebruikt de leerkracht een variatie aan werkvormen en zet de leerlingen actief aan het werk. De leerlingen krijgen kansen om op diverse manieren te leren. De leerkracht zoekt naar manieren om de leerlingen veel kansen te geven om actief te participeren aan de klasinteractie.

Voor de derde categorie, Instructional Support, zijn de volgende kenmerken van groot belang voor het verhogen van de leerwinst:

Strategies that foster content knowledge: De leerkracht hecht er veel belang aan dat de leerlingen niet zomaar losse feiten kunnen reproduceren, maar belangrijke feiten, concepten en verbanden echt begrijpen.

Strategies that foster analysis and reasoning skills: In effectieve klassen worden leerlingen veelvuldig aangezet om zelf redeneringen op te zetten, verbanden te zoeken en verwoorden,  probleemoplossend te denken, vragen te stellen en hypotheses te onderzoeken.

Strategies that foster the knowledge of procedures and skills:  In effectieve klassen doen leerkrachten veel moeite om procedures (zoals wiskundige bewerkingen of de stappen in een schrijfproces) helder uit te leggen en met veel voorbeelden te verduidelijken. Leerkrachten geven de leerlingen veel kansen om die procedures al doende onder de knie te krijgen. Ze zorgen voor gedifferentieerde ondersteuning als de leerlingen bewerkingen inoefenen en bouwen die ondersteuning geleidelijk af.

Quality of feedback: Leerlingen leren het meest als ze systematisch feedback op hun werk krijgen. Effectieve feedback gaat verder dan “juist of fout”, of “goed gedaan”. Het is feedback die de leerling helpt om fouten te begrijpen en eruit te leren, hun werk te verbeteren, te begrijpen waarom iets goed of fout is, en het proces van een taakuitvoering beter te doorgronden. Feedback komt bij voorkeur op een moment dat de leerling er iets mee kan doen.

Instructional dialogue: In effectieve klassen ondersteunt de leerkracht tijdens alle vakken de taalontwikkeling van de leerlingen. Hij geeft de leerlingen de kans om hun denken hardop te verwoorden en speelt daar met zijn feedback op in. De leerkracht herformuleert de uitingen van de leerlingen in rijkere verwoordingen, stelt vervolgvragen en benoemt acties van leerlingen. De leerkracht biedt een rijk taalaanbod, stelt gevarieerde vragen en geeft de leerlingen veel gevarieerde kansen om nieuwe woordenschat te verwerven.

De lijst van interactiekenmerken van dit Pianta-raamwerk vertoont erg veel overeenkomsten met andere gelijkaardige, onderzoeksgebaseerde raamwerken voor krachtige interactie in de klas (bijvoorbeeld de 7C’s, het PLATO-raamwerk van Pamela Grossman of het raamwerk van Charlotte Danielson – zie hierover andere berichten op deze blog). Dat in deze raamwerken steeds dezelfde factoren bovenkomen, toont aan dat die factoren wel degelijk een robuuste relatie hebben met leerwinst, en dus duurzaam leren bevorderen.

 

Meer lezen?

CASTL_practioner_Part2_single

CLASS-MTP_PK-12_brief

Hoe evalueer je creatieve competenties?

Creatief denken is een sleutelcompetentie van de 21ste eeuw waaraan het onderwijs meer aandacht moet besteden. Maar hoe kunnen leraren de groei van die competentie evalueren? Hieronder schuiven we een aantal principes en voorbeelden naar voor.

Principes

– Klassieke tests die met “juiste” antwoorden werken, zijn niet zo geschikt. Op klassieke tests krijgen leerlingen vaak vragen waarop slechts één antwoord goed is en vele andere antwoorden fout. Maar bij een creatieve opdracht kunnen veel antwoorden goed zijn. Creatief denken gaat immers over het origineel combineren van diverse ideeën, het kijken naar dingen vanuit een eigenzinnig perspectief, het bedenken van een originele of afwijkende oplossing, het in vraag stellen van zogezegd juiste antwoorden… en dat schept haast eindeloze mogelijkheden. Creatief denken evalueer je dus bij voorkeur met open opdrachten.

– Het is moeilijk voor mensen om creatief te denken op commando. Het is dus aangewezen om leerlingen voldoende tijd te gunnen (bijvoorbeeld een hele dag of zelfs langer) om een open opdracht aan te pakken. Creatief denken groeit immers vaak uit aanmodderen, proberen, her-combineren en herschikken, volhouden, en zelfs ideeën even laten liggen om ze onbewust te laten sluimeren.

– Creatief denken lukt beter als de leerling voorkennis over het onderwerp heeft, geïnteresseerd is in de opdracht, zich veilig voelt (om risico’s te nemen) en zich in een ondersteunende omgeving bevindt. Het is dus aangewezen om de evaluatie van creatief denken niet te baseren op één opdracht, maar op vele observaties rond diverse soorten opdrachten.  Het is ook aangewezen om leerlingen keuzes te laten (bijvoorbeeld tussen diverse opdrachten of diverse uitwerkingen) en hen regelmatig te laten samenwerken met anderen (creatief denken is immers vaak het resultaat van het combineren van ideeën van verschillende mensen).

– Volgens Sternberg moet creatief denken uitgroeien tot een gewoonte. Daarom moet de evaluatie van creatieve competenties voldoende breed en continu zijn: ze kan eigenlijk voortdurend en in alle vakken gebeuren, ook zonder specifieke opdrachten die bewust gericht zijn op de evaluatie van creatief denken. Ook bij meer klassieke tests en taken kan geobserveerd worden of de leerling er (steeds vaker) een gewoonte van maakt om “out of the box” te denken, verschillende oplossingen in overweging te nemen, dingen vanuit verschillende perspectieven te bekijken en origineel uit de hoek te komen.

– Het is aangewezen om diverse criteria te gebruiken voor de beoordeling van een open opdracht en meerdere beoordelaars te betrekken (leerlingen kunnen dus mekaar leren evalueren). Sternberg werkt met criteria als “aangepast aan de opdracht”, “origineel”, “effectief”, al naargelang van de opdracht die de leerlingen kregen. Ook het proces kan geëvalueerd worden: heeft de leerling volgehouden, goed samengewerkt, dingen in vraag gesteld, niet alleen een idee bedacht maar het ook goed uitgewerkt? Werken met verschillende criteria geeft beoordelaars ook de kans om concrete feedback aan de uitvoerder te geven: dat is (ook bij creatieve vermogens) een van de belangrijkste doelstellingen van de evaluatie.

– Als leerlingen naar mekaars uitwerkingen kijken, kunnen ze ervaren dat er veel goede oplossingen voor eenzelfde opdracht zijn. Ze kunnen zo ook van mekaar kunnen leren, en vooral ervaren dat creatief denken plezierig, uitdagend, nuttig en verrijkend kan zijn. Als leerlingen een individueel product hebben voorgesteld, heeft het zin om hen uit te dagen om in een volgende fase een nog meer effectieve, nuttige, grappige, duurzame oplossing te vinden door de ideeën/producten van diverse leerlingen te combineren. Coöperatie primeert op competitie: er is geen enkele reden om de evaluatie van creatieve vermogens te laten  ontaarden in een puntenstrijd.

Voorbeelden van opdrachten die creatief denken uitlokken

Bouwmeesters: Breng water van een hoog gelegen punt in de klas over naar een lager gelegen punt (met zo weinig mogelijk verlies van water) en gebruik daarbij alleen materialen die zich in de klas bevinden. Bouw met één touw en drie wasknijpers een brug. Demonteer een voorwerp in de klas en maak met de onderdelen een dier.

Wat als? Beschrijf, teken of dramatiseer wat Jezus zou doen als hij vandaag leefde. Beschrijf (na een geschiedenisles over dat onderwerp) wat er had kunnen gebeuren als Rosa Parks niet was blijven zitten op de bus, de landing in Normandië was mislukt…

Vragen stellen? Kijk naar een kort filmpje over een actueel onderwerp en verzin daarbij 20 vragen, met telkens maximaal 4 vragen in de volgende 5 categorieën: vragen waarop ik het antwoord wel weet maar vele andere leerlingen niet, vragen waarop enkel de leerkracht het antwoord weet, vragen waarop niemand in de klas het antwoord maar waarop we het antwoord wel kunnen opzoeken, vragen waarop we het antwoord zelfs niet kunnen opzoeken maar waarover we wel kunnen brainstormen, vragen waarop iedereen het antwoord weet.

Cartoons zonder woorden: Bedenk onderschriften bij vijf cartoons of maak een samenhangend verhaal met de vijf cartoons (die op het eerste gezicht niets met mekaar te maken hebben).

Drama: Speel een scène uit een toneelstuk, film of uit een geschiedenisles, maar telkens met een andere emotie. Creëer en speel een alternatief einde voor een verhaal.

Wit blad:  Gebruik een wit blad papier en drie kleurenstiften om iets nieuws te creëren: een blauwdruk van jouw ideale school, een nieuw kostuum, een decor, een tekening van een nieuw soort auto, een oplossing voor een praktisch probleem… en stel je uitvinding op een creatieve manier voor.

Filosofeer een minuut hardop: Zijn wij alleen?

Combineer: Bedenk een verband tussen een abstract schilderij en een uitspraak van een beroemdheid.

Wie ben ik? Maak een Youtube-filmpje waarin je je eigen levensverhaal voorstelt maar in een omgekeerd tijdsverloop (je begint vandaag en wordt steeds jonger).

Door de ogen van…: Kijk naar een foto en teken hoe een vlieg de afbeelding op de foto ziet. Kijk naar een reportage van het nieuws en beschrijf hoe een van de mensen in de reportage dit meemaakte.

Onmogelijke vragen:  Brainstorm hardop over de wijze waarop je onmogelijke vragen toch kan beantwoorden (zonder dat je iets mag opzoeken), bv. hoe kan je op een berg zonder enig instrument weten hoe hoog je staat, hoeveel pianostemmers zijn er in Brussel? (P.S. die laatste vraag werd overigens ooit door Google gebruikt tijdens sollicitatiegesprekken). Bedenk zelf zo’n vraag.

Een groeimodel voor creatieve competenties

In een pilootproject probeert OESO momenteel een evaluatietool uit waarmee de groei van jongeren als creatieve denkers kan opgevolgd worden. Aan de hand van talrijke observaties van leerlingen tijdens de uitvoering van open opdrachten (zoals hierboven) worden leerlingen getypeerd op vijf “disposities” (onderliggende kenmerken) van creatief denken, en wordt voor elk van de disposities opgevolgd in welke mate de leerlingen gestaag doorgroeien van het prille ontluikingsniveau (“Awakening”) naar het expertniveau (“Adept”), met daartussen 2 niveaus van gevorderde groei (“Accelerating” en “Advanced”). De 5 disposities van creatief denken in dat model zijn:

Mate van nieuwsgierigheid (“Inquisitiveness”): In welke mate stelt de leerling zelf vragen? In welke mate onderzoekt hij/zij zelf vragen? In welke mate stelt hij/zij gevestigde antwoorden en inzichten in vraag?

Volharding (“persistence”): In welke mate houdt de leerling vol als het niet meteen lukt of een oplossing niet meteen komt? In welke mate durft de leerling anders te denken? In welke mate staat de leerling open voor onzekerheid en onduidelijkheid, en laat de leerling zich er niet door afschrikken?

Verbeeldingskracht (“Imaginative”): In welke mate combineert de leerlingen ideeën op een originele manier? In welke mate creëert de leerling nieuwe ideeën? In welke mate combineert de leerling analytisch, logisch denken met intuïtief, speels denken?

Samenwerking (“Collaborative”): In welke mate deelt de leerling zijn/haar ideeën met anderen? In welke mate is de leerling in staat om co-constructief met anderen creatieve oplossingen uit te werken? In welke mate geeft de leerling constructieve feedback, en staat hij/zij open voor feedback van anderen?

– Discipline (“disciplined”): In welke mate probeert de leerling nieuwe technieken onder de knie te krijgen om bepaalde oplossingen uit te werken? In welke mate is de leerling zelf-kritisch en gebruikt hij/zij zelfkritiek om beter te worden? In welke mate doet de leerling moeite om oplossingen niet alleen te bedenken maar ook nauwkeurig uit te werken en af te werken?

 

Meer lezen?

Lucas, B., G. Claxton and E. Spencer (2013). Progression in Student Creativity in School: First Steps Towards New Forms of Formative Assessments. OECD Education Working Papers, No. 86, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/5k4dp59msdwk-en

Sternberg, R. (2012). The assessment of creative skills: An assessment-based approach. Creativity Research Journal, 24/1, 3-12.

Als kinderen en senioren met dementie samen knutselen…

….dan blijken de leerlingen van de basisschool De Regenboog in Kessel-Lo “de beste versie van zichzelf” te tonen. Zo stelt de leerkracht van de leerlingen het trots na afloop. En is dat niet de kern van onderwijs: bij leerlingen “de beste versie” van henzelf doen bovenkomen en die volop tot ontwikkeling brengen?

 

 

De unieke samenwerking ontstond binnen een kunstproject van het Leuvense Museum M, waarbij kinderen van de basisschool in duo’s werden gekoppeld aan ouderen met dementie. Voor de kinderen én de ouderen bleek het een bijzonder deugddoende en leuke ervaring. “We leren van elkaar”, stelt één leerling. De leerlingen leerden veel bij over dementie, over zorgzaam omgaan met ouderen, over wat je allemaal kan leren van mensen met veel meer levenservaring dan zij, en over stevige tenten maken…

In de videoclip zie je ook de ouderen genieten van het samenzijn met jonge kinderen. Dit is een fraai voorbeeld van het streven naar een meer inclusieve samenleving, en van een school die haar deuren naar de buitenwereld opengooit om kinderen levensechte en vooral levens-verrijkende ervaringen te laten opdoen. Hier worden onvolwassen, oppervlakkige, zwart-witte clichés over dementie en oud-zijn bij de kinderen doorprikt. Hier wordt niet alleen creatief-constructief gebouwd, geschilderd, geknutseld met verf en doek, maar ook met ideeën en emoties. Hier worden niet alleen kunstwerken gefabriceerd die aan een muur kunnen worden opgehangen, maar ook gevoelens van solidariteit en cohesie aangewakkerd, over generaties heen.