Worden leraren betere leraren door elkaar te observeren?

Een school is een omgeving die bewust wordt ingericht om leren te bevorderen. In het beste geval geldt dat niet alleen voor de leerlingen, maar ook voor de leraren.

Een recente studie van Burgess, Rawal en Taylor (2019) geeft aan dat leraren betere leraren worden door hun collega’s te observeren of door hen geobserveerd te worden. In deze studie (waaraan 1300 leraren meededen) bleken de leerlingen in de deelnemende scholen na verloop van tijd betere resultaten te behalen voor taal en wiskunde. Opvallend in deze studie was dat zowel de geobserveerde als de observerende leraren bijleerden en voor het effect op leerlingoutput zorgden. Elke deelnemende leraar werd 3 tot 6 maal geobserveerd. De observerende leraren maakten bij de klasobservatie gebruik van een gestandaardiseerd scoreformulier: ze scoorden elkaar op een aantal kenmerken van effectief onderwijs ontwikkeld door de onderzoekster Charlotte Danielson. Na de klasobservaties werden de leerkrachten aangemoedigd om samen te komen, elkaar feedback te geven en samen na te denken over strategieën en manieren om de lessen nog effectiever te maken. Voor de leraren waren de observaties “low-stakes”: er waren geen formele, financiële of andere gevolgen aan verbonden, en er was geen hiërarchisch hogere instantie bij betrokken.

Er is in dit domein nog niet echt veel vergelijkbaar onderzoek, maar wat er aan onderzoek beschikbaar is, suggereert dat deze collegiale methode van intervisie beter werkt voor de leraren en sterkere effecten op leerlingniveau ressorteert dan klasobservaties die worden uitgevoerd door een directie, inspectie, extern expert of onderzoeker:

“The most likely interpretation of this is that the observers learn new ideas for their own teaching and have an opportunity to reflect on their own practice in a nonchallenging setting. The implication of this is quite striking: schools that outsource the evaluator role and schools in which observation/evaluation are just another task for school leaders are missing out on more than half of the potential gain to observation.”

Wat geldt voor chirurgen, lassers, bouwvakkers, schrijvers en ontwerpers, geldt dus ook voor leraren: ze kunnen veel van elkaar leren. Ze kunnen hun individuele expertise overstijgen en uitbreiden door naar elkaar te kijken, met elkaar over collegiale observaties na te kaarten, en elkaar feedback te geven. En wat geldt voor leerlingen, geldt dus ook voor leraren: ook zij groeien meer vanuit een growth mindset dan vanuit een fixed mindset. Die laatste krijgt hier weliswaar een andere betekenis: het gaat erom dat leraren en hun directies starten vanuit de overtuiging dat een afgestudeerd leraar niet aan het einde van zijn professionele ontwikkeling zit: zijn expertise is niet “fixed” aan het einde van zijn initiële lerarenopleiding. Een volwaardig leraar is een leraar die zichzelf niet beschouwt als volleerd: ze blijft zichzelf in vraag stellen en ze blijft ernaar streven om nog beter te worden in het bevorderen van de leerprocessen van haar leerlingen. Meer zelfs, de leraar komt op school net in een onvoorstelbaar rijke omgeving terecht om de eigen deskundigheid verder uit te bouwen, onder andere door zich te voeden met de ideeën, modellen, observaties, aanvullingen, feedback en advies van hun naaste collega’s. Leraren moeten hun hele loopbaan lang leerlingen kunnen blijven. En ze moeten dat mogen blijven. En collega’s moeten hun hele loopbaan elkaars leraar kunnen zijn….

Meer lezen?

Burgess, S., Rawal, S. & Taylor, E. (2019). Teacher peer observation and student test
scores: Evidence from a field experiment in English secondary schools. Providence: Annenberg Institute/Brown University.

 

Advertenties

De evaluatiepraktijk in Vlaamse basis- en secundaire scholen: een casestudie-onderzoek

Is de evaluatiepraktijk in Vlaamse scholen eerder vaardigheids- of kennisgericht? Speelt die evaluatiepraktijk in op de toenemende diversiteit van de leerlingpopulatie? Hoe staan leerkrachten tegenover punten op het rapport? Dat zijn slechts een paar van de onderzoeksvragen die onderzoekers van het interuniversitaire Steunpunt Onderwijsonderzoek hanteerden in hun kwalitatieve casestudie onderzoek naar evaluatiebeleid in Vlaamse scholen. Daarin participeerden 6 basis- en 6 secundaire scholen (van diverse netten en met diverse leerlingpopulaties). Het beeld dat uit deze casussen naar voor komt is dat de vernieuwing van de evaluatiecultuur in Vlaamse scholen een langzaam, geleidelijk proces is, en dat de verschillen tussen onderwijsniveaus en –vormen vrij substantieel is.

  • In de deelnemende kleuterscholen bleek de evaluatie veelal geïntegreerd te worden met de dagelijkse lespraktijk en vooral via observaties van gedrag te verlopen; in de basis- en secundaire scholen daarentegen wordt de evaluatie sterker gescheiden van de lespraktijk, en neemt die vooral de vorm aan van klassieke pen-en-papier toetsen en (vooral in de secundaire scholen) afgebakende examenperiodes.
  • In de meeste van de 12 scholen is er slechts in zeer beperkte mate een uitgesproken evaluatiebeleid en een gedeelde visie op evaluatie. Veel wordt overgelaten aan het initiatief van individuele leerkrachten en – in het secundair onderwijs – aan vakgroepen. Opvallend is echter dat overleg in vakgroepen vooral de praktische aspecten van evaluatie behandelt, eerder dan naar een inhoudelijke visie te streven. Slechts in een beperkt aantal casussen is er een gedeelde visie op evaluatie die is ingebed in de schoolvisie op onderwijs en leren, en daar ontstaat een meer uniforme praktijk.
  • In de hogere jaren van het basisonderwijs en in het aso/tso is de evaluatiepraktijk vooral gericht op het meten van kennis: daar heerst onder leerkrachten ook een grote onzekerheid omtrent het evalueren van vaardigheden (hoe moet dat?). In de bso-richtingen van de deelnemende scholen wordt er meer aan de evaluatie van vaardigheden en attitudes gedaan. Opvallend is dat er in de aso-richtingen bijna geen attitudes worden geëvalueerd. Ook vormen van peer- en zelfevaluatie komen relatief weinig voor in het secundair onderwijs, behalve in vakken die de samenwerking tussen leerlingen centraal stellen.
  • Veel leerkrachten in de bevraagde scholen voelen zich erg onzeker over hun evaluatiepraktijk, maar zijn erg gemotiveerd om te zoeken naar betere/andere/meer effectieve en formatieve vormen van evalueren. Ze staan kritisch tegenover de puntencultuur op hun rapporten, maar passen die wel toe omdat dat op de school blijkbaar zo hoort of de traditie is.
  • De bevraagde leerlingen van deze scholen uiten een duidelijke wens om sterker betrokken te worden bij de evaluatiepraktijk van hun school. Dankzij die sterkere betrokkenheid hopen ze meer directe feedback te verkrijgen van hun leerkrachten, bijvoorbeeld tijdens feedbackgesprekken.
  • In aso-richtingen wordt de link tussen evaluatie en diversiteit vooral in remediërende termen gezien. Leerlingen die “niet meekunnen” of slecht scoren op toetsen moeten geremedieerd worden of bijles krijgen.
  • Over de invoering van centrale examens zijn de meningen onder de deelnemende leerkrachten erg verdeeld. Sommigen zien voordelen (zoals het indijken van willekeur of subjectiviteit bij beoordelingen), anderen zien nadelen (zoals teaching to the test).
  • Ten slotte (en dat is een heel andere link tussen evaluatie en diversiteit): de diversiteit op het vlak van evalueren, beoordelen en beslissingen nemen op basis van die evaluatie blijkt erg groot te zijn, zowel tussen scholen, als binnen scholen. De deelnemende schoolteams onderstrepen de cruciale rol van de schoolleider bij de ontwikkeling van een gedeeld evaluatiebeleid, het uitdragen en verspreiden ervan en het afstemmen van de evaluatiepraktijk op het beleid. De directie blijkt een katalysatorfunctie te hebben in het faciliteren van samenwerking tussen leerkrachten en het professionaliseren van het team, waardoor de betrokkenheid van leerkrachten verhoogd wordt om mee het evaluatiebeleid vorm te geven.

Dat er op het vlak van evaluatiebeleid op deze scholen nog marge is voor verbetering en optimalisering blijkt niet alleen uit de onderstaande conclusie van de onderzoekers, maar is ook iets waar de deelnemende leerkrachten zich erg bewust van zijn:

“Het onderzoek, uitgevoerd in 12 cases in het basis- en secundair onderwijs, toont aan dat in de meerderheid van de scholen de pedagogisch-didactische autonomie waarover men beschikt zelden of slechts heel beperkt aangewend wordt om een evaluatiebeleid te ontwikkelen dat enerzijds ingebed is in een visie op onderwijs en leren en anderzijds ook afgestemd is op de specifieke context van de school. De autonomie op schoolniveau wordt zo doorgeschoven naar de individuele leerkracht of naar de vakgroep (in het secundair onderwijs). In de evaluatiepraktijk vertaalt dit zich in onzekerheid bij leerkrachten over hun competenties om leerlingen te evalueren en lijkt men ook vast te houden aan de eerder traditionele vormen van evaluatie.” (Ysenbaert, Van Avermaet, & Van Houtte, 2018, 11)

 

Meer lezen?

Ysenbaert, J., Van Avermaet, P., & Van Houtte, M. (2018). Evaluatie en diversiteit in het basis- en secundair onderwijs. Deelrapport: casestudieonderzoek. Gent: Steunpunt Onderwijsonderzoek.

Rapport meteen lezen?

Evaluatie & diversiteit in het basis- en secundair onderwijs: casestudieonderzoek

 

 

Vakdidactiek Nederlands niet-thuistaal in de lerarenopleiding: een must én een winner?

Binnen de hervormde lerarenopleidingen (educatieve masters en bachelors) is ‘Nederlands niet-thuistaal’ (NNT) een volwaardige vakdidactiek geworden. De interesse blijkt bijzonder groot: aan de educatieve master talen van de KU Leuven is het meteen de taaldidactiek met de meeste studenten. Het merendeel van die studenten neemt NNT op als een derde, bijkomende vakdidactiek om zo hun tewerkstellingskansen in het onderwijsveld te vergroten. Het succes is zeer welkom, want zowel in het Vlaams OKAN-onderwijs (anderstalige nieuwkomers) als in het volwassenenonderwijs NT2 is de nood aan deskundige lesgevers bijzonder hoog. Het beschikbare onderzoek naar de kwaliteit van het Vlaams OKAN-onderwijs (Van Avermaet e.a., 2017) en de inspectierapporten rond het rendement en de kwaliteit van het NT2-onderwijs voor volwassenen (Schuurmans & Steverlynck, 2008; De Niel e.a., 2016) zijn immers niet mals: we hebben meer deskundige leraren met een specifieke expertise op het vlak van Nederlands niet-thuistaal nodig die de volgende uitdagingen kunnen aangaan:

  • Het NT2-onderwijs voor volwassenen (dus ook het NT2-onderwijs in het kader van de weldra betalende inburgeringstrajecten) moet volgens de inspectie behoeftegerichter. Volwassen NT2-leerders verschillen qua behoeftepatronen: terwijl sommigen het Nederlands vooral willen leren om het op de werkvloer te gebruiken, zijn er andere volwassenen die Nederlands vooral willen leren om te studeren, de schoolloopbaan van hun kinderen te volgen of te kunnen communiceren met officiële instanties. Dat vereist een maatwerkgerichte aanpak in de NT2-klas. Binnen een vakdidactiek NNT kunnen studenten kennismaken met slimme werkvormen, technieken en materialen (zoals “Maatwerkhoeken”) die behoeftegericht onderwijs in élke NT2-klas mogelijk maken.
  • Het OKAN-onderwijs moet uitdagender: Het ontnuchterende eindrapport van het OKANS-onderzoek (Van Avermaet e.a., 2017) toont aan dat de taalstimulering in de OKAN-klas voor te veel leerlingen blijft hangen in een pril basisniveau. Het taalaanbod moet voldoende rijk en uitdagend zijn, systematisch net boven het huidige niveau van de leerlingen liggen en voldoende aansluiten bij het soort taalaanbod dat zij in het echte leven en in het reguliere onderwijs zullen tegenkomen. Evenzeer moeten OKAN-klassen en NT2-cursussen de NT2-leerders voldoende kansen geven om volwaardige output te produceren en qua spreekkansen verder te gaan dan de invuloefeningetjes in het handboek.
  • NNT-onderwijs vereist slimme, onderzoeksgebaseerde synergieën tussen kennis en vaardigheden: Er is veel empirisch onderzoek in het domein van de toegepaste taalkunde over het effect van grammatica-onderwijs op tweedetaalverwerving. Dat effect blijkt sterk afhankelijk van de mate van geschooldheid van de NT2-leerder (laaggeschoolden in de basiseducatie profiteren er bijvoorbeeld veel minder van dan hooggeschoolde studenten aan een universitair talencentrum), niveau (grammatica-onderwijs werkt minder goed voor beginners dan voor gevorderden), de aard van de behandelde grammaticaregel (betere effecten voor goed beregelde taalpatronen dan voor regels met veel uitzonderingen), en de link die gelegd wordt tussen de grammatica-uitleg en de uitvoering van communicatieve taaltaken. NNT-leerkrachten zijn dus idealiter deskundigen die hun kennisonderwijs kunnen plooien naar die onderzoeksbevindingen.
  • NNT-onderwijs legt slimme verbindingen tussen de klas en de wereld daarbuiten: De finaliteit van de NT2-klas ligt buiten die klas. Voor OKAN-leerlingen moet bewust toegewerkt worden naar taalstimulering in functie van doorstroom in het secundair onderwijs, voor volwassen NT2-leerders gaat het om de taalvaardigheid die hen in staat stelt om in het echte leven te functioneren in situaties die het begrip en het gebruik van authentieke Nederlandstalige boodschappen vereist. Van Avermaet e.a. (2017) pleiten in hun rapport voor het bevorderen van contacten tussen anderstalige nieuwkomers en de “reguliere” leerlingen in de school, zodat de OKAN-ners die rijke bron van taalvoeding en interactie kunnen aanboren en zich ook sneller kunnen integreren in de brede schoolgemeenschap. De inspectie pleit in het volwassenenonderwijs voor de integratie van veel meer buitenschoolse opdrachten, uitstappen, taalstages, en levensechte interacties in de cursus. Ook de integratie van moderne technologie (met websites als Nedbox) kan helpen om authentiek taalaanbod in de klas te halen.
  • NNT-leraren zijn meesters in het differentiëren en het omgaan met diversiteit: Er zijn weinig klassen in Vlaanderen die nog heterogener zijn dan OKAN-klassen en NT2-klassen: heterogeen op het vlak van etnisch-culturele herkomst van de leerders, hun taalniveau, hun interesses en behoeften, hun schoolse achtergrond, hun motivatie…. NNT-leraren moeten dus de expertise opbouwen om te differentiëren qua ondersteuning, feedback, werkvormen en inhouden om ervoor te zorgen dat elke leerling maximaal wordt gestimuleerd om de eigen grenzen te verleggen.
  • NNT-onderwijs maakt gebruik van valide, transparante, betrouwbare, brede evaluatie die zowel formatief als summatief van aard is. Net zoals elke andere leerkracht is de NNT-lesgever iemand die niet alleen summatief evalueert, maar ook (en vooral) formatieve evaluatie gebruikt om leerlingen van voedende, gepersonaliseerde feedback te voorzien. Hij gidst leerders om zichzelf en andere medeleerders te evalueren aan de hand van transparante criteria, en daardoor meer zelfsturing te kunnen geven aan hun leerproces.

Is vakdidactiek NNT in de lerarenopleiding een must? Zeker en vast! Is het ook een winner? Dat zal afhangen van de mate waarin alle lerarenopleidingen erin slagen om hun studenten onderzoeksgebaseerde inzichten te laten opdoen rond (onder andere) bovenstaande uitdagingen en hen ook ondersteunen in het omzetten van al die inzichten in krachtige (klas- en daarbuiten) praktijken.

Referenties

De Niel, H., Devlieger, M., Lambrechts, D., Mertens, E., Meulewaeter, M., Steverlynck, C., & Van Nooten, M. (2016). Op(-)maat. Een onderzoek naar de behoeftedekkendheid en de behoeftegerichtheid van het NT2-aanbod in Vlaanderen. Brussel: Onderwijsinspectie van de Vlaamse Overheid.

Schuurmans, I., & Steverlynck, C. (2008). ‘Professioneel geprofileerd?’ Een rendementstudie van het NT2-aanbod binnen CVO met inbegrip van een evaluatie van de opleidingsprofielen. Brussel: Onderwijsinspectie van de Vlaamse overheid.

Van Avermaet, P., Derluyn, I., De Maeyer, S., Vandommele, G., & Van Gorp, K. (2017). Cartografie en analyse van het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers en OKAN-leerlingen. Gent: Steunpunt Diversiteit en Leren.