De toekomst van het onderwijs Nederlands: een visietekst

Hoe moet de toekomst van het onderwijs van het Nederlands er uitzien? Zeven experts taalonderwijs uit Nederland en Vlaanderen ondersteunden het Algemeen Secretariaat van de Nederlandse Taalunie bij het uitschrijven van een visietekst daarover. Die werd vandaag overgemaakt aan de ministers van onderwijs en cultuur van beide landen. Hieronder vindt u de wervende samenvatting die de 7 experts schreven, en daaronder de link naar de integrale visietekst.

Het schoolvak Nederlands: Verander wat niet meer werkt! 

Boeiend, ambitieus, geïntegreerd en eigentijds: dat moet het onderwijs van het Nederlands in de 21ste eeuw zijn. De wereld is tijdens de afgelopen 25 jaar immers ingrijpend veranderd. De manier waarop we taal gebruiken is zo drastisch geëvolueerd dat de doelen en de inhouden van het onderwijs Nederlands niet meer die van de vorige eeuw kunnen zijn.  Het onderwijs Nederlands heeft een 21ste-eeuwse injectie nodig. Alle leerlingen – ongeacht de studierichting die ze volgen – moeten een hoog niveau van taalcompetentie ontwikkelen dat hen in staat stelt om de communicatieve taken die cruciaal zijn in het leven van vandaag en morgen uit te voeren. Dat hebben ze broodnodig om volwaardig deel te kunnen nemen aan de democratische samenleving van de 21ste eeuw.

Als experten taalonderwijs uit Nederland en Vlaanderen ondersteunden wij het Algemeen Secretariaat van de Nederlandse Taalunie bij het uitschrijven van een visie over hoe het onderwijs van  het Nederlands er in de 21ste eeuw moet uitzien. Deze visie is vandaag aan minister Crevits (VL), minister Bussemaker (NL) en staatssecretaris Dekker (NL) aangeboden. Wij menen dat de tijd overrijp is om de verouderde schotten tussen literatuur, taalbeschouwing en taalvaardigheid te slechten en levensvreemde keuzes tussen taalcorrectheid en begrijpelijkheid in de prullenbak te gooien. In de plaats daarvan schuiven we vier inhoudelijke thema’s naar voren die volgens ons in het onderwijs Nederlands van de 21ste eeuw centraal moeten staan.

Het thema taalcompetentie en informatie benadrukt dat onze kinderen en jongeren kritisch en efficiënt met de hedendaagse overvloed aan informatie moeten leren omgaan. Meer dan ooit moeten zij leren dat de eerste Google-hit niet noodzakelijk de beste informatie oplevert. Meer dan ooit moeten leerlingen pertinente leugens van objectieve waarheid kunnen onderscheiden, wervende teksten van objectief informerende teksten, onderbouwde bronnen van onbetrouwbare stemmingmakerij.

Het thema taalcompetentie en communicatie benadrukt dat kinderen en jongeren moeten leren om  vaardig te communiceren in uiteenlopende situaties. Jongeren moeten leren dat de chattaal en afwijkende spelling van sociale media niet voor alle doeleinden geschikt is. Ze moeten een standaardtaal verwerven en de taal van de school. Jongeren die taalcompetent communiceren, kunnen beter sociale relaties in diverse domeinen van de maatschappij aanknopen.

Het thema taalcompetentie en identiteit benadrukt dat kinderen en jongeren taal nodig hebben om hun eigen identiteit te ontwikkelen. Het onderwijs van het Nederlands helpt hen om hun wensen en opinies duidelijk te maken, om zich te verweren tegen allerlei vormen van bedreiging en geweld, om zichzelf als persoon te ontdekken en dat weer aan anderen duidelijk te maken. Wij uiten onszelf, en worden onszelf, via taal.

Het thema taalcompetentie en cultuur houdt in dat jongeren dankzij het onderwijs Nederlands leren om via taal van cultuur te genieten en zelf cultuur te maken. Alle jongeren moeten kunnen kennismaken met kunst en literatuur. Niet zozeer om geboortedatums van auteurs en namen van stijlfiguren uit het hoofd te leren, maar om kennis te maken met andere zienswijzen en perspectieven, en hun eigen emotioneel leven diepgaand te verrijken.

Wij stellen dus een boeiend, ambitieus en eigentijds onderwijs van het Nederlands voorop waarin deze vier thema’s geïntegreerd aan bod komen. Een onderwijs Nederlands dat leerlingen helpt om de kwaliteit van hun leven te verhogen. Een onderwijs Nederlands dat in de wereld staat en over de wereld gaat. Dat taal niet kunstmatig opsplitst in deelvaardigheden en betekenisloze deelaspecten, maar dat leerlingen helpt om taalkennis, taalvaardigheid en taalattitudes geïntegreerd in te zetten om te functioneren binnen en buiten de school. Dat leerlingen leert om een positieve talige grondhouding te ontwikkelen, van waaruit ze met respect naar meertaligheid kijken. Wij hebben een duurzaam onderwijs Nederlands nodig dat de motivatie voor taalleren die kinderen en jongeren van nature hebben, voortdurend vernieuwt. Dat leerlingen met plezier doet lezen en aanzet om creatief met taal te spelen. Een onderwijs Nederlands waarin – letterlijk – geen enkele leerling aan zijn lot wordt overgelaten en iedereen functioneel geletterd de school verlaat. Een onderwijs Nederlands dat een basisaanbod van hoog niveau voor iedereen garandeert, en tegelijkertijd leerlingen durft uit te dagen om zich in taal te verdiepen. Een onderwijs Nederlands dat niet alleen tijdens het vak Nederlands wordt gegeven, maar door taalbewuste leraren van alle vakken wordt aangeboden. Een onderwijs Nederlands dat de cruciale rol die taal in het leven van iedereen speelt, erkent en naar waarde schat.

Op de keper beschouwd heeft het onderwijs Nederlands niet zozeer meer handboeken nodig, maar meer handlangers. Het is daarom de hoogste tijd voor alle beleidsmakers, leerplanontwikkelaars, lerarenopleiders, methodemakers, onderwijsondersteuners, directies en leraren om samen op de trein van de 21ste eeuw te springen.

Jan Rijkers, voorzitter expertgroep (NL); Paula Bosch, Vereniging van levende talen (NL); Kris Van den Branden, KU Leuven; Jordi Casteleyn, Universiteit Antwerpen; Bart van der Leeuw, Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling,(SLO) (NL); Marleen Lippens, Katholiek Onderwijs Vlaanderen; Alida Pierards, Hogeschool PXL (Vlaanderen).

 

De visiektekst meteen lezen?

http://taalunieversum.org/sites/tuv/files/downloads/Iedereen_taalcompetent.pdf

 

Advertenties

Er was eens een hervorming… (cultuursprookje)

Er was eens een hervorming van het grote Secundaire Stromenland. Een Wijze Tovenaar toverde eerst een prachtig Plan uit zijn mouw. Dat Plan moest ervoor zorgen dat er minder mensenkinderen (Hansjes en Grietjes, Roodkapjes en Kleine Duimpjes) van de Woeste Waterval donderden. Het moest er ook voor zorgen dat de mensenkinderen wat langer op het Brede Meer mochten ronddobberen, met zicht op de wijde horizon, alvorens een van de 157 Secundaire Stromen op te varen. En ja, het Plan moest er ook voor zorgen dat de ouders van de mensenkinderen (de Wevers en de Houthakkers) de gigantische Kaart waarop alle 157 Secundaire Stromen stonden afgebeeld, beter konden begrijpen.

Met zijn Plan en de nodige trots stapte de Wijze Tovenaar naar de Machtige Reuzen. Die gingen meteen met het Plan aan de slag. Nu is genoegzaam geweten dat Machtige Reuzen met hun dikke gebalde vuisten niet altijd de fijne vellen papier van een Tovenaarsplan uit mekaar kunnen houden, en dat ze doorheen hun forse wenkbrauwen niet altijd de kleine details van zo’n Plan opmerken. Ook is geweten dat Machtige Reuzen soms een beetje koppig zijn en met elkaar stevig ruzie kunnen maken. Daar komt gedonder van, en in het slechtste geval zelfs hevige aardbevingen in het grote Secundaire Stromenland.

Het leek wel eeuwen te duren voor de Machtige Reuzen eindelijk met hun besluit kwamen, maar plots was het zover. “Neen, geen aardbeving deze keer,” bulderden ze tevreden, “maar iets anders. Hier is de gigantische Matrix, die vervangt vanaf nu de gigantische Kaart.” De ouders van de mensenkinderen (de Houthakkers en de Wevers) keken meewarig naar de nieuwe Matrix. “Hmm”, dacht een brave Wever, “146 in plaats van 157 Secundaire Stromen, ja, minder is het wel, alleen spijtig dat ik het met sommen boven de 100 altijd zo lastig heb gehad.” Ook een eenzaam Houthakkersvrouwtje zuchtte: “Hmm, eens kijken, domein, studierichting, aso/tso/bso, doorstroom… Dat zijn 4 etiketjes die ik vanaf nu op het bootje van mijn Hansje moet kleven. En vroeger waren het er maar 2. Hopen maar dat ik die al etiketjes goed uit mekaar kan houden”.

En wat deden de Stromenmakers (die vaardige vaklieden die dag in dag uit aan de bootjes van de mensenkinderen en het debiet van de Secundaire Stromen timmeren)? Die stonden er eerst even bij en keken ernaar. Sommigen krabden een beetje nerveus achter hun oren, anderen zelfs geïrriteerd aan hun kont. Gelukkig zijn Stromenmakers heel ijverige lui die niet graag bij de pakken blijven zitten en slaan er velen van hen op tijd en stond een stevige nagel op de kop. “Nou,” zeiden ze, “dan zullen wij maar eens aan de vorming van de hervorming beginnen timmeren.”  En sommigen bouwden fraaie bruggen tussen de 146 Secundaire Stromen, zodat de mensenkinderen makkelijker van de ene naar de andere Stroom konden springen. En anderen verlegden eigenhandig een stukje oever van het Brede Meer, zodat de mensenkinderen toch wat meer tijd kregen om de horizon af te turen. En nog anderen sloegen de handen in mekaar en vervaardigden reuzenkano’s waarin Hansjes, Grietjes, Roodkapjes en Kleine Duimpjes samen de 146 Stromen van het Secundaire Stromenland konden afreizen.

Van al die noeste arbeid begonnen de Stromenmakers al gauw te zweten. Ze hoopten dan ook dat de Machtige Reuzen met hun krachtige adem voor een zucht verkoeling en een aangenaam klimaat zouden zorgen. Ze hoopten ook dat de Machtige Reuzen zouden uitkijken waar ze hun gigantische voeten neerzetten zodat ze geen kostbaar timmerwerk van de Stromenmakers vernielden. En ze hoopten vooral dat de Machtige Reuzen de horizonlijn tijdig zouden verleggen, zodat de 146 Stromen voortaan in het Land van de Toekomst zouden uitmonden, en niet langer in het Land van Gisteren. “Matrix of Kaart,” knikten de Stromenmakers, “het is aan ons om ervoor te zorgen dat de Hansjes, Grietjes, Roodkapjes en Kleine Duimpjes nog lang en gelukkig leren…”

 

Wat zeggen toponderzoekers over kwalitatief hoogstaand kleuteronderwijs?

Op de blog “Kleutergewijs” postte Helena Taelman een boeiend verslag van een ontmoeting van 50 internationale onderzoekers die jaarlijks samen nadenken over de kwaliteit van het kleuteronderwijs. De conferentie leverde ook dit jaar een aantal interessante bevindingen op:

  1. Kleuters ontwikkelen zich beter wanneer de leerkrachten uitgebreide gesprekken met hen voeren bij het spel en tijdens andere activiteiten. Deze observatie kwam de laatste jaren uit verschillende studies naar voren. Zo geeft het onderzoek van David Dickinson aan dat leerkrachten best systematisch een rijke taal hanteren met een uitgebreide woordenschat en volledige zinnen waarin verbanden en gedachten worden uitgedrukt. Tevens is het aangewezen dat leerkrachten hun leerlingen volwaardige kansen geven om zelf het woord te nemen, te antwoorden op open vragen, en hardop na te denken.
  2. Uitgebreide gesprekken tussen leerkrachten en kleuters blijken nog meer te renderen voor taal- en denkontwikkeling indien ze worden vastgehangen aan interessante onderwerpen en thema’s. Rijke interactie kan niet zonder een rijk curriculum. Succesvolle ondersteunings-en vernieuwingsprojecten focussen dus best niet alleen op het verrijken van de interactiestijl van leerkrachten, maar tegelijkertijd op de vaardigheid van de leerkracht om interessante inhouden aan te bieden: inhouden die aansluiten bij de interesse van de kleuters, met denk-en doe-activiteiten die tevens die interesse en leefwereld van de kleuters kunnen verdiepen en verrijken. Een krachtig voorbeeld hiervan vormen voorleesprojecten, waarbij het (herhaaldelijk) voorgelezen prentenboek nauw aansluit bij andere activiteiten die de kleuters in dezelfde periode rond hetzelfde thema hebben uitgevoerd: bewegingsactiviteiten, ontdek- en experimenteeractiviteiten onder begeleiding van de leerkracht, vrij spel met gerelateerde voorwerpen, muzische activiteiten, woordenschatverrijking, drama-activiteiten…
  3. Het is voor leerkrachten niet zo eenvoudig om zichzelf te professionaliseren in een krachtige interactiestijl. Daarvoor is voor de meeste leerkrachten de hulp van een (ervaren) collega of een externe coach nodig. Zeer krachtig (maar ook zeer intensief) zijn video-opnames die de kleuterleidster van haar eigen gesprekken met kleuters maakt, en die ze gebruikt om samen met de coach te reflecteren op bepaalde aspecten van haar interactie.
  4. Balans lijkt een sleutelwoord: leer-rijke activiteiten vertonen een balans tussen de leerkracht die praat en de kleuters die praten, tussen leerkrachtbegeleiding en kleuterinbreng, tussen speels leren en begeleid leren, tussen inzoomen op bepaalde deelelementen (woordenschat) en holistisch leren, tussen zelfsturing (van de kleuter) en sturing door de leerkracht.
  5. In het Europees CARE project wordt ook benadrukt dat kleuters zich het best ontwikkelen in een warm en veilig klimaat, en dat het voor hen erg belangrijk is dat ze zich thuis voelen in een groep waartoe ze willen behoren. Voor duurzaam leren zijn de socio-emotionele aspecten van een leeromgeving zijn minstens even belangrijk als de cognitieve aspecten ervan.

Naar het originele blogbericht?

https://kleutergewijs.com/2017/01/04/wat-zeggen-toponderzoekers-over-kleuteronderwijs/

Brief aan de minister

2017 wordt voor het Vlaamse onderwijsbeleid sowieso een historisch jaar. De Vlaamse regering hakt immers dit jaar de knoop door rond de vernieuwing van de eindtermen. De ervaring leert ons dat die nieuwe eindtermen tijdens de volgende twintig jaar van kracht zullen zijn en de bakens zullen uitzetten voor leerplannen, methodes, curricula, de evaluatie van leerlingen en de evaluatie van de kwaliteit van ons onderwijs. Kinderen die in 2017 geboren worden zullen dus wellicht het secundair onderwijs al verlaten hebben op het moment dat de eindtermen opnieuw geactualiseerd worden. Er staat veel op het spel.

In nieuwjaarsbrieven weerklinkt steevast een boodschap van hoop: ik heb met de betrekking tot de nieuwe eindtermen een driedubbele hoop.

Ten eerste hoop ik dat de eindtermen de ambitie van het Vlaamse beleid zullen weerspiegelen om het onderwijs volop in te bedden in het hedendaagse leven van de 21ste eeuw. Onze jongeren willen, en moeten, vandaag andere dingen op school leren dan wij. De realiteit is tijdens de afgelopen 25 jaar drastisch veranderd, de actualiteit toont ons – vaak in pijnlijke en hartverscheurende beelden – welke cruciale rol het onderwijs in de hedendaagse samenleving moet kunnen opnemen. Onze jongeren moeten in het onderwijs niet alleen klaargestoomd worden voor de 21ste-eeuwse arbeidsmarkt en samenleving, ze moeten ook klaar zijn om van die arbeidsmarkt en samenleving een meer geweldloze, harmonieuze, menswaardige, duurzame en aangename omgeving te maken. Onze jongeren moeten op school leren om respectvol om te gaan met diversiteit in al haar religieuze, sociale, economische, seksuele en politieke verschijningsvormen. Onze jongeren moeten niet alleen voor zichzelf kunnen zorgen, maar ook voor anderen en hun omgeving. Onze jongeren moeten veel kennis opdoen, maar niet om die kennis blind te reproduceren (want dat kunnen machines ondertussen beter dan mensen), maar om weloverwogen oordelen te vellen in complexe, snel veranderende situaties. Onze jongeren moeten mediawijs, kritisch, verantwoord en doelgericht met moderne technologie en de hedendaagse overvloed aan informatie kunnen omgaan en leren hoe ze objectieve waarheid van pertinente leugens kunnen onderscheiden. Elke jongere moet dankzij het onderwijs kunnen groeien: in het vinden van de eigen identiteit, in het ontdekken van ambitieuze en haalbare toekomstdromen, in het ontwikkelen van een rotsvast vertrouwen in het eigen, grenzeloze leervermogen, in het ontwikkelen van denkkaders die het eigen handelen kunnen sturen maar tevens in het ontwikkelen van voldoende relativeringsvermogen om te vermijden dat die eigen denkkaders dichtslibben en leiden tot fanatieke onderdrukking van de rechten, opinies en overtuigingen van anderen.

Ten tweede hoop ik dat de modernisering van de eindtermen niet zal leiden tot nog meer overladen curricula. Onze huidige onderwijsprogramma’s zitten propvol. Veel leraren vinden daardoor niet meer de tijd om hun leerlingen belangrijke competenties echt duurzaam te doen ontwikkelen. Ze vinden de tijd niet om aan cruciale, vakoverstijgende 21ste-eeuwse sleutelcompetenties te werken. Ze vinden de tijd niet om meer ondersteuning te geven aan leerlingen die dat nodig hebben. Hoe voller de onderwijsprogramma’s, hoe minder onze leerlingen écht leren. Op schakelmomenten als het deze moet de kans gegrepen worden om het kaf van het koren te scheiden, en om rigoureus te bepalen wat elke leerling echt aan eigentijdse competenties moet verwerven.

Ten derde hoop ik dat de Vlaamse regering onze leerkrachten en directies op voortvarende wijze ondersteunt om de vernieuwde eindtermen te implementeren. Het zijn uiteindelijk de leerkrachten en directies die het onderwijs maken. Zij verdienen alle steun om in comfortabele omstandigheden, met voldoende ruimte voor overleg, voorbereiding en professionalisering, en met een minimum van administratieve last, hun job uit te voeren. In 2016 gaf ik tientallen lezingen over het onderwijs voor de 21ste eeuw aan leraren, directies, schoolteams en scholengemeenschappen. Ik werd sterk getroffen door de grote dynamiek die er omtrent dit thema leeft in het onderwijsveld. Tal van teams – van Harelbeke tot Maasmechelen – zijn volop bezig met het ontwikkelen van vakoverstijgende projecten, het centraler stellen van de 21ste-eeuwse sleutelcompetenties, het herzien van hun evaluatiebeleid, het opvoeren van differentiatie-inspanningen en het invoeren van moderne technologie, het professionaliseren en sensibiliseren van hun volledige team, en het organiseren van schooloverstijgende uitwisselingen. Die dynamiek drijft heel vaak op de tomeloze ambitie van schoolteams om van hun school niet alleen een krachtige, eigentijdse leeromgeving voor al hun leerlingen te maken, maar ook een warm nest. Die dynamiek verdient een stevige duw in de rug van het onderwijsbeleid en een groot vertrouwen in de autonomie van teams om het onderwijs te vernieuwen.

Geachte minister, ik wens u een historisch jaar. Een jaar waarin het Vlaamse onderwijsbeleid eindtermen met een ware toekomstvisie uitvaardigde.