Het onderwijs van de toekomst: wat denkt men in Nederland?

Het Nederlandse Platform Onderwijs 2032 heeft haar eindadvies uitgebracht over het onderwijs van de toekomst. Dat deed ze op basis van een brede maatschappelijke dialoog met leerlingen, leraren, ouders, directies, bedrijfsleiders, burgers, kortom met iedereen die wou bijdragen tot het debat. Dit zijn de grote lijnen van haar advies:

  • Er is een nieuwe koers in het onderwijs nodig. In het curriculum moet een goed evenwicht gezocht worden tussen persoonsvorming, maatschappelijke vorming en kennisontwikkeling. Zo bouwt het onderwijs van de toekomst aan de vorming van jonge mensen die aardig, vaardig en waardig zijn.
  • Om dat te bereiken dient het toekomstgericht onderwijs de volgende 5 basiskenmerken te vertonen:
    • De leerling ontwikkelt kennis en vaardigheden door creativiteit en nieuwsgierigheid in te zetten: leerlingen leren zelf (kritische) vragen te stellen en hun verbeelding te gebruiken.
    • De leerling vormt zijn persoonlijkheid: leerlingen leren zelfstandig keuzes te maken en initiatief te nemen, maar houden ook rekening met de keuzes en behoeften van anderen. Ze leren omgaan met hun emoties, en ook met die van anderen.
    • De leerling leert omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid en over grenzen heen te kijken: leerlingen vormen zich tot verantwoordelijke burgers met een open houding ten opzichte van andere mensen en andere culturen.
    • De leerling leert de kansen van de digitale wereld te benutten: leerlingen leren efficiënt en vlot met moderne technologie omgaan.
    • De leerling krijgt betekenisvol onderwijs op maat: leerlingen krijgen interessant onderwijs en gedifferentieerde ondersteuning, en leren op een actieve wijze.
  • De kennisbasis die leerlingen opbouwen moet stevig zijn, maar niet uitgebreider dan nodig voor het bereiken van de bovenliggende doelen. Leerlingen maken zich de basiskennis van de belangrijkste kennisdomeinen op een diepgaande manier eigen: “niet van alles een beetje, maar meer van minder”. Het advies onderscheidt drie interdisciplinaire kennisdomeinen waarrond het curriculum wordt opgebouwd: Mens en Maatschappij, Natuur en Technologie, Taal en Cultuur.
  • Het Platform schuift ook 5 vakoverstijgende vaardigheden naar voor die ze van centraal belang vindt: Leervaardigheden, Creëren, Kritisch denken, Probleemoplossend vermogen, en Samenwerken.
  • Om dit advies te implementeren zullen de eindtermen en leerplannen moeten herzien worden. In het advies wordt ook benadrukt dat een andere manier van toetsen en evalueren zich opdringt, waarbij niet alleen wat meetbaar is, maar ook alles wat “merkbaar” is in de evaluatie wordt opgenomen. Verder moet er tijd en ruimte komen voor lerarenteams om zich te professionaliseren en constructief samen te werken, moeten de lerarenopleidingen afgestemd worden op dit nieuwe perspectief, en moeten actieve samenwerkingsverbanden worden opgezet tussen de verschillende niveaus en geledingen van het onderwijsveld.
  • En ten slotte de stem van de leerling: Meer dan 1000 leerlingen werkten mee aan het advies. Zij pleiten voor (a) meer keuzevrijheid in het onderwijs, (b) meer persoonsvorming, (c) meer aandacht voor globalisering, (d) meer maatwerk, (e) meer aandacht voor burgerschapsvaardigheden, en (f) meer maatschappelijke toerusting (voorbereiding op het maatschappelijk leven).

 

Het volledige eindadvies lezen?

 

http://onsonderwijs2032.nl/wp-content/uploads/2016/01/Ons-Onderwijs2032-Eindadvies-januari-2016.pdf

Naar een onderwijs voor mensen in balans (opiniestuk)

Deze tekst verscheen eergisteren als opiniestuk in De Standaard (DS 14/1/2016):

In vele Europese regio’s (inclusief Vlaanderen) is een debat op gang getrokken over de vraag waartoe scholen in de 21ste eeuw dienen. Op de keper beschouwd gaat die vraag over het soort mensen dat we willen vormen. Tijdens de afgelopen 30 jaar werd daarbij door pedagogen en beleidsmakers bijzonder veel nadruk gelegd op de individuele persoonlijkheidsontwikkeling van leerlingen. Het onderwijs moet kinderen en jongeren maximaal ondersteunen om hun persoonlijke talenten te ontwikkelen, hun beperkingen te overstijgen en op te groeien tot onafhankelijke denkers die zelfstandig beslissingen kunnen nemen. Het onderwijs moet mensen de kans geven om de fundamentele vrijheden die moderne democratieën aan individuen schenken, ten volle te benutten.

Maar de vrijheid van mensen om richting te geven aan hun eigen leven mag niet de vrijheid zijn van de vos in het kippenhok. Met de vrijheid van mensen om de volle verantwoordelijkheid voor hun eigen leven op te nemen, komt ook de verantwoordelijkheid om dezelfde vrijheid van anderen te respecteren en beschermen. De gebeurtenissen in Keulen, en de met de regelmaat van de klok weerkerende rapporten over pestgedrag, huiselijk geweld en kindermishandeling scherpen ons bewustzijn aan dat het onderwijs van de 21ste eeuw leerlingen systematisch moet aanzetten om verder dan de eigen neus, de selfie, het eigen face te leren kijken. Doorheen hun gehele onderwijsloopbaan (vanaf hun eerste dag in het kleuteronderwijs) moeten leerlingen leren om bij het nemen van hun eigen beslissingen en het plannen van hun zelfgestuurde daden rekening te houden met de gevolgen ervan voor andere mensen en voor hun omgeving.

Het onderwijs van de 21ste eeuw mag de huidige generatie jongeren niet alleen voorbereiden om de volgende lichting carrièrejagers en nuttige winstmakers te worden. We hebben mensen nodig die in balans zijn met zichzelf, anderen en hun omgeving. Mensen die persoonlijke, sociale, maatschappelijke, economische en ecologische belangen evenwichtig kunnen verzoenen. Mensen die hun eigen doelen en geluk kunnen nastreven maar daarbij de doelen van hun medemensen en het welzijn van hun wijdere omgeving niet uit het oog verliezen. We hebben vrije denkers nodig die onafhankelijk en zelfstandig kunnen nadenken, maar die tegelijk vrij van hun eigen denken kunnen komen: mensen die niet onmiddellijk toegeven aan hun eerste emotionele impulsen, associaties en stereotypes, maar hun meningen kunnen bijsturen en open staan voor andere zienswijzen. Mensen met een eigen stem die onbevangen naar anderen kunnen luisteren. We hebben mensen nodig die niet alleen goed kunnen redeneren, maar ook gedreven zijn om goed te doen: positief bezielde en sociaal bewogen mensen die, zelfs als ze beseffen dat ze de grote wereld niet kunnen veranderen, ze wel de kleine wereld om zich heen kunnen verbeteren. We hebben mensen nodig die opkomen tegen het onrecht in de wereld eerder dan zich in het drijfzand van angst, doembeelden en zondebok-denken te laten wegzinken. Mensen die anderen – ook degenen die sterk van hen verschillen – zien als volwaardige mensen met eigen opinies, dromen en ideeën, en die daarom hun volle respect en inlevingsvermogen verdienen. Rechtvaardige mensen die anderen geen rechten ontzeggen die ze zichzelf toe-eigenen. Breeddenkende, hoog-empathische, warmvoelende mensen. Mensen die een bijdrage kunnen en willen leveren tot een wereld in balans.

En om mensen in balans tot volle ontplooiing te doen komen, hebben we een onderwijsprogramma in balans nodig. Een curriculum waarin economische, persoonlijke en sociale doelen geïntegreerd aanwezig zijn, en waarin geen van de drie de andere plattrapt. Een hedendaags, eigentijds curriculum waarbij de kwaliteit van onderwijs niet alleen wordt afgemeten aan de hand van pure leerwinst, maar ook aan het persoonlijk welbevinden, het zelfvertrouwen, de autonomie en motivatie die leerlingen hebben, én aan de warmte van het sociale klimaat dat leerlingen en schoolteams samen creëren. Een curriculum dat menselijkheid en medemenselijkheid in de economie pompt, en creatief rendement in ons persoonlijk en gemeenschapsleven. Een curriculum dat de zin voor het onverwachte, het kunstzinnige en het afwijkende omarmt terwijl gevestigde waarden worden doorgegeven. Een curriculum dat durft te lachen als het al te ernstig wordt en heel ernstig over humor durft nadenken. Een moreel hoogstaand curriculum dat waardigheid, solidariteit en respect doorheen alle lessen en doorheen alle lagen van het menselijk functioneren mengt. Een curriculum dat durft te onderzoeken en te twijfelen aan wat als vaststaand geldt, en dat vastberaden gelooft in de kracht van mensen. Een curriculum dat technologie en economie omarmt, maar er zich niet de wet door laat dicteren. Een curriculum dat inspireert, motiveert, verwondering opwekt en passioneert. Een curriculum dat leerlingen én leerkrachten energie-voor-leren geeft. Een curriculum dat duurzaam leren en duurzaam leven nastreeft.

Van een puntenrapport naar een groeirapport

Tijdens de afgelopen maanden heb ik diverse directies van basisscholen aan het woord gehoord over hun “nieuwe rapport”. Daarbij stappen ze af van het traditionele rapport met punten en kiezen ze voor een groeirapport. De rode draden die doorheen de verhalen van de directies lopen, zijn de volgende:

  1. Als puntje bij paaltje komt, zijn punten zijn weinig informatief. Is een 7 op 10 goed of niet goed? Dat hangt vaak van subjectieve interpretatie en de persoonlijke norm af. Bovendien geeft die 7 aan de leerling geen informatie over wat hij/zij kan doen om de prestatie te verbeteren.
  2. Punten gaan meestal over momentopnames. Ze geven weer hoe een leerling op een bepaald moment presteerde (onder vaak stressvolle omstandigheden). Ze zeggen echter minder over de groei die een leerling heeft doorgemaakt, en dat is paradoxaal, want de kernopdracht van scholen is leerlingen doen groeien.
  3. Punten zijn abstract: Een 7 op 10 voor taal kan het resultaat zijn van een erg goede toets voor begrijpend lezen (10 op 10) en een zwakke toets voor schrijven (4 op 10), maar evenzeer van twee redelijk goede toetsen voor lezen en schrijven (beide 7 op 10). Toch staat er tweemaal hetzelfde cijfer op het rapport.
  4. Puntenrapporten voeden de testcultuur. Een punt vloeit vaak voort uit een test. Een puntenrapport verhoogt de kans dat leraren vooral evalueren via testen, en niet via andere evaluatiemethodes. Leraren gaan zelfs testen moeten afnemen omdat ze zo nodig nog een punt voor het rapport nodig hebben.
  5. Op puntenrapporten worden leerlingen vaak met andere leerlingen of met een vaag criterium vergeleken. Vooral voor leerlingen die onder het gemiddelde of onder de mediaan scoren, kan dat ontmoedigend werken. Wie heel erg zijn best doet, maar toch lager scoort dan de mediaan (en dat kan voor de helft van de leerlingen het geval zijn), krijgt toch een signaal dat het niet goed genoeg is. Daardoor kunnen leerlingen energie voor leren verliezen.

De scholen die met groeirapporten aan de slag gaan, gooien daarom het roer om:

  1. Op een groeirapport wordt niet één punt voor een vak gegeven, maar kunnen per vak een aantal belangrijke doelstellingen onder mekaar opgelijst worden (bv. competenties, kennis, vaardigheden of attitudes die de leerlingen op een bepaald moment moeten beheersen). Per doelstelling wordt met een schaal gewerkt met 4 à 5 gradaties in kolommen die naast mekaar staan. Zo zag ik een schaal die links startte bij de kolom “Dit beheers ik nog niet”; daarnaast stonden de kolommen “Dit kan ik soms, maar niet altijd” en “Dit kan ik alleen als ik ondersteuning krijg”; ten slotte stond helemaal rechts de kolom “Dit beheers ik”.
  2. Als een groeirapport niet alleen weergeeft hoe ver de leerling staat voor de belangrijke doelstellingen maar ook waar hij/zij daarvoor tijdens de vorige rapportperiode stond, dan wordt de groei van de leerling letterlijk zichtbaar gemaakt. Leerlingen worden dan met zichzelf vergeleken, en dat kan erg motiverend werken want ze zien zichzelf op allerlei vlakken vooruitgaan. Dat kan energie voor verder leren opwekken.
  3. Het groeirapport bevat per cluster doelstellingen ook een advies van de leraar over wat de leerling kan doen om verder te groeien voor die doelstellingen. Die adviezen worden in gewone mensentaal geschreven. De leerling krijgt op het rapport ruimte om daarop te reageren, en ook de ouders krijgen diezelfde ruimte.
  4. De groeirapporten die ik zag werden door diverse leraren samen ingevuld. Diverse leraren hadden de leerling immers aan het werk gezien voor de betrokken doelstellingen en konden hun bevindingen naast mekaar leggen. Dat levert meer genuanceerde, onderbouwde en sterker gedragen uitspraken over de groei van de leerling op dan punten op een enkele toets.
  5. In sommige voorbeelden die ik zag, vulde niet alleen het lerarenteam, maar ook de leerling zijn eigen groeirapport in. De leerling kon dus zelf aangeven wat hij had bijgeleerd, waar hij nog mee worstelde en wat voor ondersteuning hem kon helpen. Leerlingen van het basisonderwijs kunnen dit aan, zo leerden mij de workshops die ik bijwoonde en de voorbeelden van ingevulde groeirapporten die ik zag. We moeten leerlingen op dat vlak  niet onderschatten, zeker als ze daarin begeleid worden. Zelf hun rapport invullen scherpt bovendien hun reflectief vermogen aan en levert leraren soms erg waardevolle informatie op over wat bepaalde leerlingen kan helpen.
  6. Groeirapporten zijn erg consistent met de principes van brede evaluatie, waarbij allerlei methodes (observaties van taakuitvoering, portfolio, peerevaluatie, en ook toetsen) worden gecombineerd om uitspraken te doen over de groei die de leerling doormaakte. Groeirapporten en puntenrapporten sluiten mekaar dus niet volledig uit: op een groeirapport kan ook een punt gerapporteerd worden op een belangrijke toets.

Groeirapporten sluiten aan bij de centrale missie van scholen: leerlingen doen groeien en binnen het team alle krachten bundelen om de groei te documenteren en groeipotentieel te analyseren. Groeirapporten sluiten ook aan bij de basisprincipes van duurzaam onderwijs: ze kunnen leerlingen nieuwe energie voor leren geven, zowel motivationele energie (de zin om verder te leren) en intellectuele energie (de informatie die je nodig hebt om je groeipunten te identificeren en aan die groei concreet te werken).

Meer hierover lezen?

De becijferde school van Roger Standaert (Uitgeverij ACCO)

Onderwijs voor de 21ste eeuw van Kris Van den Branden (Uitgeverij ACCO)

6 manieren om je onderwijs eigentijdser te maken

Leerkrachten die het goede voornemen hebben om hun onderwijs in 2016 (nog) wat eigentijdser te maken, kunnen wellicht inspiratie putten uit de volgende ideeën:

  1. Globaliseer

Doorbreek vaker de grenzen tussen de school en de wereld daarbuiten. Hang je lessen op aan dingen die in de echte wereld gebeuren en breng die onderwerpen de klas binnen via moderne media of gastsprekers. Laat je leerlingen als huistaak informatie opzoeken of reportages bekijken die rechtstreeks bij je les aansluiten. Illustreer het belang van bepaalde lesinhouden door te wijzen op toepassingen buiten de school.  Ga met je leerlingen de klas uit en gebruik uitstappen, bedrijfsbezoeken, werkplekleren en buitenschoolse activiteiten om abstracte inhouden te concretiseren.

  1. Share

Laat je leerlingen vaker een product, clip, promotalk, presentatie of recensie maken die ze echt aan anderen moeten tonen. Dat kunnen andere leerlingen van hun klas zijn, maar ook medeleerlingen van de school (buiten hun eigen klas) of zelfs een publiek buiten de school. Stimuleer de creatieve vermogens van je leerlingen, en gebruik digitale en niet-digitale kanalen om je leerlingen kansen te bieden om hun creatieve bijdragen verzorgd af te werken en voor te stellen. Probeer ervoor te zorgen dat de leerlingen constructieve feedback krijgen waaruit ze kunnen leren hoe ze hun werk nog kunnen verbeteren.

  1. Socialiseer

Doorbreek vaker de grenzen tussen vakken, klasgroepen en studierichtingen. Werk met leerkrachten van verschillende vakken kleine (of grote) projecten uit die je leerlingen de kans geven om inzichten uit diverse vakken op een authentiek, actueel probleem toe te passen. Laat leerlingen van verschillende klassen en studierichtingen met mekaar samenwerken, zodat ze niet alleen van elkaars specifieke expertise kunnen leren, maar ook kunnen leren omgaan met sociale diversiteit. Experimenteer met vormen van peer tutoring over klasgrenzen heen. Doorbreek klasgrenzen om leerlingen met specifieke leerbehoeften gedifferentieerde ondersteuning aan te bieden. Begin met co-teaching, al was het maar voor één keer en voor één specifiek project.

4. Emancipeer

Belichaam de waarden van de 21ste eeuwse democratie door je leerlingen echt op te voeden tot zelfstandig denkende, autonome wezens. Geef hen tijdens je lessen kansen om eigen keuzes te maken. Laat hen toe kritische vragen over je eigen lesstof te stellen. Straf hun fouten niet af, maar laat hen inzien dat we heel veel van fouten kunnen leren. Leer hen onafhankelijk denken en vermijd betutteling. Leer hen kritisch omgaan met moderne media, met misleidende informatie, met reclame en met de waterval aan ongenuanceerde meningen die veel sociale media domineren. Laat hen aan de hand van voorbeelden uit je eigen vak inzien dat informatie op het internet niet altijd objectieve informatie is. Leer hen dat omgaan met sociale diversiteit begint bij het onderdrukken van impulsieve, stereotiepe etiketten die zich ongeremd aan onze geest opdringen.

5. Engageer

Negeer de grote problemen en uitdagingen van deze eeuw niet. Stimuleer je leerlingen om zich hierover breed en objectief te informeren, op een beschaafde manier in debat te gaan en daarbij respect op te brengen voor uiteenlopende meningen. Geef je leerlingen de kans om zich samen actief in te zetten voor een goed doel en ondersteun hen daarbij. Stimuleer hen om een kleine bijdrage te leveren tot een betere wereld. Hoe klein die bijdrage ook is, ze is groot.

6. Digitaliseer

Maak zinvol en verantwoord gebruik van moderne technologie in de klas. Gebruik technologie bijvoorbeeld om abstracte inhouden aanschouwelijker te maken, om leerlingen op hun eigen tempo toepassingen te laten maken en hen daarbij gedifferentieerd te ondersteunen, om leerlingen met andere leerlingen te laten communiceren, om hun eigen producten te presenteren, om kritisch met informatie te leren omgaan…. Maak van de integratie van technologie geen doel op zich. Het onderwijs wordt in een school niet automatisch beter door de invoering van tablets of computers, maar dat mag je niet tegenhouden om het krachtige potentieel van moderne technologie volop te benutten.

Het gezamenlijk effect van deze acties, hoe klein je ze ook aanzet, kan groot zijn. Niet alleen voor je leerlingen als het gaat om de cognitieve ontwikkeling van allerlei belangrijke sleutelcompetenties van de 21ste eeuw, maar ook voor de motiverende kracht die je onderwijs op de leerlingen uitoefent: LIKE!