Maatschappelijke veranderingen en hun impact op het onderwijs van de 21ste eeuw: een internationale literatuurstudie

Welke maatschappelijke ontwikkelingen tekenen zich vandaag en in de toekomst af die het Vlaamse onderwijs kunnen beïnvloeden? Deze vraag vormde het uitgangspunt van een literatuurstudie uitgevoerd door het Steunpunt Onderwijsonderzoek (SONO).

Het rapport van Boderé, Sasserus en Van Petegem stelt vast dat de wereld rondom ons snel verandert en gekenmerkt wordt door een hoge graad van onzekerheid, complexiteit en ambiguïteit. Vernieuwingen stellen steeds opnieuw in vraag hoe mensen leven, werken, zich verplaatsen en ontspannen. Ook het onderwijs is niet immuun voor de impact die maatschappelijke veranderingen van diverse aard met zich meebrengen:

  • Demografische ontwikkelingen die door de literatuur aangeduid worden als beïnvloedend voor het onderwijs zijn de vergrijzing van de bevolking, een toenemende migratie en diversiteit, en andere gezins- en samenlevingsvormen. De vergrijzing leidt er o.a. toe dat werknemers langer professioneel actief (moeten) blijven en dat de vraag naar levenslang leren gevoelig zal toenemen. Om ervoor te zorgen dat mensen met een migratieachtergrond succesvol integreren in de maatschappij en later een economische bijdrage kunnen leveren aan de vergrijzende maatschappij, is het van essentieel belang om voluit in te zetten op de realisatie van gelijke onderwijskansen. Ook diversiteitseducatie wordt in de toekomst toenemend belangrijk in het onderwijs. De groeiende variatie in gezins- en samenlevingsvormen zal waarschijnlijk vooral een effect hebben op de communicatie tussen school en thuisomgeving.
  • Ook economische ontwikkelingen hebben hun impact op het onderwijsveld. De kenniseconomie zorgt ervoor dat de levensduur van kennis steeds korter wordt. Hierdoor wordt de vaardigheid om levenslang en autonoom te leren steeds belangrijker. Ook verandert de positie van het onderwijs in de maatschappij. Aangezien kennis altijd en overal opgedaan kan worden, verliest het onderwijs haar exclusieve recht op leerinstelling. In de toekomst zullen ook de vereiste vaardigheden op de arbeidsmarkt veranderen. Zo wordt het in zo goed als alle jobs belangrijk dat werknemers goed data kunnen analyseren, interpreteren en presenteren alsook goed kunnen samenwerken. De ontwikkeling van een duurzame economie zorgt ervoor dat aandacht voor het milieu en milieueducatie op school ook toenemend belangrijk wordt.
  • Sociaal-culturele ontwikkelingen die door de literatuur aangeduid worden als beïnvloedend voor het onderwijs, zijn een groeiend maatschappelijk bewustzijn voor gezondheidskwesties en een groter draagvlak voor gendergelijkheid. Het onderwijs zal in de toekomst mogelijk een grotere rol spelen in gezondheidseducatie. Ook de gezondheid van leraren is cruciaal, en er zal meer aandacht moeten gaan naar het voorkomen van burn-outs en depressies; daartoe moet de toenemende druk op het takenpakket van de leraar goed opgevolgd worden. Wat gendergelijkheid betreft, moet het onderwijs volgens verschillende auteurs extra aandacht besteden aan de ontwikkeling van ondernemende vaardigheden en leiderschapsvaardigheden bij meisjes.
  • Technologische ontwikkelingen zullen volgens verschillende experts de toekomst van het onderwijs het meest beïnvloeden. Technologische evoluties zullen immers niet alleen een invloed hebben op wat er geleerd wordt, maar ook hoe er geleerd wordt. Leerlingen zullen toenemend gebruik maken van digitale technologieën om te leren, zowel binnen als buiten de school. Ook zal het belangrijk zijn om de digitale geletterdheid van leerlingen te blijven bijschaven.
  • Ecologische ontwikkelingen zoals de klimaatopwarming en een verhoogd ecologisch bewustzijn dragen ertoe bij dat het onderwijs in de toekomst hier ook meer aandacht aan zal besteden in de komende jaren. Via het curriculum zullen leraren het ecologische bewustzijn bij leerlingen bevorderen.

Op basis van deze ontwikkelingen worden in het rapport vervolgens drie maatschappelijke opdrachten onderscheiden die in de toekomst van het onderwijs (nog) belangrijker zullen worden, namelijk (1) het bevorderen van gelijke onderwijskansen, (2) het beperken van de ongekwalificeerde uitstroom, en (3) het bouwen van bruggen tussen de school en de maatschappij.

  • Het bevorderen van gelijke onderwijskansen kan volgens de literatuur onder meer gerealiseerd worden door gedurende de hele schoolloopbaan aandacht te besteden aan taalontwikkeling, door positief om te gaan met diversiteit en door de thuistaal in te zetten als een hulpbron bij het leren. Daarnaast kunnen gelijke onderwijskansen ook bevorderd worden door scheidingen tussen onderwijsvormen en onderwijstypes weg te nemen en door ervoor te zorgen dat nieuwe leeropportuniteiten (zoals digitale technologieën) toegankelijk zijn voor iedereen.
  • Van het onderwijs wordt in de toekomst ook verwacht dat ze een nog grotere rol zal spelen in het beperken van de ongekwalificeerde uitstroom. Hoge kwalificaties zijn immers in bijna alle sectoren vereist in de toekomstige arbeidsmarkt. De ongekwalificeerde uitstroom beperken kan door vroegtijdig in te zetten op preventie en interventie. Ook is een rijk aanbod aan tweedekansonderwijs noodzakelijk als compenserende maatregel.
  • Wat bruggen tussen school en maatschappij betreft, gaat de literatuur ervan uit dat leren in de toekomst steeds meer buiten de school zal plaatsvinden, en zowel formele als informele vormen van leren belangrijk zullen worden om kennis op te doen. Parallel aan die tendens wordt verwacht dat de onderwijssector niet langer het exclusieve recht op leerinstellingen zal kunnen behouden. Leren zal ook steeds meer binnen organisaties en bedrijven plaatsvinden. Scholen zullen in de toekomst mogelijk nauwer met elkaar samenwerken. Via uitwisseling kunnen leerlingen verschillen ervaren tussen landelijke en stedelijke scholen, of andere leerlingenpopulaties leren kennen. Er wordt dus kortom van de school verwacht dat ze in de toekomst nauwere verbindingen zal onderhouden met de maatschappij. Leerdoelen moeten constant aan de snel veranderende maatschappij afgestemd moeten worden. Daarnaast zullen leerlingen via deelname aan verschillende buitenschoolse projecten met hun twee benen sterk verankerd staan in de maatschappij.

In het curriculum van de toekomst zal een goede basiskennis belangrijk blijven, maar zal een stevig accent liggen op vaardigheden en attitudes. Leerlingen zullen hedendaagse sleutelcompetenties moeten verwerven, waaronder taalcompetenties, competenties rond wiskunde, techniek en wetenschappen, digitale competenties, levenslang leren,  ondernemingszin, sociale competenties en verantwoordelijkheid, kunnen omgaan met diversiteit, kritisch denken en probleemoplossende vaardigheden, zorg dragen voor de omgeving en de natuur, en flexibel omspringen met veranderingen.

Wat betreft leerprocessen, valt het op dat meerdere auteurs aangeven dat leerlingen in de toekomst meer hun eigen leerproces in handen zullen kunnen nemen. Die tendens wordt ingegeven door leertheorieën die aangeven dat jongeren gemotiveerder zijn en beter leren wanneer ze zelf keuzes mogen maken in hun leerproces. Leerlingen zullen in de toekomst mogelijk (gedeeltelijk) zelf hun leerpaden mogen uitstippen op basis van hun wensen, aspiraties, doelen, … Daarnaast zal het leren in de toekomst meer gepersonaliseerd en “op maat gemaakt” zijn. Aangezien samenwerkende vaardigheden belangrijk zijn op de toekomstige arbeidsmarkt, zullen leerlingen in de toekomst ook meer gezamenlijk leren en samenwerken met elkaar. Leerlingen zullen in de toekomst ook meer actief leren, onderzoeken en ontdekken. Onderzoek heeft immers aangetoond dat leerders die actief aan de slag gaan en mentale energie investeren in het leerproces, beter leren. Tot slot zullen leerlingen in de toekomst mogelijk ook meer leren door te creëren. Ze kunnen letterlijk nieuwe dingen ‘maken’, maar daarnaast ook hun creativiteit benutten door oplossingen te zoeken voor grotere maatschappelijke vraagstukken.

De manier waarop leerlingen in de toekomst zullen leren, heeft een invloed op hoe leraren in de toekomst onderwijs zullen verstrekken en vice versa. Wanneer leerlingen in de toekomst sterker op maat zullen leren, impliceert dat voor leraren dat ze hun werkvormen en activiteiten meer zullen differentiëren. Scholen kunnen differentiëren  door interne differentiatie aan te bieden binnen klassen, door structurele vormen van externe differentiatie aan te bieden (die vaak klasoverstijgend zijn) en door praktijken te ontwikkelen die gericht zijn op specifieke doelgroepen. Structurele vormen van externe differentiatie, zoals multileeftijdsklassen, kunnen volgens de literatuur helpen om (spontane vormen van) interne differentiatie te doen ontstaan. Digitale tools zullen in de toekomst ook een belangrijkere plaats innemen in onderwijsprocessen. Ze zullen dienen als middel om te leren en als hulpmiddel voor leerlingen om samen te werken en te interageren met elkaar. Tot slot zullen leraren in de toekomst sterker met elkaar samenwerken, en mogelijk ook vaker samen voor de klas staan. Overleg en ‘peer learning’ kunnen ervoor zorgen dat leraren zich beter ondersteund voelen. Omgekeerd vertonen leerlingen een sterkere motivatie en betrokkenheid wanneer ze les krijgen van meer dan één leraar.

De veranderende leer- en onderwijsprocessen en het veranderende curriculum brengen ook andere wijzes van evalueren met zich mee. Algemeen kan er een paradigmaverschuiving van een toetscultuur naar een assessmentcultuur opgemerkt worden. Dit houdt in dat leerresultaten niet meer uitsluitend ‘gemeten’ worden, maar ook ingeschat, beoordeeld, … met een focus op de verhoging van de competenties van leerlingen. Parallel aan die paradigmaverschuiving zullen leerlingen ook meer formatief in plaats van summatief geëvalueerd worden. Er wordt verwacht dat evaluatie in de toekomst nog meer ingebed zal worden als standaard onderdeel van het leerproces, en zal fungeren als bron van feedback voor zowel de leerlingen als de leraar. Ook evolueert het evaluatieproces steeds meer naar een alternatief model van zelfsturende evaluatie. Net zoals leerlingen het eigenaarschap nemen over hun leerproces, zullen leerlingen in de toekomst ook steeds meer hun evaluatiesysteem zelf aansturen.

 

Download en lees het volledige rapport:

http://steunpuntsono.be/portfolio/de-leraar-van-de-21ste-eeuw/

Boderé, A., Sasserus, & Van Petegem, P. (2018). Het onderwijs in de 21ste eeuw. Maatschappelijke veranderingen en hun impact op het onderwijs van vandaag en morgen. Antwerpen: Universiteit Antwerpen (Steunpunt Onderwijsonderzoek).

Eendracht maakt macht: Educatieve uitgeverijen engageren zich voor beter begrijpend-leesonderwijs

Kent u de website “samenvoorlezen.be”?

Het is een initiatief van de GEWU, de vereniging van de Educatieve en Wetenschappelijke uitgeverijen. Samen engageren ze zich om de begrijpend-leesaanpak in hun taalmethodes te actualiseren en optimaliseren. Dat doen ze door de 5 didactische sleutels die uit de VLOR-reviewstudie naar begrijpend-leesonderwijs naar voor kwamen, in hun methodes te integreren: (1) functionele, doelgerichte, uitdagende leesopdrachten; (2) diepgaande interactie over de inhoud van de tekst; (3) expliciete instructie van leesstrategieën; (4) concrete acties rond leesbevordering; en (5) een curriculumbrede aanpak van begrijpend lezen. Op de website bieden uitgeverijen Averbode, Die Keure, Plantyn, Van In en Zwijsen concrete voorbeelden van hoe ze de sleutels in hun methodes (zullen) integreren.

Dit initiatief sluit mooi aan bij het urgentiebesef waartoe ook de Taalraad opriep in haar rapport met aanbevelingen rond begrijpend-leesonderwijs. Het illustreert ook wat duidelijk werd op de recente studiedag over de peiling Nederlands die in het Departement Onderwijs werd georganiseerd: namelijk, dat er onder onderzoekers en vele andere onderwijspartners eensgezindheid heerst over de maatregelen die moeten genomen worden om ons leesonderwijs nieuw leven in te blazen en over de urgentie waarmee dat moet gebeuren.

Het initiatief voedt ook de hoop dat de verschillende partijen die bij onderwijsverbetering een rol spelen, elkaar vinden en wederzijds kunnen versterken. Kennedy (2013) noemt dit het “ecologische model” van onderwijsvernieuwing: alle partijen (overheid, uitgeverijen, schoolteams, onderwijsondersteuners en lerarenopleidingen) gaan in overleg met elkaar over werkzame maatregelen en ingrepen, geven elkaar feedback, en nemen elk hun deel van de verantwoordelijkheid op. De onderzoekers van de VLOR-reviewstudie brachten niet alleen het internationale onderzoek naar begrijpend-leesdidactiek samen, maar consulteerden ook leraren om de haalbaarheid en wenselijkheid van hun 5 didactische sleutels af te toetsen. Onderwijsondersteuners en uitgeverijen tekenden ondertussen een engagementsverklaring om actief bij te dragen tot beter begrijpend-leesonderwijs.

Natuurlijk lossen goede taalmethodes niet alles op. Flankerende maatregelen (zoals nascholing en professionaliseringskansen) die ervoor zorgen dat leraren de principes van effectief begrijpend-leesonderwijs onder de knie krijgen en met de verbeterde taalmethodes kunnen werken, zijn evenzeer nodig. Evenzeer kan een campagne rond leesbevordering waarbij ook buitenschoolse partners worden gesensibiliseerd om voor te lezen en leesmotivatie aan te wakkeren, een stevige bijdrage leveren. Ook lerarenopleidingen worden bij voorkeur versterkt en ondersteund om hun studenten zo goed mogelijk te scholen tot bekwame “leesinstructeurs” en ambassadeurs van leesplezier.

Samen voor lezen: de naam van de website is alvast goed gekozen. Er groeit in Vlaanderen duidelijk een draagvlak om gezamenlijk, met veel ambitie, en vanuit gedeelde principes het begrijpend-leesonderwijs te versterken!

 

Meer lezen?

http://www.samenvoorlezen.be

http://www.vlor.be/publicaties  (voor VLOR-reviewstudie en de 5 didactische sleutels)

http://taalunieversum.org/inhoud/begrijpend-lezen  (voor rapport van de Taalraad)

 

Zijn digital natives mediawijs? Over de ontnuchterende resultaten van ICILS 2018…

Nee, België deed helaas niet mee, maar toch kunnen er interessante lessen getrokken worden uit de International Computer and Information Literacy Survey 2018 waaraan 46.000 14-jarigen uit 21 verschillende landen (waaronder buurlanden als Duitsland en Frankrijk) deelnamen. De volgende citaten uit de persboodschap verspreid door de organisatoren van de studie spreken boekdelen:

“Young people do not develop sophisticated digital skills just by growing up using digital devices.”

“Providing students or teachers with ICT equipment alone is not enough to improve their digital skills.”

In de studie werden 4 niveaus van computer- en informatieverwerkingsvaardigheden (in digitale omgevingen) onderscheiden. Vanaf niveau 3 is er sprake van jongeren die in staat zijn om kritisch met informatie in digitale omgevingen om te gaan, de betrouwbaarheid van bronnen te checken, de gepaste bronnen en informatie te selecteren die bij hun doel passen, en vrij zelfstandig en flexibel allerlei computerprogramma’s en –toepassingen te gebruiken.

Opvallend is dat in zowat alle landen de meerderheid van de scores binnen niveau 2 vallen. Op dat niveau hebben leerlingen nog vrij expliciete, eenduidige instructies nodig, kunnen ze slechts informatie terugvinden die expliciet gegeven wordt en enkel redelijk basale wijzigingen aanbrengen aan digitale teksten en producten. Globaal behaalden slechts 21% van de jongeren niveau 3, en slechts 2% het hoogste niveau 4. Verontrustend is dat 25% van de jongeren niet hoger dan het laagste niveau 1 uitkwamen. Er zijn op dit vlak verschillen tussen landen, maar in de meeste landen scoort 1 op de 5 leerlingen lager dan niveau 2. De verschillen tussen leerlingen binnen landen is in deze survey overigens groter dan de verschillen tussen de landen: zoals in vele andere onderzoeken heeft de socio-economische status van de leerlingen een impact op de scores. Meisjes deden het globaal wat beter dan jongens.

Het ziet er dus naar uit dat de hedendaagse jongeren op snelheid worden gepakt: ze zijn er als de kippen bij om met moderne technologie aan de slag te gaan, maar velen van hen missen de kennis, vaardigheden en attitudes om er efficiënt, kritisch, mediawijs en effectief mee te werken. Of, in de woorden van Considine, Horton en Moorman (2009):

In regard to media and technology, it can be said that Millennials are self-taught but not well-taught.”

Computers in de klas binnenbrengen volstaat niet om leerlingen deze cruciale 21ste-eeuwse sleutelcompetentie bij te brengen. Jongeren hebben kwaliteitsvol onderwijs in mediawijsheid nodig. Gelukkig is dit geen vakoverstijgende eindterm, maar een vakkendoordringende sleutelcompetentie: in alle vakken van het curriculum kan er immers aan gewerkt worden. Alle leerkrachten moeten hier dus hun verantwoordelijkheid opnemen. Hier is duidelijk nog marge ter verbetering, want in de ICILS-landen bleek slechts 32% van de leerkrachten met digitale lesinhouden in het eigen vak aan de slag te gaan. Leerkrachten blijken het meest geneigd te zijn om aan deze competenties te werken als (a) ze vertrouwen hebben in hun eigen ICT-vaardigheden; (b) ze positief staan tegenover ICT in het onderwijs; (c) als hun school samenwerking tussen leerkrachten op het vlak van ICT aanmoedigt en ondersteunt.

De conclusie is duidelijk: zowel leerlingen als leerkrachten gerichte ondersteuning nodig op het vlak van computer- en informatieverwerkingsvaardigheden. In tijden van voortschrijdende digitalisering en fake news mogen we deze trein van de tijd niet langer missen…

Meer lezen?

https://www.iea.nl/studies/iea/icils/2018

 

Wat alle leraren moeten weten en kunnen: een raamwerk met 8 evidence-informed standaarden

Aan het begin van 2020 niet alleen de beste wensen aan alle lezers van deze blog, maar meteen ook een must-read voor alle lerarenopleiders, onderwijsondersteuners en iedereen die begaan is met de kwaliteit van ons onderwijs. Het Initial Teacher Training Core Content Framework beschrijft wat alle (startende) leraren zouden moeten weten en kunnen om kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden. Het document wordt verspreid door het Britse Ministerie van Onderwijs en werd gereviewd door de Education Endownment Foundation op basis van recent wetenschappelijk onderzoek naar effectief onderwijs. Interessant is dat de auteurs het een “entitlement” noemen voor studenten van de lerarenopleiding: ze hebben het basisrecht om dit te leren. Dat betekent niet alleen dat zij het recht hebben om een initiële lerarenopleiding van zeer hoge kwaliteit te volgen, maar ook dat zij intensief worden begeleid door ervaren collega’s tijdens de eerste jaren van hun beroepsuitoefening en dat zij gedurende hun hele carrière kansen krijgen om samen met hun collega’s hun deskundigheid als leraar verder uit te breiden.

Het raamwerk is opgebouwd aan de hand van 8 standaarden. Voor elke standaard wordt beschreven wat de leraar zou moeten weten (‘learn that…’) en zou moeten kunnen (‘learn how to …’). De dia onderaan dit blogbericht illustreert hoe zo’n standaard er uitziet. De 8 standaarden zijn de volgende (en daarbij doe ik telkens een kleine greep uit de beschrijving ervan):

  1. Set high expectations: Hier wordt onder andere benadrukt dat leraren moeten weten dat de doelen en verwachtingen die zij stellen een sterke impact hebben op de ontwikkeling van hun leerlingen hebben en dat ze hoge verwachtingen moeten koesteren voor alle leerlingen, ook voor sociaal kwetsbare leerlingen. Wat vaardigheden betreft, moeten leraren o.a. uitdagende taken kunnen ontwerpen en introduceren, een klasklimaat leren creëren waarin fouten maken mag en waarin leerlingen aangemoedigd worden om vol te houden en van hun fouten te leren.
  2. Promote good progress: Leraren moeten o.a. weten dat nieuwe kennis maar kan beklijven als die wordt verbonden met reeds aanwezige voorkennis. Bijgevolg moeten leraren nieuwe inhoud in hun lessen leren doseren en de voorkennis van de leren leren oproepen. Ze moeten hun lessen ook goed leren structureren zodat het werkgeheugen van de leerlingen niet wordt overladen met een overdosis aan nieuwe informatie.
  3. Demonstrate good subject and curriculum knowledge: Leraren moeten een diepgaande kennis van hun vakgebied hebben, alsook van de inhouden die in het curriculum aan bod komen. Ze moeten weten welke cruciale basiskennis leerlingen zeker moeten verwerven en welke misconcepties die daarover soms opbouwen. Leraren moeten in dit verband o.a. de vaardigheid bezitten om kernconcepten op een heldere, begrijpelijke en motiverende manier aan te brengen, abstracte begrippen met concrete voorbeelden te verbinden, en belangrijke concepten herhaaldelijk te laten terugkeren doorheen de cursus.
  4. Plan and teach well structured lessons: Hier wordt benadrukt dat leraren de kracht moeten kennen van o.a. modelling, coöperatief leren, rijke interactie, gevarieerde vraagstelling, feedback en betekenisvolle, uitdagende taken; leraren moeten ook weten dan leren een proces is dat tijd, herhaling en gespreide oefening/ taakuitvoering vraagt. Leraren moeten in dit verband de interactievaardigheden en klasmanagementvaardigheden opbouwen om rijke interactie in de klas vorm te geven, groepswerk constructief te begeleiden, een heldere uitleg te geven en expliciete verbindingen te leggen tussen verschillende taken en lessen.
  5. Adapt teaching: Leraren moeten weten dat leerlingen verschillen en dat ze niet allemaal hetzelfde leren van hetzelfde onderwijsaanbod. Leraren moeten dus de vaardigheid ontwikkelen om hun lesaanbod, didactische methode en wijze van ondersteuning gedifferentieerd aan te passen aan de voorkennis, vragen, vaardigheid en motivatie van verschillende leerlingen. Ze moeten leren om groeperingsvormen te hanteren die voor alle leerlingen – ook de sociaal kwetsbare leerlingen en de leerlingen met beperkingen – voldoende leerrijk en uitdagend blijven.
  6. Make accurate and productive use of assessment: Leraren moeten weten dat kwaliteitsvolle assessment hen cruciale informatie kan bezorgen over het leerproces, de leernoden van leerlingen alsook over de kwaliteit van hun onderwijs, en dat feedback (die verder gaat dan alleen maar punten geven) een sterk effect op leren kan hebben. Ze moeten o.a. de vaardigheid ontwikkelen om de prestaties en ontwikkeling van hun leerlingen breed te observeren en evalueren en daarbij gebruik te maken van een variatie aan methodes en instrumenten, en om de leerlingen van voedende feedback te voorzien.
  7. Manage behaviour effectively: Leraren moeten o.a. weten dat een warme, constructieve relatie met hun leerlingen het leren ondersteunt, dat alle leerlingen nood hebben aan succeservaringen, een goed gestructureerd en veilig klasklimaat, en een omgeving waarin ze gerespecteerd en begrepen worden. Leraren moeten in dit verband leren krachtdadig op te treden tegen pestgedrag, duidelijke instructies te geven, rechtvaardig en consequent met ordeverstoring om te gaan, en leerlingen helpen om zelfsturend en zelfregulerend te worden.
  8. Fulfil wider professional responsibilities: Leraren moeten weten dat iedere leraar beter kan worden door met collega’s te overleggen, samen te werken en samen voor de klas te staan; dat goede banden met ouders de leerprocessen van de leerlingen kan bevorderen. In dit verband moeten leraren dus o.a. leren om open en constructieve gesprekken met ouders en onderwijspartners aan te gaan; leren openstaan voor advies en feedback van collega’s; en de kans krijgen om de hulp van een mentor in te roepen, rijke netwerken met andere leraren op te bouwen, en structureel kansen te krijgen om een nog betere leraar te worden.

Niemand, aldus de auteurs, wordt als topleraar geboren. Niemand heeft het bovenstaande volledig verworven op het moment dat hij of zij een diploma van de initiële lerarenopleiding in handen krijgt. Topleraren blijven leren, en ze blijven hun collega’s ondersteunen om ook topleraar te worden.

ITT snapshot.png

Het volledige raamwerk consulteren?

https://assets.publishing.service.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/843676/Initial_teacher_training_core_content_framework.pdf