10 vernieuwende ideeën voor het onderwijs van de 21ste eeuw

De Britse “Innovation Unit”, een vzw die ontstond in de schoot van het Britse ministerie van onderwijs, presenteert 10 ideeën om het onderwijs sterker te doen aansluiten bij de veranderingen die zich buiten de school afspelen. Food for thought…

  1. Maak het lessenrooster flexibeler: In het huidige lessenrooster van vele scholen duurt elke les even lang (50 minuten), ongeacht of leerlingen veel of weinig hebben geleerd. Het kan erg lonend zijn om dat soms te doorbreken. Bijvoorbeeld, tijdens blokken van 3 uur kunnen leerlingen echt diep graven in bepaalde lesstof of een vakoverschrijdend project uitvoeren. Soms is het ook niet nodig dat bepaalde lessen voor alle leerlingen even lang duren: na een gezamenlijke introductie kan er een blok oefentijd voorzien worden waarbij niet elke leerling even lang aan bepaalde leerstof voor een bepaald vak moet werken, maar de leerlingen zelf bepalen hoe ze de tijd verdelen tussen werk voor verschillende vakken.
  2. Gebruik de ruimte anders: Het huidige onderwijs speelt zich nog vaak af in afgesloten klassen met banken die in rijen of in blokjes opgesteld staan. Maar onderwijs waarin leerlingen veel samenwerkend leren, experimenten uitvoeren en samen overleggen heeft nood aan meer open ruimtes, overleglokalen, lokalen met verplaatsbaar meubilair en snelle internettoegang. Niet alles hoeft geld te kosten. Soms volstaat het anders schikken van banken en stoelen: leerlingen in een echte kring zetten zonder tafels en stoelen ertussen geeft meteen meer aanleiding tot echte gesprekken en debatten dan de klassieke opstelling van bankjes in rijen achter mekaar.
  3. Maak het onderwijs persoonlijker: Leerlingen verschillen, en dus verschillen hun leerervaringen en leermotivaties. Veel schoolteams zoeken naar manieren om beter in te spelen op de persoonlijke leerbehoeften en passies van leerlingen. Projectmatig en taakgericht werken, contractwerk en hoekenwerk bieden de leerkracht kansen om leerlingen te volgen in hun ontwikkeling en gedifferentieerd te ondersteunen. Een meer flexibele groepering van leerlingen geeft leerkrachten kansen om beter in te spelen op niveauverschillen. En misschien moeten individuele leerlingen ook meer ruimte krijgen om een deel van de onderwijstijd aan taken, projecten en lesinhouden te werken die ze zelf uitkiezen (omdat ze er zo door gepassioneerd worden).
  4. Gebruik moderne technologie om het onderwijs te versterken: Blogs kunnen gebruikt worden om de studenten hun werk aan de buitenwereld te presenteren. Tablets en smartphones kunnen leerlingen de kans geven om te reageren op stellingen die door de leerkracht worden geponeerd; de resultaten van de stemming kunnen meteen op het digitale bord geprojecteerd worden en de klasdiscussie voeden. In alle lessen kan via gerichte zoekopdrachten gewerkt worden aan de vaardigheid van jongeren om kritisch met informatie te leren omgaan en bronnen te leren controleren op hun betrouwbaarheid. Sociale media kunnen helpen om jongeren met mekaar over de leerstof in interactie te laten gaan, ook buiten de lesuren.
  5. Werk meer met levensechte, relevante projecten: Leerlingen en studenten zouden vaker de kans moeten krijgen om levensechte problemen aan te pakken en een positieve bijdrage te leveren aan het leven in hun buurt. Op die manier kunnen ze tal van sleutelcompetenties ontwikkelen: leren samenwerken, probleemoplossend denken, hun werk presenteren, creatief denken, kritisch met informatie omgaan en helder communiceren. Bovendien stijgt op die manier het nut en de waarde van onderwijs voor de leerlingen. Volgens de Innovation Unit voldoen kwaliteitsvolle projecten in dit verband aan de volgende 3 criteria: leerlingen creëren voorlopige versies vooraleer ze hun finaal product presenteren, leerlingen krijgen volop kans om mekaar feedback te geven en krijgen ook feedback van leerkrachten en externe betrokkenen, én het eindproduct wordt publiek voorgesteld.
  6. Laat leerlingen ook eens leerkrachten zijn: Leerlingen kunnen mekaars leerprocessen op diverse wijzen ondersteunen. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld mentoren zijn van jongere of minder vaardige leerlingen: onderzoek toont aan dat ze complexe dingen soms erg goed kunnen uitleggen omdat ze zich sterk kunnen inleven in een leerling die iets niet begrijpt. Leerlingen voelen soms ook goed aan welke voorbeelden goed werken om abstracte inhouden voor andere leerlingen concreet te maken. Wie iets uitlegt aan een ander, begrijpt het vaak zelf nog beter en oefent tegelijkertijd zijn communicatie- en sociale vaardigheden. Leerlingen zouden ook meer betrokken moeten worden in het overleg over de meest effectieve werkvormen in de klas: ook aan hen zou gevraagd moeten worden welke lessen het best werken voor het aanbrengen van bepaalde inhouden.
  7. Help leerkrachten om te blijven bijleren: Leerkrachten die een passie voor leren uitstralen passioneren hun leerlingen. Door in hun klas toe te geven dat ze sommige dingen ook niet weten maar ze wel kunnen opzoeken, modelleren ze de kracht – en het plezier van –  levenslang leren. Leerkrachten moeten door de overheid krachtdadig ondersteund worden in hun deskundigheidsbevordering. In Groot-Brittannië blijken teachmeets inspirerend te werken: schooloverstijgende bijeenkomsten waar leerkrachten korte presentaties houden (voor andere leerkrachten) over de dingen die hen in hun beroepsuitoefening veel voldoening schenken. Leerkrachten moeten in hun taakinvulling ook ruimte krijgen om actie-onderzoek te doen en om te overleggen met andere leerkrachten.
  8. Evalueer wat er écht toe doet: Evalueren we in ons onderwijs wel de dingen die leerlingen moeten beheersen in het leven na het onderwijs? Evalueren we de mate waarin leerlingen de sleutelcompetenties van de 21ste eeuw beheersen? En is onze methode van evalueren wel aangepast aan de evaluatie van competenties als probleemoplossend denken, creatief denken, kritisch met informatie omgaan….? Moeten we niet voorbij het klassieke examen durven denken? En doen we wel genoeg met de resultaten van de evaluatie? Gebruiken we de evaluatie in de eerste plaats om leerlingen beter te ondersteunen?
  9. Werk samen met families, niet alleen met kinderen: Ouderbetrokkenheid heeft een positieve impact op schoolsucces. Schoolteams en onderwijsondersteuners kunnen ouders op diverse manieren dichter bij het schoolleven van hun kinderen betrekken. Via sociale media en de schoolwebsite kunnen scholen ouders informeren over het leven op school, over studiekeuzemogelijkheden en over de vorderingen van de leerling. Leerkrachten kunnen ouders betrekken bij lesactiviteiten, buitenschoolse uitstappen, het schoolbeleid en uiteraard het uitwisselen van ervaringen en ideeën over het groeiproces van de leerling. Via ouderondersteunende projecten kunnen kansarme ouders hulp krijgen bij de opvoeding van hun kinderen, leesbevordering, studiekeuze…
  10. Geef een stem aan de leerlingen: Als leerlingen mee zeggenschap krijgen over bepaalde aspecten van het onderwijs of het schoolbeleid, dan kan dat hun betrokkenheid bij het schoolleven verhogen en hen tegelijkertijd kansen bieden om competenties op te bouwen met betrekking tot democratisch burgerschap, emotionele intelligentie en omgaan met sociale diversiteit… Echte leerling-participatie kan de sfeer op school verbeteren en de relaties tussen leerlingen en schoolteams positief beïnvloeden. Zo kan bij leerlingen ook een basishouding groeien om na het schoolleven ook verantwoordelijkheid op te nemen en een positieve bijdrage te leveren tot het creëren van een meer harmonieuze samenleving.

Meer lezen?

10 Ideas for 21st Century Education

Advertenties

Anderstalige nieuwkomers: hoe hun taalverwerving Nederlands op gang trekken?

Nederlands leren van nul af aan: hoe gaat dat? Welke principes kunnen leerkrachten in de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het secundair onderwijs best toepassen om de vroege taalverwerving Nederlands van de leerlingen op gang te trekken?

  1. Bied een rijk taalaanbod: Taalaanbod is de motor van vroege taalverwerving. Het taalaanbod van de leerkracht moet bij voorkeur rijk zijn: Van in den beginne spreekt de onthaalleerkracht dus best in volzinnen en gebruikt zij natuurlijke taal (en dus geen baby-talk). Tegelijkertijd probeert de onthaalleerkracht ervoor te zorgen dat dat taalaanbod begrijpelijk is door haar uitingen in te bedden in concrete contexten of vast te hangen aan bewegingen, gebaren, handelingen met voorwerpen en veel visuele ondersteuning (beeld, film, illustraties). Ook een vertaling van bepaalde termen naar andere talen kan in deze eerste fase af en toe erg handig zijn. In de eerste fase van taalverwerving zijn bewegingsactiviteiten, knutselactiviteiten, spelletjes, verkenningen van het schoolgebouw en de buurt, videoclips en wetenschappelijke proefjes van goudwaarde voor taalverwerving, als ze tenminste vergezeld gaan van taal die handelingen en fenomenen beschrijft, en interactie over wat er te beleven valt.
  2. Woorden zijn de bouwstenen van taalverwerving, maar….: In de beginfase moeten leerlingen veel woorden verwerven, maar daardoor hebben onthaalleerkrachten wel eens de neiging om een lange lijst losse woorden op de leerlingen los te laten. Als woorden de bouwstenen van taalverwerving zijn, dan zijn betekenisvolle boodschappen in concrete contexten de cement die die woorden aan mekaar lijmen. Wie op losse woorden oefent, moet liefst zo snel mogelijk na die woordenschatoefening een situatie creëren waarin de leerlingen met functionele boodschappen worden geconfronteerd waarin de woorden in verbinding met andere woorden gaan. Wie een folder van de supermarkt heeft gebruikt om fruit- en groentesoorten te benoemen, kan daarna best zo snel mogelijk een kookles organiseren, naar de markt of de winkel gaan, een rollenspel in een winkel spelen of de leerlingen laten praten over hun eetgewoonten. Losse woorden die niet snel opgaan in meer-woord-verbindingen en in betekenisvolle boodschappen blijven losse flodders in het brein van de taalleerder en verdampen heel erg snel.
  3. Stimuleer vroege taalproductie en bouw erop voort: Anderstalige nieuwkomers die onzeker of schuchter zijn, hebben recht op een korte stille periode tijdens dewelke ze weinig zeggen en vooral taalaanbod opslorpen. Toch is het belangrijk dat alle nieuwkomers snel kansen krijgen om zelf boodschappen in de nieuwe taal te produceren. Cruciaal is hoe de leerkracht hierop reageert. Als de anderstalige nieuwkomer een twee-woord-zin produceert zoals “morgen voetbal”, is dat volkomen normaal (alle taalleerders gaan door deze fase) en kan de leerkracht daarop reageren door de rijkere formulering aan te bieden en erop verder te bouwen. “Ah, moet je morgen voetballen? Mijn zoontje speelt ook voetbal en die moet overmorgen een wedstrijd spelen. En tegen wie speel je?” Dit soort reacties biedt de anderstalige nieuwkomers niet alleen voeding voor taalgroei, maar ook een nieuwe kans om in dialoog te treden.
  4. Creëer een veilig klimaat: Correctheid is geen kenmerk van de vroege taalproductie van tweedetaalleerders. Volgens het Europees Referentiekader (ERK) wint de taalproductie van taalleerders pas echt aan correctheid vanaf niveau B1. Op het basisniveau alle fouten van anderstalige nieuwkomers corrigeren en eisen dat ze correcte taal produceren kan bij een aantal leerlingen het effect hebben dat ze hun mond liever niet meer opendoen en daardoor helemaal geen oefenkansen meer krijgen. Onthaalleerkrachten doen er dus goed aan om alle uitingen die de taalleerder aanreikt te gebruiken als bouwstenen om dialoog mee te construeren.
  5. Wees spaarzaam met grammatica-onderwijs: In de allereerste fasen van taalverwerving heeft expliciet grammatica-onderwijs weinig impact. Grammatica-onderwijs werkt veel beter als de leerder in zijn hoofd al een boel taalmateriaal heeft verzameld waarop hij de grammaticaregel kan toepassen. Aandacht voor grammatica wordt ook relevanter naarmate de noodzaak aan correcte taalproductie sterker wordt. Wie in de beginfase toch al wat expliciete informatie over de grammatica van het Nederlands wil meegeven, kan zich best aan de volgende principes houden: (a) Hou het simpel: als je het niet heel simpel krijgt uitgelegd, leg het dan veel later uit; (b) Geef vooral veel voorbeeldzinnen waarin de grammaticaregel wordt toegepast; (c) Overdrijf niet met theorie: Geen borden-vullende kaders met zeven uitzonderingen er meteen bij; een eenvoudig kader met de basisregel volstaat; (d) Ga kort in op vragen van leerlingen over grammatica; (e) Besef dat één keer een regel uitleggen niet veel impact heeft; de regel zal nog heel vaak in herinnering gebracht moeten worden, maar doe dat informeel naar aanleiding van iets dat de leerlingen zeggen of schrijven; (f) Eis niet meteen correcte toepassing van de regel. Taalverwerving is een geleidelijk proces bij alle mensen.
  6. Zorg ervoor dat de nieuwkomer zich thuis voelt: Taalleren drijft op een socio-emotionele onderstroom. Veel anderstalige nieuwkomers hebben trauma’s, angsten, onzekerheid uit hun thuisland meegebracht en zullen beter tot leren komen als de schoolomgeving voor hen een nieuwe, veilige thuis is waar ze zich geaccepteerd, verwelkomd en veilig voelen. Het warme, informele contact tussen leerlingen en hun leerkracht heeft een positieve impact op vroege taalverwerving: we leren een taal beter als we het gevoel hebben dat we dankzij die taal bij een groep kunnen horen die ons waardeert en respecteert.
  7. Zorg voor interessante, uitdagende inhouden die de leerlingen echt interesseren: Alle bovenstaande principes werken veel beter als ze worden toegepast op uitdagende taken en lesinhouden die de leerlingen echt interessant vinden en waarvan ze het nut inzien. Wie de intrinsieke interesse van anderstalige nieuwkomers kan opwekken, zorgt ervoor dat ze het taalaanbod dat ze krijgen aangeboden gretiger zullen opslorpen en dat ze sterker gemotiveerd zijn om ook productief bij te dragen tot de conversatie.