Hard studeren is iets anders dan duurzaam leren…

We hebben het allemaal gedaan: op de avond voor een toets of een examen urenlang reeksen feiten in ons hoofd zitten drammen… Dat kan ons misschien geholpen hebben om de dag daarna goed te scoren op de toets, maar echt duurzame kennis en inzichten levert al dat gedram niet op.

In zijn fascinerende boek “How we learn” zet Benedict Carey een aantal inzichten uit recent leerpsychologisch onderzoek hierover op een rij:

– Kennis van feiten en inzichten bouwen we duurzaam op via gespreid leren. Als we kennis en inzichten herhaaldelijk tegenkomen en moeten toepassen in gevarieerde contexten en op uiteenlopende gevallen, dan consolideert die feitenkennis zich veel sterker en ontstaan veel meer duurzame verbindingen in ons hoofd. In dat opzicht lijkt de opbouw van kennis en inzichten op de opbouw van motorische vaardigheden: elke muzikant weet dat 5 dagen 10 minuten piano spelen (per week) voor een duurzamere groei zorgt dan één keer 50 minuten spelen.
– Als we gespreid leren, maar elke keer weer gewoon ons handboek of onze studietekst doorlezen, dan kan dat een illusie van vlotte kennis doen ontstaan. We zien de informatie dan telkens weer netjes staan en kunnen onszelf doen geloven dat alles in ons hoofd even helder is opgeslagen. Het loont veel meer om na de eerste studieronde zelf te proberen de ingestudeerde kennis weer op te halen door ze bijvoorbeeld op te zeggen of neer te schrijven. Zo oefenen we onze ophaalcapaciteit, en dat is precies wat we nodig om kennis productief aan te wenden. Onze ophaalcapaciteit verschilt danig van onze opslagcapaciteit: we kunnen heel veel feiten in ons hoofd opslaan, maar om ze weer op te halen, hebben we veel momenten nodig waarop we dat actief proberen te doen. Zo ontdekken we trouwens ook de lacunes in ons kennisbestand en weten we beter welke stukjes kennis we opnieuw aandachtig moeten bekijken in onze studietekst.
Slaap helpt. Er zijn steeds meer wetenschappelijk onderbouwde aanwijzingen dat ons brein tijdens de slaap erg actief is met het verwerken, sorteren, en consolideren van belangrijke kennis en inzichten. Ons brein gaat dan actief aan het werk om nieuwe kennis te verbinden met oude kennis. Dat heeft soms als gevolg dat we midden in de nacht, of vroeg in de morgen, kunnen wakker worden met een klaarder inzicht in de materie dan toen we naar bed gingen. Ook wie er niet in slaagt om een creatief probleem op te lossen, doet er goed aan om er een nachtje over te slapen: creativiteit heeft immers te maken met het bekijken van problemen vanuit een ander perspectief of het leggen van verbindingen die we bewust niet zien, en dat is precies wat ons brein op onbewust niveau tijdens onze slaap vaak doet.
Korte intermezzo’s helpen: De boog kan niet voortdurend gespannen staan. Een kort intermezzo waarbij we iets helemaal anders doen of even een luchtje gaan happen, geeft het brein niet alleen de kans om op adem te komen en irrelevante indrukken te onderdrukken, maar aan het filteren, sorteren en verbinden te gaan. Facebook en internet (met mate) hoeven dus geen vijand van studiewerk te zijn. Wie daarna de draad opneemt en bijvoorbeeld probeert de reeds gestudeerde kennis samen te vatten of te reproduceren, bewijst zichzelf een dienst.
Gevarieerde oefeningen verdiepen het leren: Op school leren we soms een bepaalde bewerking uitvoeren, en daarna moeten we er een resem oefeningen op maken. Maar dat geeft ons brein de luxe dat het niet diepgaand hoeft na te denken over welke bewerking er moet uitgevoerd worden. Het heeft dus meer zin om het inoefenen van nieuwe bewerkingen (bijvoorbeeld bij wiskunde) te combineren met bewerkingen die al gekend zijn. Zo leert het brein ook veel beter om te beslissen welke bewerking er moet uitgevoerd worden, en dat is wellicht een belangrijkere competentie dan de pure mechanische bewerking uitvoeren. Heel veel verschillende dingen met woorden doen (ze lezen, schrijven, in verschillende situaties uitspreken…) is de beste manier om woorden echt te integreren in ons talig kennisbestand en ze vlot ophaalbaar te maken.

De conclusie van Carey is helder en goed onderbouwd: een aantal praktijken die we vroeger als “vijanden” van diepgaand leren aanzagen (afleiding, slaap, vakkendoorbreking, gespreid studeren) blijken net sterke bondgenoten van ons lerend brein te zijn…

Meer lezen? Benedict Carey, How we learn (MacMillan)

Advertenties

Lezen we op school anders dan buiten de school?

Ja, en steeds meer.

Dat konden we gisteren lezen in de Taalbijlage van De Standaard. Ons leesonderwijs gaat nog te vaak en te veel uit van de “klassieke papierlezer” en die bestaat al lang niet meer. Daardoor creëren we nog veel schoolse leessituaties die buiten de klas bijna niet meer voorkomen. Op school krijgen leerlingen tijdens de les of tijdens toetsen nog vaak één papieren tekst, zonder veel illustraties: ze moeten die lezen en er daarna vragen over beantwoorden. In het leven buiten de school starten we vaak met een vraag en gaan dan op zoek. Dat doen we vaak online (op onze computer, onze tablet, onze mobiele telefoon), en daarbij komen we snel op een flitsende overzichtspagina terecht met veel informatie, beeld, tekst en geluid. We beginnen te filteren, selecteren titels en flarden tekst, vergelijken, ordenen, en besluiten om bepaalde stukken gedetailleerder door te nemen. We klikken op hyperlinks en komen zo in een andere tekst terecht. Veel wat van we lezen gaat vergezeld van rijke illustraties en beeldmateriaal. En ondertussen gaan we – bewust en onbewust – na of we dichterbij het antwoord op onze vraag zijn gekomen. Zo niet, dan moeten we terugspringen, andere info opvragen, en deze opnieuw kritisch evalueren. Op dat online, evaluerend lezen worden we nog te weinig voorbereid op school. Maar dat online, evaluerend lezen is ondertussen wel cruciaal geworden om in de hedendaagse maatschappij, het hoger onderwijs en op de arbeidsmarkt mee te kunnen.

Er wordt van dat 21ste-eeuwse lezen wel eens beweerd dat het slecht lezen is, oppervlakkig lezen, niet echt lezen. Fout. Het 21ste-eeuwse lezen is complexer en veeleisender dan één-tekstje-lezen-en drie-vraagjes-beantwoorden. Het vereist strategisch en doelgericht leesgedrag, en de gepaste inzet van heel wat leesstrategieën. Het vereist hoger-orde-denken en evaluerend lezen, niet toevallig het meest complexe leesniveau in onze eindtermen, niet toevallig het leesniveau dat veel van onze leerlingen aan het eind van het secundair onderwijs onvoldoende halen. De kwaliteit van onze leeshandeling wordt erg afhankelijk van de mate waarin we kunnen doelgericht, kritisch, overdacht kunnen navigeren door een omgeving die té rijk is aan informatie. Wat een verschil met het klassieke leesonderwijs die door methodemakers bewust informatie-arm wordt gehouden.

Volgens de auteurs van de taalbijlage van De Standaard is de conclusie dus simpel: ofwel mist het onderwijs de boot van het leesonderwijs ofwel varen we mee op de informatiegolven van de 21ste eeuw. Wie voor het eerste kiest, kan alvast aan de slag met de volgende didactische tips:

– Vertrek van een vraag die interessant is voor de leerlingen, of die de leerlingen zelf hebben opgeworpen.

– Mobiliseer de voorkennis van de leerlingen: wat weten ze al over de vraag, welk antwoord verwachten ze, waar denken ze informatie te vinden?

– Zet leerlingen (al dan niet in kleinere groepjes) aan het werk in een informatierijke omgeving; daarbij kunnen diverse leerlingen/groepjes aan de slag met verschillende informatie of met verschillende deelvragen, of kunnen alle leerlingen in dezelfde informatierijke omgeving onderduiken.

– Vraag leerlingen om tussentijds de balans op te maken van de informatie die ze al hebben gevonden, en de mate waarin ze denken een antwoord op de kernvraag te hebben gevonden; laat leerlingen beargumenteren waarom ze denken dat hun informatie betrouwbaar, relevant, correct is.

– Ondersteun leerlingen, en help hen om online en offline met rijke informatie-omgevingen om te gaan. Toon hen hoe je notities kunt maken, info kunt selecteren, hyperlinks kunt openen zonder de startpagina te verliezen, de betrouwbaarheid van bronnen kunt controleren.

– Laat toe dat leerlingen eigen informatiebronnen inbrengen en toevoegen aan de informatierijke omgeving.

– Vraag leerlingen om te presenteren wat ze hebben gevonden, en ook te reflecteren op het proces van wikken, wegen, zoeken, selecteren, ordenen, vergelijken dat ze hebben doorgemaakt. Vraag leerlingen om mekaars antwoorden en proces te evalueren en feedbacken.

– Vat samen wat de leerlingen hebben kunnen leren over lezen, leesstrategieën, kritisch omgaan met informatie, en geef hen meteen een nieuwe opdracht om het geleerde toe te passen.

– Doe het bovenstaande niet alleen tijdens het vak “Nederlands”. Doe het tijdens alle vakken.