Hoe evalueer je creatieve competenties?

Creatief denken is een sleutelcompetentie van de 21ste eeuw waaraan het onderwijs meer aandacht moet besteden. Maar hoe kunnen leraren de groei van die competentie evalueren? Hieronder schuiven we een aantal principes en voorbeelden naar voor.

Principes

– Klassieke tests die met “juiste” antwoorden werken, zijn niet zo geschikt. Op klassieke tests krijgen leerlingen vaak vragen waarop slechts één antwoord goed is en vele andere antwoorden fout. Maar bij een creatieve opdracht kunnen veel antwoorden goed zijn. Creatief denken gaat immers over het origineel combineren van diverse ideeën, het kijken naar dingen vanuit een eigenzinnig perspectief, het bedenken van een originele of afwijkende oplossing, het in vraag stellen van zogezegd juiste antwoorden… en dat schept haast eindeloze mogelijkheden. Creatief denken evalueer je dus bij voorkeur met open opdrachten.

– Het is moeilijk voor mensen om creatief te denken op commando. Het is dus aangewezen om leerlingen voldoende tijd te gunnen (bijvoorbeeld een hele dag of zelfs langer) om een open opdracht aan te pakken. Creatief denken groeit immers vaak uit aanmodderen, proberen, her-combineren en herschikken, volhouden, en zelfs ideeën even laten liggen om ze onbewust te laten sluimeren.

– Creatief denken lukt beter als de leerling voorkennis over het onderwerp heeft, geïnteresseerd is in de opdracht, zich veilig voelt (om risico’s te nemen) en zich in een ondersteunende omgeving bevindt. Het is dus aangewezen om de evaluatie van creatief denken niet te baseren op één opdracht, maar op vele observaties rond diverse soorten opdrachten.  Het is ook aangewezen om leerlingen keuzes te laten (bijvoorbeeld tussen diverse opdrachten of diverse uitwerkingen) en hen regelmatig te laten samenwerken met anderen (creatief denken is immers vaak het resultaat van het combineren van ideeën van verschillende mensen).

– Volgens Sternberg moet creatief denken uitgroeien tot een gewoonte. Daarom moet de evaluatie van creatieve competenties voldoende breed en continu zijn: ze kan eigenlijk voortdurend en in alle vakken gebeuren, ook zonder specifieke opdrachten die bewust gericht zijn op de evaluatie van creatief denken. Ook bij meer klassieke tests en taken kan geobserveerd worden of de leerling er (steeds vaker) een gewoonte van maakt om “out of the box” te denken, verschillende oplossingen in overweging te nemen, dingen vanuit verschillende perspectieven te bekijken en origineel uit de hoek te komen.

– Het is aangewezen om diverse criteria te gebruiken voor de beoordeling van een open opdracht en meerdere beoordelaars te betrekken (leerlingen kunnen dus mekaar leren evalueren). Sternberg werkt met criteria als “aangepast aan de opdracht”, “origineel”, “effectief”, al naargelang van de opdracht die de leerlingen kregen. Ook het proces kan geëvalueerd worden: heeft de leerling volgehouden, goed samengewerkt, dingen in vraag gesteld, niet alleen een idee bedacht maar het ook goed uitgewerkt? Werken met verschillende criteria geeft beoordelaars ook de kans om concrete feedback aan de uitvoerder te geven: dat is (ook bij creatieve vermogens) een van de belangrijkste doelstellingen van de evaluatie.

– Als leerlingen naar mekaars uitwerkingen kijken, kunnen ze ervaren dat er veel goede oplossingen voor eenzelfde opdracht zijn. Ze kunnen zo ook van mekaar kunnen leren, en vooral ervaren dat creatief denken plezierig, uitdagend, nuttig en verrijkend kan zijn. Als leerlingen een individueel product hebben voorgesteld, heeft het zin om hen uit te dagen om in een volgende fase een nog meer effectieve, nuttige, grappige, duurzame oplossing te vinden door de ideeën/producten van diverse leerlingen te combineren. Coöperatie primeert op competitie: er is geen enkele reden om de evaluatie van creatieve vermogens te laten  ontaarden in een puntenstrijd.

Voorbeelden van opdrachten die creatief denken uitlokken

Bouwmeesters: Breng water van een hoog gelegen punt in de klas over naar een lager gelegen punt (met zo weinig mogelijk verlies van water) en gebruik daarbij alleen materialen die zich in de klas bevinden. Bouw met één touw en drie wasknijpers een brug. Demonteer een voorwerp in de klas en maak met de onderdelen een dier.

Wat als? Beschrijf, teken of dramatiseer wat Jezus zou doen als hij vandaag leefde. Beschrijf (na een geschiedenisles over dat onderwerp) wat er had kunnen gebeuren als Rosa Parks niet was blijven zitten op de bus, de landing in Normandië was mislukt…

Vragen stellen? Kijk naar een kort filmpje over een actueel onderwerp en verzin daarbij 20 vragen, met telkens maximaal 4 vragen in de volgende 5 categorieën: vragen waarop ik het antwoord wel weet maar vele andere leerlingen niet, vragen waarop enkel de leerkracht het antwoord weet, vragen waarop niemand in de klas het antwoord maar waarop we het antwoord wel kunnen opzoeken, vragen waarop we het antwoord zelfs niet kunnen opzoeken maar waarover we wel kunnen brainstormen, vragen waarop iedereen het antwoord weet.

Cartoons zonder woorden: Bedenk onderschriften bij vijf cartoons of maak een samenhangend verhaal met de vijf cartoons (die op het eerste gezicht niets met mekaar te maken hebben).

Drama: Speel een scène uit een toneelstuk, film of uit een geschiedenisles, maar telkens met een andere emotie. Creëer en speel een alternatief einde voor een verhaal.

Wit blad:  Gebruik een wit blad papier en drie kleurenstiften om iets nieuws te creëren: een blauwdruk van jouw ideale school, een nieuw kostuum, een decor, een tekening van een nieuw soort auto, een oplossing voor een praktisch probleem… en stel je uitvinding op een creatieve manier voor.

Filosofeer een minuut hardop: Zijn wij alleen?

Combineer: Bedenk een verband tussen een abstract schilderij en een uitspraak van een beroemdheid.

Wie ben ik? Maak een Youtube-filmpje waarin je je eigen levensverhaal voorstelt maar in een omgekeerd tijdsverloop (je begint vandaag en wordt steeds jonger).

Door de ogen van…: Kijk naar een foto en teken hoe een vlieg de afbeelding op de foto ziet. Kijk naar een reportage van het nieuws en beschrijf hoe een van de mensen in de reportage dit meemaakte.

Onmogelijke vragen:  Brainstorm hardop over de wijze waarop je onmogelijke vragen toch kan beantwoorden (zonder dat je iets mag opzoeken), bv. hoe kan je op een berg zonder enig instrument weten hoe hoog je staat, hoeveel pianostemmers zijn er in Brussel? (P.S. die laatste vraag werd overigens ooit door Google gebruikt tijdens sollicitatiegesprekken). Bedenk zelf zo’n vraag.

Een groeimodel voor creatieve competenties

In een pilootproject probeert OESO momenteel een evaluatietool uit waarmee de groei van jongeren als creatieve denkers kan opgevolgd worden. Aan de hand van talrijke observaties van leerlingen tijdens de uitvoering van open opdrachten (zoals hierboven) worden leerlingen getypeerd op vijf “disposities” (onderliggende kenmerken) van creatief denken, en wordt voor elk van de disposities opgevolgd in welke mate de leerlingen gestaag doorgroeien van het prille ontluikingsniveau (“Awakening”) naar het expertniveau (“Adept”), met daartussen 2 niveaus van gevorderde groei (“Accelerating” en “Advanced”). De 5 disposities van creatief denken in dat model zijn:

Mate van nieuwsgierigheid (“Inquisitiveness”): In welke mate stelt de leerling zelf vragen? In welke mate onderzoekt hij/zij zelf vragen? In welke mate stelt hij/zij gevestigde antwoorden en inzichten in vraag?

Volharding (“persistence”): In welke mate houdt de leerling vol als het niet meteen lukt of een oplossing niet meteen komt? In welke mate durft de leerling anders te denken? In welke mate staat de leerling open voor onzekerheid en onduidelijkheid, en laat de leerling zich er niet door afschrikken?

Verbeeldingskracht (“Imaginative”): In welke mate combineert de leerlingen ideeën op een originele manier? In welke mate creëert de leerling nieuwe ideeën? In welke mate combineert de leerling analytisch, logisch denken met intuïtief, speels denken?

Samenwerking (“Collaborative”): In welke mate deelt de leerling zijn/haar ideeën met anderen? In welke mate is de leerling in staat om co-constructief met anderen creatieve oplossingen uit te werken? In welke mate geeft de leerling constructieve feedback, en staat hij/zij open voor feedback van anderen?

– Discipline (“disciplined”): In welke mate probeert de leerling nieuwe technieken onder de knie te krijgen om bepaalde oplossingen uit te werken? In welke mate is de leerling zelf-kritisch en gebruikt hij/zij zelfkritiek om beter te worden? In welke mate doet de leerling moeite om oplossingen niet alleen te bedenken maar ook nauwkeurig uit te werken en af te werken?

 

Meer lezen?

Lucas, B., G. Claxton and E. Spencer (2013). Progression in Student Creativity in School: First Steps Towards New Forms of Formative Assessments. OECD Education Working Papers, No. 86, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/5k4dp59msdwk-en

Sternberg, R. (2012). The assessment of creative skills: An assessment-based approach. Creativity Research Journal, 24/1, 3-12.

Creatief denken in ons onderwijs bevorderen

We starten met een opdracht: maak de volgende letterreeks af met één letter, maar niet met de letter ‘s’ :

L E T T E R R E  E K .

Vindt u dit moeilijk? Dat is waarschijnlijk omdat u zit te zoeken naar een letter waarmee u opnieuw een woord kan maken met betekenis. Of naar een patroon in de volgorde van de letters. Maar dat was de opdracht niet. De oplossing is dus erg simpel: u mag eender welke letter invullen, zolang het maar niet de letter ‘s’ is. Troost u: de meeste mensen reageren zoals u, en vinden dit dus moeilijk. Dat komt omdat hun eerste denkreflex erin bestaat om in betekenisvolle woorden of wiskundige patronen te denken. Maar wie altijd toegeeft aan de eerste denkreflex, krijgt sommige problemen maar niet opgelost. Dat brengt ons bij de kern van creatief denken: bekijk de dingen van een ander perspectief. Doorbreek je eerste denkreflex. Zie de treden van een steile trap als toetsen van een piano, en doe ze muziek maken als iemand erop stapt. Als je dat in een metrostation installeert, kan je mensen verleiden om vaker de trap te nemen en minder vaak de lift. Goed voor hun gezondheid, en goed voor het indijken van het energieverbruik.

Creatief denken kan op duizend-en-één manieren in het onderwijs bevorderd worden. Als leerlingen en leerkrachten durven, of moeten, loskomen van “de eerste denkreflex” of “de enige manier om naar een opgave of een inhoud te kijken”, ontstaan onvermoede kansen voor creatief denken. En daardoor vaak tegelijkertijd voor allerlei andere hedendaagse competenties:

  • De leerlingen zoeken op hoe de middeleeuwen er in Afrika of op het Arabisch schiereiland uitzagen en ervaren plots de relativiteit van de begrippen “donkere middeleeuwen” en “feodaliteit”;
  • De kleuters krijgen drie voorwerpen en moeten er eerst een brug mee bouwen, vervolgens een auto die rijdt, vervolgens een olifant, en dan iets dat ze zelf verzinnen (en waarbij de andere kleuters mogen raden wat ze hebben gemaakt);
  • De leerlingen lezen een kortverhaal en bedenken zelf een hamvraag (in plaats van de vraagjes van het handboek te moeten beantwoorden); de leerlingen bedenken vervolgens een alternatief einde voor het verhaal.
  • De leerlingen schrijven een blogbericht en een opiniestuk voor de krant over een actueel onderwerp (en ervaren zo het verschil in stijl). Daarna schrijven ze zelf een kritische reactie op hun eigen opiniestuk (en proberen dus rationele tegenargumenten zo goed mogelijk te verwoorden).
  • De leerlingenraad bedenkt een alternatief strafreglement en voert een onderzoek uit naar de reacties van de leerlingen van de school. Op basis van de reacties doet ze nieuwe voorstellen.
  • De leerlingen van het vijfde jaar geven les over een interessante inhoud aan de leerlingen van het tweede jaar. De leerlingen worden leerkracht.
  • De leerlingen schrijven zelf een hoofdstuk van het handboek technologische opvoeding.
  • De leerlingen ontwerpen de bibliotheek van de toekomst, maar moeten na hun eerste ontwerp evalueren en bijstellen om ervoor te zorgen dat hun droombib ook goed is voor senioren, mensen in een rolstoel, anderstaligen….

Een aanrader in dit verband is MYMachine.be (gisteren nog in Het Journaal): leerlingen van het basisonderwijs bedenken machines die problemen oplossen (de ruzie-oplosser, de onthoudkluis, de teletijdmachine…); ze tekenen hun uitvindingen en maken er maquettes van, waarna leerlingen van het technisch secundair onderwijs met de uitvoering van de prototypes aan de slag gaan.

Uit de voorbeelden blijkt dat creatief denken heel goed met probleemoplossend denken geïntegreerd kan worden. Leerlingen ervaren het immers als zinvol om echte problemen (maatschappelijk, ecologisch, sociaal, schoolgebonden) creatief te mogen oplossen; daarbij kan in een eerste fase best de ruimte gelaten worden voor een brede, open brainstorm, waarbij alles mag en alles kan, en diverse vage ideeën tegen mekaar mogen opboksen. In een tweede fase moeten overlevende ideeën dan worden afgetoetst worden aan het probleem (lost dit het probleem echt op?) en aan factoren als tijd, energie, geld (is dit een efficiënte oplossing? Is dit mogelijk?). Waarmee meteen ook duidelijk is dat creatief denken bij uitstek een sociaal gegeven is. Creatief denken is echt niet het privilege van geïsoleerde genieën. Het is meestal het resultaat van geleidelijke, gezamenlijke, toegelaten processen van open denken.

In duurzaam onderwijs ontmoeten creatief denken, sociale vaardigheden, probleemoplossend denken  en technologische opvoeding mekaar voortdurend, en sluiten er een verbond in boeiende, uitdagende leeromgevingen.  Creatief denken is curriculumwijd, thuis in alle vakken, en voor opgroeiende mensen onuitputtelijk verfrissend!

Voorbij het curriculum? Scholieren bedenken creatieve oplossingen voor levensechte problemen

Laurence Kemball-Cook ontwierp voor zijn oude secundaire school in Canterbury een gang die bestaat uit energie-opwekkende tegels. De energierekening van de school kan meteen een pak omlaag. Het is geen toeval dat het om deze leerling gaat en om deze school: de school roostert ongeveer een derde van het curriculum vrij om de leerlingen de kans te geven om buiten de school en buiten het ‘gewone’ curriculum innovatieve projecten rond levensechte problemen te ontwerpen (The Independent, 14/9/2013). Hoeveel tijd krijgen Vlaamse leerlingen om creatieve oplossingen te bedenken voor levensechte problemen?

Image

Elke school barst van het creatief potentieel. Kinderen en jongeren kunnen als geen ander ‘out of the box’ denken. Maar de goudader lijkt maar weinig aangeboord te worden. Het is nochtans niet moeilijk om levensechte problemen op te sommen die jongeren kunnen uitdagen om er hun creativiteit op los te laten. Dit leverde 2 dagen lezen in de krant op:

– Elk jaar wordt 1,2 miljard voedsel weggegooid.

– De energierekening van scholen bedreigt hun financiële gezondheid

– Pesten op school blijft een pest

– Hoe kan de VN-veiligheidsraad het best functioneren om echt vrede te handhaven?

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet om het soort “naïeve” en vrijblijvende creativiteit waarbij kinderen even een kwartiertje mogen brainstormen en dan snel, net voor de bel gaat, een voorstel in de lucht gooien. Het gaat hier om een overdachte cyclus, die begint bij het ontdekken van een echt probleem (liefst door de leerlingen zelf), het grondig analyseren van het probleem (wat is precies het probleem? hoe is het ontstaan? welke factoren spelen mee?), het verzamelen van relevante informatie, het bedenken van mogelijke oplossingen, het aftoetsen van die oplossingen aan allerlei criteria (kosten? haalbaarheid? sociale wenselijkheid? ongewenste neveneffecten?), het ontwerpen van modellen of prototypes en het bediscussiëren ervan. Het gaat dus om ruimte en tijd in een curriculum, om samenwerking tussen leerkrachten (bijvoorbeeld leerkrachten die een aantal van hun lesuren aan mekaar ‘klikken’), om de durf van scholen om leerlingen de wereld in te sturen, om een heel ander soort huiswerk dan oefeningen maken en lesjes leren…

Moeten we ‘voorbij het curriculum’ om dit soort onderwijs te realiseren? Deugt ons curriculum dan wel? Durven we innovatief genoeg denken over ons Vlaams onderwijs om het innovatieve potentieel van de jeugd niet domweg verloren te laten gaan? Wordt de kwaliteit van onderwijs niet grotendeels bepaald door de wijsheid die van onderen mag komen? Van de leerlingen? Investeren we op die manier niet tegelijkertijd in betere leerlingen en een betere omgeving?

‘Run, don’t walk’, krijgen de leerlingen te horen die in Canterbury door de schoolgang lopen. Dan wekt de vloer immers meer energie op. Durven we met ons Vlaams onderwijs eindelijk lopen? Of blijft het onderwijs liever de fakkel van de creativiteit overgeven aan bedrijven die in innovativiteit investeren of aan de media die programma’s als “De bedenkers” in de ether moeten gooien om onze creatieve vermogens weer los te schudden?

De bedenkers, wie bedenkt het? Onze scholen zitten vol bedenkers. Moeten we niet dringend een scholencompetitie organiseren rond creatieve oplossingen voor levensechte problemen?

Creativiteit in het onderwijs bevorderen

We horen het vaak: in het onderwijs van de 21ste eeuw moet creativiteit een belangrijke plaats krijgen (zie ook de “visietekst duurzaam onderwijs”). Creatief denken kan mensen helpen om hun persoonlijke leven te verrijken, problemen op te lossen, nieuwe dingen te ontdekken en zich verder te ontwikkelen. En mooi meegenomen: creatief denken kan bijzonder bevrijdend, leuk en verrassend zijn.

Er bestaan echter veel misvattingen over creativiteit, en voor het onderwijs kan het behoorlijk bevrijdend zijn om die op te ruimen:

 Misvatting 1: Creativiteit heeft met kunst (en dus met kunstopvoeding) te maken. Velen denken spontaan aan Picasso, Van Gogh, Mozart en Shakespeare als het woord ‘creativiteit’ valt.  Maar creativiteit uit zich niet alleen in de kunsten: het kan betrekking hebben op alle aspecten van het leven. Overal waar mensen nieuwe dingen doen met bestaande objecten (“kijk, mama, mijn haarspeld is nu een paperclip geworden”), een idee vanuit een andere hoek bekijken of bestaande ideeën op een nieuwe manier combineren, een probleem op een eigenwijze manier proberen op te lossen, een nieuw woord verzinnen (“kijk, mama, een paperspeld”), een nieuwe kleur of vorm aan iets geven, of een nieuwe of onverwachte beweging uitvoeren, is er sprake van creativiteit. In essentie gaat creativiteit om het loskomen van bestaande ideeën, praktijken, gebruiken, objecten. Een voorbeeld uit de transportsector: De “London tube map” is zo overzichtelijk en compact omdat de ontwerper Harry Beck in 1931 lichtelijk afweek van de exacte afstanden en exacte geografische ligging van de stations boven de grond, en zo tot een meer ordelijk ondergronds plan van de stad kwam.

Les voor het onderwijs: Creatief denken kan je doorheen het curriculum (dus in alle vakken) bevorderen. Het gebeurt overal waar leerlingen mogen proberen om iets eigenzinnigs of nieuws te doen met een bestaand voorwerp, met een idee, met een onderwerp, met een beweging, met kennis, met een probleem…

Misvatting 2: Creativiteit is een aangeboren talent, je kan het niet ontwikkelen. Uit de biografieën van zogenaamde creatieve genieën als Edison en John Lennon blijkt dat hun ‘uitvindingen’ het product zijn van kleine verschuivingen in denken en doen, en dat zij heel erg verderbouwden op de kennis en ideeën van anderen. Lennon en McCartney maakten gretig gebruik van de ritmes en songteksten van de vroege rock ’n roll, en bleven daarop zeven jaar lang slim en ongeremd variëren. En de gloeilamp? Edison was niet de enige die de gloeilamp uitvond: door de bestaande kennis van die tijd en vernieuwende ideeën van andere wetenschappers slim te gebruiken kwam ook bijvoorbeeld Joseph Swan in diezelfde periode tot de uitvinding van de gloeilamp, maar Edison was veel handiger in het bemachtigen en exploiteren van het patent, en in het creëren van grote netwerken voor gloeilampen waardoor grotere gebouwen en wijken konden verlicht worden. Met andere woorden: we moeten geen mythe maken van creativiteit. De magie van de creativiteit zit niet in het supertalent van een handvol genieën, maar in het grootse dat kan voortvloeien uit kleine afwijkingen, kleine variaties, kleine creaties. 

Les voor het onderwijs:Iedereen heeft creatief vermogen in zich. En bovendien, dat soort creatief vermogen kan aangewakkerd worden door (jonge) mensen vaak de kans te geven om ideeën te exploreren, dingen van een andere kant te bekijken, hun verbeelding de vrije loop te laten, andere zintuigen of oplossingsmethodes te laten gebruiken dan de gebruikelijke (bij een bepaalde opdracht)….

Misvatting 3: Creativiteit is een individuele competentie. Edison kon zijn netwerk van gloeilampen maar uitbouwen dankzij de steun en hulp van een team van medewerkers. Creëren is vaak een kwestie van teamwerk. Dat is ook logisch: als je met zes mensen samenzit (zeker als dat mensen zijn met verschillende voorkennis en talenten), dan vergroot de kans dat er nieuwe ideeën, kleine afwijkingen en variaties ontstaan. De kans vergroot ook dat er verschillende soorten ideeën of voorstellen op tafel komen, waarvan er een, of net de combinatie van een paar ideeën, heel vruchtbaar kan werken. Als mensen samenzitten, kunnen ze verderbouwen op mekaars inbreng. Zo ontstaat dan vaak een grote vernieuwing als optelsom van de kleine variaties van verschillende individuen.   Bovendien zijn vele hedendaagse problemen zo complex dat de inbreng van verschillende mensen (met verschillende voorkennis en ideeën) gewoonweg nodig is om ze op te lossen.

Les voor het onderwijs: geef groepen vaak de opdracht om een uitdagend probleem of een uitdagende taak samen uit te voeren. Stimuleer hen om mekaars ideeën te beluisteren en te combineren. Durf klasoverschrijdende groepswerken aan.

 

Misvatting 4: Creativiteit is altijd positief. Mensen kunnen oneindig veel nieuwe ideeën bedenken, maar hoe waardevol ze zijn hangt af van waarvoor we ze gebruiken. Sommige ideeën bieden een oplossing voor een bepaalde groep mensen of voor een bepaald probleem, maar zijn helemaal niet geschikt voor andere mensen of problemen.  Creatief denken wordt in het leven heel vaak aangewakkerd door onze ontevredenheid met de bestaande gang van zaken. We willen iets oplossen, iets beter maken, iets verbeteren. We kunnen dan (samen) brainstormen en onze verbeelding de vrije loop maken, maar we moeten onze ideeën blijven aftoetsen aan de waarde die ze hebben voor het doel dat we voor ogen hebben. Zoals de wetenschapper Csikszentmihalyi het stelt: “Divergent thinking is not much use without the ability to tell a good idea from a bad one”.

Les voor het onderwijs: Creatief denken en doen kan in het onderwijs worden ingebed in allerhande opdrachten en taken waarbij leerlingen kleine en grote problemen trachten op te lossen. Leerlingen moeten hun nieuwe ideeën dan aftoetsen aan de opdracht. Zo kan creatief denken het probleemoplossend vermogen van kinderen verhogen en hen leren planmatig te denken.

–   Misvatting 5: Enkel creatieve leerkrachten kunnen de creativiteit van hun leerlingen stimuleren. Uit het bovenstaande is gebleken dat alle leerkrachten creatief zijn, en dat het vooral cruciaal is dat leerkrachten de openheid creëren voor hun leerlingen om creatief te denken en doen. Leerkrachten moeten geen beeldende kunstenaars of genieën zijn om de creativiteit van hun leerlingen aan te wakkeren. Maar als ze uitstralen dat ze geloven dat leerlingen met nieuwe ideeën op de proppen kunnen komen, dat hun creatief denken kan lonen, dat creativiteit in de geschiedenis van de mensheid al tot vele mooie en verbazingwekkende dingen heeft geleid, dat creativiteit ook in kleine dingen zit en kleine problemen kan oplossen, dan kan dat een groot verschil maken.

Enkele concrete ideeën voor leerkrachten om de creativiteit van hun leerlingen te bevorderen:–          Ontwerp: laat de leerlingen bepaalde onderdelen van de schoolomgeving mee (of zelf) vormgeven: muren, klaslokalen, speelplaats, briefpapier, website… Laat leerlingen ideeën ontwerpen om hun wijk te verfraaien, of om het leven in hun wijk (of omgeving rond de school) te verrijken en verbeteren (bv. een betere verkeersdoorstroming, een creatieve bestrijding van zwerfvuil…)

–          Ontwerp plus: laat leerlingen in een eerste fase een omgeving ontwerpen (bv. de (ingebeelde) schooltuin of de openbare bibliotheek van de toekomst), maar geef hen in een tweede fase een bijkomende eis (bv. geef hen een egel, drie vlindersoorten en drie vogelsoorten die in de schooltuin moeten kunnen overleven, of vraag hen of de ideale bib van de toekomst ook zo ideaal is voor senioren of rolstoelpatiënten), zodat ze hun ideeën aan bepaalde eisen moeten aftoetsen.

–          Vragen staat vrij: Roep een uitdagende wetenschappelijke vraag op waarover leerlingen in de eerste fase vanuit hun voorkennis, hun verbeelding, of een gezamenlijke brainstorm mogen reageren, maar waarbij ze nadien hun antwoorden via het zoeken naar relevante informatie moeten onderbouwen. Inspiratie voor uitdagende vragen vind je bijvoorbeeld in het “Grote boek van nutteloze kennis”: hoe weet je hoe hoog je op een berg bent? Hoe kan je het best je hoofd wegen? Hoe weet je in een bos waar het noorden is?  Hoe herken je radioactieve stoffen?

–          Gebruik de schoolomgeving: Als er om de hoek van de school een gigantische put wordt gegraven voor het aanleggen van een ondergrondse parkeergarage, daag de leerlingen dan uit om de meest efficiënte methode te bedenken om te berekenen hoeveel kilo zand er door hoeveel vrachtwagens moet worden afgevoerd. Of geef leerlingen de taak om buiten de school kennis te vergaren door verschillende mensen (met verschillende perspectieven) over een bepaald onderwerp te interviewen.

–          Doe meer met verhalen: laat leerlingen een einde bedenken voor een onaf verhaal (of een alternatief einde voor een ‘af’ verhaal), het begin bedenken voor het middenstuk van een verhaal (wat ging vooraf?), of laat ze hun leeservaringen (van een roman) op verschillende manieren verwerken (een interview met een personage, een ontwerp voor een cover, een promofilmpje op youtube, een tekening of schilderij, de soundtrack bij het verhaal…)

–          Groepswerk plus: laat groepen van leerlingen uitdagende problemen oplossen die hen interesseren of aanbelangen. Zet daarbij leerlingen van verschillende studierichtingen of leerjaren bij mekaar (maak gebruik van het sociaal potentieel in de school).

–          Leerlingen geven les: daag leerlingen uit om met gebruik van moderne media een verworven inzicht in de wetenschap duidelijk uit te leggen aan de leerlingen van een graad of leerjaar lager.

–          Nodig mensen uit:Nodig ervaringsdeskundigen, ouders, experts uit om in de klas en onderwerp vanuit hun ervaring of deskundigheid toe te lichten.

–          Vanuit een andere hoek bekeken: Bekijk een onderwerp vanuit een ander perspectief (hoe zagen de middeleeuwen er uit in China of Iran?). Laat leerlingen reageren met een ‘ander’ zintuig op een prikkel (wat hoor je in deze afbeelding?). Roep veel “wat als…” vragen op: wat als mensen (net als kippen) een klein beetje konden vliegen? Wat als er geen bacteriën waren?

–          Maak er iets mee: geef leerlingen heel weinig materiaal (drie lucifers en een touw) en vraag hen om er veel mee te doen (maak een brug). Geef leerlingen een vreemd voorwerp dat ze in een presentatie moeten integreren. Geef leerlingen drie foto’s waarrond ze een overtuigend verhaal moeten bouwen. Geef dergelijke huiswerken, maar geef leerlingen een paar dagen om ze uit te voeren (door iets te laten liggen en sudderen, kom je vaker op goede ideeën).

–          Spelend leren: Zoek naar mogelijkheden om leerlingen via allerlei spelvormen te doen leren. Onderschat het leerpotentieel in spelvormen niet. Integreer serious gaming in het onderwijs. Daag leerlingen uit om zelf spellen te ontwerpen en de regels te verwoorden. Onderzoek met de leerlingen welke sociale en wetenschappelijke dingen je allemaal uit spellen kunt leren.

Nog meer ideeën? Vul maar aan….

P.S. Deze ideeën kunnen uitgevoerd worden door alle leerlingen, niet alleen door de ‘beste’, ‘meest creatieve’ of ‘meest getalenteerde’ leerlingen in de klas….