Hoe evalueer je creatieve competenties?

Creatief denken is een sleutelcompetentie van de 21ste eeuw waaraan het onderwijs meer aandacht moet besteden. Maar hoe kunnen leraren de groei van die competentie evalueren? Hieronder schuiven we een aantal principes en voorbeelden naar voor.

Principes

– Klassieke tests die met “juiste” antwoorden werken, zijn niet zo geschikt. Op klassieke tests krijgen leerlingen vaak vragen waarop slechts één antwoord goed is en vele andere antwoorden fout. Maar bij een creatieve opdracht kunnen veel antwoorden goed zijn. Creatief denken gaat immers over het origineel combineren van diverse ideeën, het kijken naar dingen vanuit een eigenzinnig perspectief, het bedenken van een originele of afwijkende oplossing, het in vraag stellen van zogezegd juiste antwoorden… en dat schept haast eindeloze mogelijkheden. Creatief denken evalueer je dus bij voorkeur met open opdrachten.

– Het is moeilijk voor mensen om creatief te denken op commando. Het is dus aangewezen om leerlingen voldoende tijd te gunnen (bijvoorbeeld een hele dag of zelfs langer) om een open opdracht aan te pakken. Creatief denken groeit immers vaak uit aanmodderen, proberen, her-combineren en herschikken, volhouden, en zelfs ideeën even laten liggen om ze onbewust te laten sluimeren.

– Creatief denken lukt beter als de leerling voorkennis over het onderwerp heeft, geïnteresseerd is in de opdracht, zich veilig voelt (om risico’s te nemen) en zich in een ondersteunende omgeving bevindt. Het is dus aangewezen om de evaluatie van creatief denken niet te baseren op één opdracht, maar op vele observaties rond diverse soorten opdrachten.  Het is ook aangewezen om leerlingen keuzes te laten (bijvoorbeeld tussen diverse opdrachten of diverse uitwerkingen) en hen regelmatig te laten samenwerken met anderen (creatief denken is immers vaak het resultaat van het combineren van ideeën van verschillende mensen).

– Volgens Sternberg moet creatief denken uitgroeien tot een gewoonte. Daarom moet de evaluatie van creatieve competenties voldoende breed en continu zijn: ze kan eigenlijk voortdurend en in alle vakken gebeuren, ook zonder specifieke opdrachten die bewust gericht zijn op de evaluatie van creatief denken. Ook bij meer klassieke tests en taken kan geobserveerd worden of de leerling er (steeds vaker) een gewoonte van maakt om “out of the box” te denken, verschillende oplossingen in overweging te nemen, dingen vanuit verschillende perspectieven te bekijken en origineel uit de hoek te komen.

– Het is aangewezen om diverse criteria te gebruiken voor de beoordeling van een open opdracht en meerdere beoordelaars te betrekken (leerlingen kunnen dus mekaar leren evalueren). Sternberg werkt met criteria als “aangepast aan de opdracht”, “origineel”, “effectief”, al naargelang van de opdracht die de leerlingen kregen. Ook het proces kan geëvalueerd worden: heeft de leerling volgehouden, goed samengewerkt, dingen in vraag gesteld, niet alleen een idee bedacht maar het ook goed uitgewerkt? Werken met verschillende criteria geeft beoordelaars ook de kans om concrete feedback aan de uitvoerder te geven: dat is (ook bij creatieve vermogens) een van de belangrijkste doelstellingen van de evaluatie.

– Als leerlingen naar mekaars uitwerkingen kijken, kunnen ze ervaren dat er veel goede oplossingen voor eenzelfde opdracht zijn. Ze kunnen zo ook van mekaar kunnen leren, en vooral ervaren dat creatief denken plezierig, uitdagend, nuttig en verrijkend kan zijn. Als leerlingen een individueel product hebben voorgesteld, heeft het zin om hen uit te dagen om in een volgende fase een nog meer effectieve, nuttige, grappige, duurzame oplossing te vinden door de ideeën/producten van diverse leerlingen te combineren. Coöperatie primeert op competitie: er is geen enkele reden om de evaluatie van creatieve vermogens te laten  ontaarden in een puntenstrijd.

Voorbeelden van opdrachten die creatief denken uitlokken

Bouwmeesters: Breng water van een hoog gelegen punt in de klas over naar een lager gelegen punt (met zo weinig mogelijk verlies van water) en gebruik daarbij alleen materialen die zich in de klas bevinden. Bouw met één touw en drie wasknijpers een brug. Demonteer een voorwerp in de klas en maak met de onderdelen een dier.

Wat als? Beschrijf, teken of dramatiseer wat Jezus zou doen als hij vandaag leefde. Beschrijf (na een geschiedenisles over dat onderwerp) wat er had kunnen gebeuren als Rosa Parks niet was blijven zitten op de bus, de landing in Normandië was mislukt…

Vragen stellen? Kijk naar een kort filmpje over een actueel onderwerp en verzin daarbij 20 vragen, met telkens maximaal 4 vragen in de volgende 5 categorieën: vragen waarop ik het antwoord wel weet maar vele andere leerlingen niet, vragen waarop enkel de leerkracht het antwoord weet, vragen waarop niemand in de klas het antwoord maar waarop we het antwoord wel kunnen opzoeken, vragen waarop we het antwoord zelfs niet kunnen opzoeken maar waarover we wel kunnen brainstormen, vragen waarop iedereen het antwoord weet.

Cartoons zonder woorden: Bedenk onderschriften bij vijf cartoons of maak een samenhangend verhaal met de vijf cartoons (die op het eerste gezicht niets met mekaar te maken hebben).

Drama: Speel een scène uit een toneelstuk, film of uit een geschiedenisles, maar telkens met een andere emotie. Creëer en speel een alternatief einde voor een verhaal.

Wit blad:  Gebruik een wit blad papier en drie kleurenstiften om iets nieuws te creëren: een blauwdruk van jouw ideale school, een nieuw kostuum, een decor, een tekening van een nieuw soort auto, een oplossing voor een praktisch probleem… en stel je uitvinding op een creatieve manier voor.

Filosofeer een minuut hardop: Zijn wij alleen?

Combineer: Bedenk een verband tussen een abstract schilderij en een uitspraak van een beroemdheid.

Wie ben ik? Maak een Youtube-filmpje waarin je je eigen levensverhaal voorstelt maar in een omgekeerd tijdsverloop (je begint vandaag en wordt steeds jonger).

Door de ogen van…: Kijk naar een foto en teken hoe een vlieg de afbeelding op de foto ziet. Kijk naar een reportage van het nieuws en beschrijf hoe een van de mensen in de reportage dit meemaakte.

Onmogelijke vragen:  Brainstorm hardop over de wijze waarop je onmogelijke vragen toch kan beantwoorden (zonder dat je iets mag opzoeken), bv. hoe kan je op een berg zonder enig instrument weten hoe hoog je staat, hoeveel pianostemmers zijn er in Brussel? (P.S. die laatste vraag werd overigens ooit door Google gebruikt tijdens sollicitatiegesprekken). Bedenk zelf zo’n vraag.

Een groeimodel voor creatieve competenties

In een pilootproject probeert OESO momenteel een evaluatietool uit waarmee de groei van jongeren als creatieve denkers kan opgevolgd worden. Aan de hand van talrijke observaties van leerlingen tijdens de uitvoering van open opdrachten (zoals hierboven) worden leerlingen getypeerd op vijf “disposities” (onderliggende kenmerken) van creatief denken, en wordt voor elk van de disposities opgevolgd in welke mate de leerlingen gestaag doorgroeien van het prille ontluikingsniveau (“Awakening”) naar het expertniveau (“Adept”), met daartussen 2 niveaus van gevorderde groei (“Accelerating” en “Advanced”). De 5 disposities van creatief denken in dat model zijn:

Mate van nieuwsgierigheid (“Inquisitiveness”): In welke mate stelt de leerling zelf vragen? In welke mate onderzoekt hij/zij zelf vragen? In welke mate stelt hij/zij gevestigde antwoorden en inzichten in vraag?

Volharding (“persistence”): In welke mate houdt de leerling vol als het niet meteen lukt of een oplossing niet meteen komt? In welke mate durft de leerling anders te denken? In welke mate staat de leerling open voor onzekerheid en onduidelijkheid, en laat de leerling zich er niet door afschrikken?

Verbeeldingskracht (“Imaginative”): In welke mate combineert de leerlingen ideeën op een originele manier? In welke mate creëert de leerling nieuwe ideeën? In welke mate combineert de leerling analytisch, logisch denken met intuïtief, speels denken?

Samenwerking (“Collaborative”): In welke mate deelt de leerling zijn/haar ideeën met anderen? In welke mate is de leerling in staat om co-constructief met anderen creatieve oplossingen uit te werken? In welke mate geeft de leerling constructieve feedback, en staat hij/zij open voor feedback van anderen?

– Discipline (“disciplined”): In welke mate probeert de leerling nieuwe technieken onder de knie te krijgen om bepaalde oplossingen uit te werken? In welke mate is de leerling zelf-kritisch en gebruikt hij/zij zelfkritiek om beter te worden? In welke mate doet de leerling moeite om oplossingen niet alleen te bedenken maar ook nauwkeurig uit te werken en af te werken?

 

Meer lezen?

Lucas, B., G. Claxton and E. Spencer (2013). Progression in Student Creativity in School: First Steps Towards New Forms of Formative Assessments. OECD Education Working Papers, No. 86, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/5k4dp59msdwk-en

Sternberg, R. (2012). The assessment of creative skills: An assessment-based approach. Creativity Research Journal, 24/1, 3-12.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s