8 manieren om vakdoorbrekend aan transversale eindtermen te werken

Vakdoorbrekend werken creëert meer samenhang tussen leerinhouden en -doelen, meer kansen om geïntegreerd aan transversale eindtermen te werken, meer ruimte voor het oplossen van levensechte problemen en meer kansen tot verdieping van eigentijdse kennis, inzichten en vaardigheden vanuit realistische uitdagingen. Maar hoe integreer je vakdoorbrekend werken in een vakgericht lessenrooster? De onderstaande modellen bieden niet alleen inspiratie, ze worden door steeds meer scholen uitgeprobeerd. Bovendien sluiten ze elkaar niet uit; integendeel, ze kunnen vlot gecombineerd worden.

  1. Vakdoorbrekende projecten in de complementaire ruimte

Een stijgend aantal Vlaamse secundaire scholen geven in de eerste graad 27 lesuren basisvorming in aparte vakken en besteden daarnaast een aantal uren van de complementaire ruimte aan vakoverstijgende projecten waarin diverse 21ste-eeuwse sleutelcompetenties en vakinhouden in onderlinge samenhang bijeenkomen.

2. Thematisch werken

Dit model wordt veelvuldig toegepast in het kleuteronderwijs en wint aan belang in het lager onderwijs. Zo kan binnen wereldoriëntatie gedurende een langere periode (bv. 2 à 3 weken) rond een thema worden gewerkt, waarbij niet alleen doelstellingen van wereldoriëntatie, maar ook taalcompetenties (bv. begrijpend lezen, woordenschatopbouw) én andere sleutelcompetenties op een betekenisvolle manier met het thema worden verbonden.

3. Het KLIK-model

In dit model klikken leerkrachten van verschillende vakken de inhoud van één (of meerdere) van hun lessen vast aan de lessen van een ander vak die in dezelfde periode worden gegeven. De leraren geven op die manier eigenlijk les rond eenzelfde thema, zodat er meer samenhang tussen hun respectieve lesinhouden ontstaat. Bijvoorbeeld, tijdens de les Engels lezen en bespreken de leerlingen een fragment uit een autobiografische roman van een migrant. Twee uur later bestuderen dezelfde leerlingen tijdens de les aardrijkskunde migratiegolven op wereldwijde schaal. Nog twee uur later debatteren de leerlingen tijdens de les Nederlands over de opvang van vluchtelingen in Europa. Dit model lijkt dus op thematisch werken (model 2), maar is beperkter in de tijd.

4. Het infusiemodel

In dit model injecteert een leerkracht inhouden of doelstellingen van een ander vak in haar eigen vakonderwijs. Bijvoorbeeld, de leraar Nederlands bouwt een les begrijpend lezen op rond teksten die met consumentengedrag of klimaatopwarming hebben te maken. Of, een leraar technologische opvoeding gebruikt bij de beoordeling van studentenpresentaties dezelfde criteria als de taalleraren. Of, de studenten kunnen debatvaardigheden die ze tijdens Nederlands leerden, toepassen bij een debat tijdens de les geschiedenis. Of, tijdens praktijkstages worden waarden en vaardigheden die in PAV expliciet aan bod kwamen (zoals stiptheid en beleefdheid) bewust en intensief ingeoefend.

5. Het teamteaching model

Dit model lijkt op het KLIK-model, in de zin dat een aantal leraren de inhoud van hun lessen op elkaar hebben afgestemd, maar ze staan daadwerkelijk samen in de klas, wat meer mogelijkheden geeft voor het dynamisch in elkaar schuiven van inhouden en doelen. De leerlingen creëren bijvoorbeeld zelf een regenboog op basis van een Engelse tekst van Richard Dawkins (over hoe een regenboog ontstaat), en dat doen ze onder begeleiding van de leraren Engels en Natuurwetenschappen.

6. Projectgebaseerd onderwijs

In dit model wordt het grootste gedeelte van de tijd gewerkt vanuit holistische projecten waarin leerlingen kennis, vaardigheden en attitudes van diverse disciplines geïntegreerd inzetten en ontwikkelen. Het vakkenonderwijs dient ter ondersteuning en uitdieping.

7. Het open-ruimtemodel

De leerlingen werken in een grote fysieke ruimte (bv. open-leercentrum, leerhal, taalatelier)  aan opdrachten van diverse vakken of vakoverstijgende projecten. De leerlingen bepalen grotendeels zelf wanneer ze aan welke opdracht werken. Er lopen meerdere leerkrachten rond om te ondersteunen. Bijvoorbeeld, een secundaire school creëert in de derde graad een open ruimte voor het talenonderwijs. De leerlingen werken er aan opdrachten voor diverse talen. Dat schept bijvoorbeeld de mogelijkheid om klachtenbrieven in drie verschillende talen te behandelen en te vergelijken omdat verschillende leerlingen die die opdracht voor verschillende talen uitvoeren zich in dezelfde ruimte bevinden.

8. CLIL

Een groeiend aantal secundaire scholen biedt vreemdetalenonderwijs via vakonderwijs aan (bv. aardrijkskunde in het Frans). Een duaal perspectief, waarbij zowel aan vakdoelstellingen als aan talige doelen (i.e. vreemdetaalonderwijs) wordt gewerkt, is een inherent kenmerk van CLIL. Dat sluit overigens niet uit dat geïntegreerd ook aan andere sleutelcompetenties kan gewerkt worden.

Plaats een reactie