In het voorstel voor de nieuwe minimumdoelen basisonderwijs (versie 15 mei 2025) komt het werkwoord “kennen” meer dan 200 keer voor. Dat hoeft uiteraard niet te verwonderen in een kennisrijk curriculum. Wat me wel verwondert, is dat ik in veel gevallen niet eenduidig begrijp wat er met “kennen” bedoeld wordt. Dat is het sterkst het geval telkens het kennen van specifieke woordenschat wordt vernoemd in een minimumdoel. Ik geef een lukraak voorbeeld uit de vakdiscipline “wetenschap en techniek”:
(6de leerjaar – doel 3.2.1) De leerlingen kennen de volgende begrippen: de biodiversiteit, het voedselweb, het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.
In de wetenschappelijke literatuur rond woordenschatverwerving wordt benadrukt dat een woord of begrip “kennen” veel verschillende dingen kan betekenen. Al decennia wordt er, op basis van empirisch onderzoek, een duidelijk verschil gemaakt tussen “recognition” en “ “recall” (zie bv. Nation, 2001; Laufer, 2001; Webb, 2019; Elke Peters, 2017). “Meaning recognition” is een receptieve vorm van begripskennis: de leerling begrijpt wat een term betekent. Bij typische “meaning recognition tests” wordt een leerling met een bepaalde term geconfronteerd en moet die, meestal op een non-verbale manier, aangeven dat hij/zij de term begrijpt (bijvoorbeeld, zet een kruisje op de afbeelding van “een agrarisch landschap”). “Meaning recall” is veel productiever: het betekent dat de leerling de term zelf uit het geheugen kan opdiepen of actief een definitie van de term kan produceren, zelfs als het begrip buiten een betekenisvolle context wordt opgegeven. Cognitief is “meaning recall” een pak lastiger dan “meaning recognition”: in onderzoeken worden signifjcante verschillen gevonden tussen de woordenschatprestaties van dezelfde leerlingen qua meaning recognition versus recall; ieders receptieve woordenschatkennis is in elke taal veel groter dan diens productieve woordenschatkennis. Kennen en kennen van woordenschat is (minstens) twee.
Ook bij veel taalbeschouwelijke minimumdoelen is het mij niet duidelijk wat “kennen” betekent en dus hoe ver de kennis van leerlingen moet reiken. Om maar één voorbeeld te noemen: betekent doel 1.4.3 voor het 4de leerjaar (“De leerlingen kennen figuurlijk taalgebruik”) dat leerlingen minstens één voorbeeld van figuurlijk taalgebruik moeten kunnen produceren OF een algemene definitie van figuurlijk taalgebruik moeten kunnen geven OF figuurlijk taalgebruik moeten herkennen OF algemeen moeten begrijpen dat bepaalde uitdrukkingen niet letterlijk mogen worden opgevat?
Voor het 6de leerjaar is het taalbeschouwelijk minimumdoel 1.4.8 (“De leerling kent zinnen en zinsdelen” (bv. lijdend en meewerkend voorwerp)) ook voor veel interpretatie vatbaar. Wat betekent “zinsdelen kennen”? Dit vage doel kan ertoe leiden dat veel kostbare onderwijstijd wordt opgeofferd aan klassieke zinsontleding, waarbij de leerlingen in opgegeven zinnen de zinsdelen moeten afbakenen én benoemen: dat is een recall-georiënteerde methode die volgens de Nederlandse expert Van Rijt (2016) geen positief effect op taalvaardigheid heeft. Volgens van Rijt is het vooral belangrijk dat leerlingen begrijpen hoe je correcte zinnen opbouwt, eerder dan dat ze opgegeven zinnen leren hakken en van etiketten voorzien.
De visieteksten bij de minimumdoelen lossen de onduidelijkheid niet op. Ze stellen expliciet dat “kennen” in een minimumdoel verwijst naar “declaratieve kennis”. Het lastige is dat zowel “meaning recognition” als “meaning recall” kunnen slaan op declaratieve kennis van woordenschat. Nochtans stelt de visietekst dat binnen een kennisrijk curriculum de minimumdoelen helder en eenduidig te interpreteren moeten zijn. Ik pleit er daarom voor dat, overal waar het gaat om het “kennen” van begrippen of termen (dus in alle vakdisciplines), het niveau van kennisverwerving duidelijker geoperationaliseerd wordt en dat minstens de spanning tussen receptieve “recognition” en productieve “recall” wordt opgeheven. Er is één uitzondering, namelijk woordenschat Frans: het minimumdoel over woordenschat is vaag (“de leerlingen kennen de woorden vermeld in de Woordenlijst”), maar in de visietekst wordt bij de Woordenlijst verduidelijkt dat de leerlingen de woorden uit die lijst “actief en in zinsverband moeten kunnen gebruiken”. Recall dus (een pak lastiger dus dan meaning recognition).
Voor alle duidelijkheid: ik heb me in dit bericht niet uitgelaten over de wenselijkheid van al die termenkennis in de diverse vakdisciplines en over de impact die kan hebben op de onderwijstijd die overblijft om leerlingen verbanden te leren leggen en diepgaande inzichten in de diverse vakdisciplines te doen verwerven. Ik heb enkel benadrukt dat de frase “de leerlingen kennen het begrip x” voorbijgaat aan de complexiteit van de verwerving van termen en begrippen. Niet alleen leerplanmakers en leraren, maar ook onderwijsondersteuners, toetsontwikkelaars en lerarenopleiders lopen straks gegarandeerd tegen die lastige operationalisering aan…
Kris, ik ben heel heel blij met deze bijdrage. Ik vraag me al weken af wat er nu eigenlijk onder ‘kennen’ wordt verstaan. We zijn het aan alle onderwijsbetrokkenen verplicht veel helderder en consistenter te zijn in ons onderwijsgerelateerd taalgebruik.
Hartelijk, Jan
Bedankt, Jan!