Taalhelden op een zomers eiland (een reflectie op de taalbeleidsnota van minister Demir)

Het is lovenswaardig dat “Ieder kind taalheld”, het taalbeleidsplan van minister Demir, het belang van taalontwikkeling voor iedere leerling stevig in de verf zet. Nieuw is dat beleidsaccent echter niet: in de inleiding van het plan Demir weerklinken stevige echo’s naar “Taal, taal en nog eens taal” uit de onderwijsbeleidsnota van Frank Vandenbroucke van 2005. Twintig jaar geleden dus: Demir is de facto de 5de Vlaamse onderwijsminister op rij die verklaart dat er eindelijk werk gemaakt moet worden van de versterking van de taalcompetenties van leerlingen in het Vlaams onderwijs.

Opvallend in het plan van minister Demir is het accent op taalstimulering buiten de reguliere klas. Er is sprake van een aparte OKAN-klas in het basisonderwijs en taalheldenklas voor leerlingen die te weinig Nederlands kennen, aparte instapklasjes (type zomerschool) voor peuters van 2,5 jaar en remediëring buiten de lesuren (bv. op woensdagnamiddag) voor leerlingen in het basis- en secundair onderwijs. Ook dat idee van aparte taalklassen is niet nieuw. Meer zelfs, er is veel internationaal onderzoek naar ‘pull-out classes’, waaruit blijkt dat de effecten gemengd zijn en er behoorlijk wat gevaren dreigen als de betrokken leerlingen te zeer op een afgezonderd eiland komen te zitten, los van het vasteland van het reguliere onderwijs.

Het grootste gevaar is niveauverlaging. Leerkrachten die lesgeven aan een klas met enkel leerlingen die het etiket ‘taalzwak’ kregen (en die in die klas zitten omdat ze dat etiket kregen), dreigen ten prooi te vallen aan lage verwachtingen. Dat proces is subtiel en onbewust, maar het vreet aan het niveau van de opdrachten en vragen die de leerlingen krijgen, het niveau van de teksten die ze moeten lezen en het niveau van het taalaanbod dat ze te horen krijgen. Het gevolg is dat hun taalverwerving vertraagt en velen het vereiste taalniveau om in het regulier onderwijs mee te kunnen, niet halen. De minister lijkt zich overigens van dat gevaar bewust, want in de nota merkt ze op dat het curriculum van de OKAN-klas secundair ambitieuzer moet. De OKAN-klas in het secundair is het bestaande prototype van de beoogde aparte taalklassen, en het beschikbare onderzoek toont duidelijk aan dat de doorstroming van veel ex-OKAN-leerlingen naar het reguliere secundair onderwijs nog steeds bijzonder moeizaam verloopt. Een van de oorzaken is dat de lat in veel OKAN-klassen secundair te laag ligt, ook op het vlak van taalonderwijs, zo leren we uit het OKANS-onderzoek en het recente doctoraatsonderzoek van Seynhaeve (2024).

Een tweede gevaar is gebrek aan samenhang met de reguliere klas. De nota mag dan wel opmerken dat onderzoek het positieve effect van remediëring in kleine groepen en een-op-een-interacties aantoont (en dat klopt), maar vermeldt niet dat het rendement daarvan groter is als er voor een goede afstemming wordt gezorgd tussen de remediëringsactiviteiten en de inhouden die in de reguliere klas aan bod komen. Geen wonder dus dat preteaching van individuele leerlingen in de reguliere klas, als rechtstreekse voorbereiding op een les die kort daarna wordt gegeven aan de hele groep, betere effecten ressorteert dan losstaande activiteiten in aparte klassen. In zomerscholen, aparte taalheldklassen en aparte woensdagnamiddagactiviteiten die door aparte leraren worden gegeven, wordt dat dus een heel ferme uitdaging. Een stevige veerdienst tussen het eiland van de taalhelden en het vasteland van het reguliere onderwijs is dus cruciaal, en dat vereist heel veel communicatie, gezamenlijke planning en visievorming tussen alle betrokken leraren.

Er dreigen nog gevaren. Aparte taalklassen kunnen de betrokken leerlingen kansen ontnemen om Nederlands te leren van Nederlandstalige leeftijdsgenootjes of klasgenoten die al veel beter Nederlands kunnen. Tevens kunnen ze stigmatiserend werken, en dus een negatieve impact op het zelfbeeld en de motivatie van de leerlingen hebben.

Het plan van Demir roept ook vragen rond haalbaarheid op: waar gaan we de leraren vinden die dit moeten waarmaken? Eerlijk, dat de minister via gekleurde middelen beroep gaat doen op “bijvoorbeeld gepensioneerde leraren, logopedisten, flexijobs, taalexperts, vertalers, tolken, germanisten en andere profielen”, vind ik erg verontrustend. Aan KU Leuven ben ik binnen de educatieve master talen al jaren vakdidacticus Nederlands niet-thuistaal: mijn studenten en ik weten als geen ander welke expertcompetenties nodig zijn om krachtig, effectief tweedetaalonderwijs aan te bieden aan leerlingen die het Nederlands niet als moedertaal verwierven. Met alle respect voor de competenties van logopedisten, tolken en vertalers: het zijn geen gediplomeerde tweedetaalleraren. Demir heeft dus niet alleen een stevige uitdaging op het vlak van kwantiteit (vindt ze überhaupt voldoende leraren?), maar vooral op het vlak van kwaliteit (kunnen al die leraren voldoende geprofessionaliseerd worden?).

Ik had in deze nota dus graag meer accent op de ondersteuning van leraren in het reguliere onderwijs gezien. Daar moet het gebeuren. Daar leren kinderen in de meest optimale omstandigheden de schooltaal die in reguliere lessen wordt gebruikt. Ik juich dus toe dat de nota expliciet vermeldt dat een verdere professionalisering van alle betrokken onderwijsactoren noodzakelijk is: iedere leraar een taalleraar. Ik juich ook toe dat er stevig geïnvesteerd wordt in het kleuter- en lager onderwijs. Maar, zoals het TACOS-project (een interuniversitair SBO-project waarvan ik een van de co-promotoren ben) overduidelijk aantoont: er valt nog veel winst te behalen met het professionaliseren en ondersteunen van onze reguliere kleuterleraren, bijvoorbeeld op het vlak van taalstimulerende interactiecompetenties. Leg daar het accent. Op het vasteland.

3 gedachten over “Taalhelden op een zomers eiland (een reflectie op de taalbeleidsnota van minister Demir)

  1. Kris, dit is alleszins een meer zinvolle reactie op het beoogde beleid dan het sterk ideologisch getinte discours vandaag in de media. De zorgen die je hier aanhaalt, zijn terecht maar ook goed bekend. Je onderschat m.i. wel dat het gevaar van te lage verwachtingen nu de facto volop speelt in het onderwijs zoals het nu bestaat. Het beleid is er precies erop gericht om dat te counteren. Nog altijd wordt de ernst van deze problematiek sterk onderschat of zelfs ontkend (zie het PIRLS-rapport met correcte cijfers, maar vreemde kop-in-’t zand interpretaties). En je hebt gelijk, dat zal veel te maken hebben met de professionalisering van leerkrachten (huidige en toekomstige). Ik merk wel in de klassen en scholen een hernieuwde motivatie om stevig in te zetten op kwaliteitsvolle didactiek. Dat vooral is hoopgevend en ook erg lang geleden!

    • Beste Wim, bedankt voor je reactie. Ja, ook in het reguliere onderwijs is het gevaar op lage verwachtingen (met name rond leerlingen met bepaalde profielen of achtergrondkenmerken) zeer reëel. Met andere woorden, hoge verwachtingen zijn broodnodig in eender welke onderwijscontext. Net als jij zie ik gelukkig veel animo en bereidheid van schoolteams om er tegenaan te gaan: dat is inderdaad zeer hoopgevend!

  2. Dank voor de heldere en evenwichtige analyse. Binnen de bachelor lerarenopleidingen doen we ons best om op te leiden tot kwaliteitsvolle, didactisch onderlegde leerkrachten met een stevige basis om degelijke brede basiszorg en verhoogde zorg te bieden.

Plaats een reactie