Zijn pedagogen ideologen? Over de verschraling van het debat over het taalbadjaar…

“Besmeurt ideologie het debat over taalremediëring bij allochtone kleuters?” Zo kopte De Standaard een krantbreed artikel van 2 volle pagina’s rond de vraag of een taalbadjaar helpt of niet. Soms vraag ik me af waarom onderwijswetenschappers zich nog steeds laten verleiden om journalisten te woord te staan. Is het omdat ze hun naam zo graag in de pers zien verschijnen? Omdat ze door hun academische overheid onder druk worden gezet om aan maatschappelijke dienstverlening te doen? Omdat ze menen dat ze een belangrijke boodschap zo nodig moeten delen met de rest van de wereld? Hebben ze echt niet door dat elke keer de telefoon rinkelt en de pers aan de andere kant van de lijn hangt, er veel meer te verliezen valt dan te winnen? Dat hun genuanceerde uitspraken in het traject van telefonisch interview naar gedrukt artikel worden vermalen tot sloganeske oneliners en zwart-wit-uitspraken? Dat de journalist achter hun rug doelbewust belt met wetenschappers die een boodschap verkondigen die herleid kan worden tot het summum van de hedendaagse journalistiek: het tegenovergestelde?

Vanuit journalistiek oogpunt verdient de betrokken journaliste van De Standaard dus ongetwijfeld een pluim. Ze heeft het wetenschappelijk debat over het taalbadjaar voor kleuters vakkundig omgesmeed tot een voetbalmatch: Manchester City – Paris Saint Germain. Zwart tegen wit! Een taalbadjaar helpt niet (Van Avermaet/Agirdag), ja, toch wel (Ducyk/Van den Broeck)! Polarisatie, verhitte kampen, heldhaftige strijd: dat lust de lezer als zoete pap. Dat verkoopt. Kan je het leraren kwalijk nemen dat ze hun geloof in pedagogen verliezen als die in het publieke forum voortdurend als bevooroordeelde ideologen worden afgeschilderd en als gezworen vijanden met getrokken messen tegenover elkaar worden gezet? Is het verwonderlijk dat een groeiend aantal politici nog wél naar onderwijsonderzoekers verwijzen om het probleem van de dalende onderwijskwaliteit aan de kaak te stellen, maar zich steeds minder tot onderwijswetenschappers richten om mogelijke oplossingen voor dat probleem te bedenken (ach, die pedagogen, die zijn het toch nooit eens…)?

Vanuit wetenschappelijk oogpunt is de vraag ‘Helpt een taalbadjaar kleuters nu wel of niet?’ van hetzelfde kaliber als de vraag “Helpt een dieet om je gezondheid te verbeteren of niet?’. Iedereen kent het antwoord op de tweede vraag: dat hangt er maar van af. Veel hangt bijvoorbeeld af van het soort dieet. Gaat het om een dieet waarin essentiële voedingsstoffen ontbreken, dan is de impact op je algehele gezondheid wellicht niet onverdeeld positief. Veel hangt ook af van de omstandigheden waarin het dieet wordt toegepast en de persoon die het opstart. Voor iemand met bepaalde allergieën wordt een dieet dat goed scoorde qua essentiële voedingsstoffen eerder schadelijk voor diens algehele gezondheid. Ook hangt veel af van de mate waarin andere factoren het heilzame effect van het dieet kunnen neutraliseren: diëten, maar niet voldoende bewegen? Hmm, dat scheelt….

Het bovenstaande geldt onverkort voor de vraag naar het taalbadjaar. Alles hangt af van de specifieke invulling van de term. Gaat het om een volledige afzondering van taalzwakke kleuters, waarbij ze met bussen worden opgepikt en naar aparte klassen worden vervoerd zodat de taalzwakke kleuters geen enkel contact meer hebben met Nederlandstalige kleuters? Of gaat het om intensieve taalondersteuning gedurende twee uur per dag in kleine groepen, waarna de kleuters het geleerde meteen kunnen toepassen in de context van de reguliere kleuterklas? Veel hangt ook af van de competentie van de leerkrachten die hen zullen begeleiden: zal het gaan om kleuterleidsters die een specifieke opleiding hebben genoten om anderstalige kleuters van het rijkste mogelijke taalaanbod te voorzien, of gaat het om pas afgestudeerde kleuterleidsters die enkel stage hebben gelopen in “witte” scholen? En veel hangt af van de kleuters over wie we het hebben en de mate waarin andere factoren niet verstorend kunnen werken (voelen de kleuters zich goed in de klas, gerespecteerd, gewaardeerd?). Enzovoort.

Over één ding zijn alle betrokken onderzoekers het eens: we beschikken momenteel over te weinig onderzoek om te weten welk taalbadmodel in Vlaanderen de beste effecten oplevert. Gelijk hebben ze. Maar dat wil niet zeggen dat er niets moet gebeuren. Dat wil niet zeggen dat we nog 10 jaar kunnen wachten tot onderzoekers met een sluitend antwoord kunnen komen. Het siert minister van onderwijs Weyts dat hij het probleem, dat we ondertussen 30 jaar meesleuren, wilt aanpakken. Iedereen moet toegeven dat de aanpak die tot op heden in de klas wordt geïmplementeerd niet de gewenste effecten oplevert. Er blijven te veel niet-Nederlandstalige leerlingen (vooral van laagopgeleide ouders) die het Nederlands onvoldoende beheersen om zich voldoende goed te ontwikkelen in het basisonderwijs. We moeten ingrijpen. Maar goed beleid is doordacht. Goed beleid is niet gestoeld op intuïties of buikgevoel. Het is gebaseerd op de beste, de meest doordachte analyses van de data waarover we momenteel beschikken en op zorgvuldige, weloverwogen keuzes van geschikte middelen om de vooropgestelde doelen te bereiken. Wie het schaarse onderzoek naar de verwerving van het Nederlands door niet-Nederlandstalige kleuters in Vlaanderen op tafel legt en dat verbindt met het (voornamelijk buitenlands) onderzoek naar de effecten van taalbad-achtige ingrepen, kan redelijkerwijs uitkomen bij een model waarbij de taalzwakke niet-Nederlandstalige kleuters gedurende één uur per dag intensieve NT2-instructie van expert-leerkrachten krijgen in kleine groepen en vervolgens de rest van de dag interageren met sterker taalvaardige leerlingen en de kleuterjuf in de reguliere klas. Op die manier krijgen ze dag na dag intensieve ondersteuning en worden ze toch niet sociaal geïsoleerd. Op die manier leren ze niet alleen Nederlands van hun juffen, maar ook van hun medeleerlingen. Op die manier gaan taalverwerving en sociale integratie hand in hand. De doctoraatsonderzoeken van Frijns en Verhelst, en de reviewstudie van Taelman over woordenschatverwerving door kleuters, suggereren sterk dat dit model vooral kans op succes maakt als er tegelijk wordt geïnvesteerd in de ondersteuning van alle betrokken kleuterleidsters om een productieve interactiestijl te ontwikkelen én er zorgvuldige linken worden gelegd tussen de activiteiten in de taalbadklas en die in de reguliere klas, zodat aangeleerde woordenschat herhaaldelijk terugkeert in de reguliere activiteiten. Om na te gaan of het model écht werkt, wordt er vanaf dag 1 een systematisch onderzoek opgezet dat de effecten zorgvuldig in kaart brengt, waarbij en route de parcours kan bijgestuurd worden als de effecten niet optimaal blijken te zijn.  In datzelfde onderzoek kan meteen worden nagaan of gestandaardiseerde taaltoetsen of gestandaardiseerde observaties door de kleuterjuffen, of een combinatie van beiden, het meest geschikt zijn om te determineren welke kleuters het meest nood hebben aan de intensieve taalbadmaatregelen.

De mediagenieke polarisering van de dicussie over het taalbadjaar toont nog maar eens aan dat onderwijsonderzoekers er goed aan doen om zich te verenigen in datgene wat hen tot onderzoekers maakt: complexe vraagstellingen, doorwrochte methodes en analyses, empirisch onderbouwde en genuanceerde stellingnames en het knagende bewustzijn van de beperkingen van individuele studies. Onderwijsonderzoekers hebben het recht, en moeten het recht behouden om de simplistische, rechttoe-rechtaan vragen van pers, politiek en gemeenschap in vraag te stellen. Onderwijsonderzoekers zijn geen koks die met een simpel recept stante pede een grote honger kunnen stillen. Onderwijsonderzoekers hebben het recht om behoedzaam en bedachtzaam te zijn. Onderwijsonderzoekers hebben het recht, en zelfs de plicht, om pers, publiek en politici erop te wijzen dat onderwijs en leren niet gedicteerd worden door altijd geldende natuurwetten. Onderwijs en leren gaan over mensen, en die blijven in hun onderlinge interactie gedeeltelijk onvoorspelbaar en wispelturig. In onderwijs is het niet zo dat als Paris Saint Germain 4 maal heeft gescoord en Manchester City 0 maal, PSG alleen maar heeft gewonnen en Manchester City alleen maar heeft verloren.

De toekomst van onze jeugd en de reputatie van onze leraren zijn te kostbaar om in gepolariseerde mediadebatten te worden geplet tot platvloerse dooddoeners. Grijs is meestal een erg productieve kleur in onderwijs.

5 gedachten over “Zijn pedagogen ideologen? Over de verschraling van het debat over het taalbadjaar…

  1. Hier ben ik het in grote mate mee eens. Kanttekening: naarmate de ernst van de taalachterstand zal men intensiever moeten ingrijpen, en dat kan ook betekenen meer uren uit de klas taalonderricht volgen. Ik ga nog reageren op de journalist want daar heb ik heel wat over te zeggen.

  2. Mooie analyse, heel zinvol. Bedankt! Hetzelfde geldt trouwens ook voor de politiek. De ongenuanceerde ballonnen die worden opgelaten werken dit nu net in de hand. (En misschien is dat ook de bedoeling ervan, vuurtje-stook?)

  3. Dit begrijp ik niet. Ik had eerst al het artikel gelezen en er net uit onthouden dat de pedagogen in kwestie het niet zo onderling oneens zijn als de afgelopen maanden leek in de debatten. Ook werd er dieper ingegaan over welk type onderzoek er al gebeurd is en welk nog niet. Ik vond het boeiend, nuancerend en allesbehalve polariserend.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s