Zinsontleding ontmanteld? Over de toekomst van het grammaticaonderwijs

Taalkundigen opperen al geruime tijd dat het grammaticaonderwijs behoefte heeft aan een moderne insteek. Daarmee bedoelen ze dat zowel inzichten uit de moderne taalkunde als uit het recente onderzoek naar effectief taalonderwijs beter geïntegreerd zouden moeten geraken in het grammaticaonderwijs. Dat levert alvast concrete suggesties op als: (a) vervang het zinsontledingsonderwijs door zins- en woordopbouwonderwijs, (b) creëer meer kansen voor bewuste reflectie over grammatica, en (c) verbreed de blik van het taalkunde-onderwijs.

Zinsontleding staat in de hoofden van velen gebeiteld als een vast onderdeel van het grammaticaonderwijs. Als De Vilder (2018) in zijn masterproef de grammaticakennis van leerlingen in Vlaanderen en Nederland test, dan wordt aan de leerlingen gevraagd om zinnen te ontleden. Nochtans toont wetenschappelijk onderzoek al jaren aan dat de invloed van zinsontledingsonderwijs op de schrijfvaardigheid van leerlingen, en hun taalvaardigheid in het algemeen, erg tegenvalt, en in sommige studies zelfs negatief uitvalt. Taalkundigen als Van Rijt opperen dat dat komt omdat leerlingen via zinsontledingsonderwijs nauwelijks diepgaand inzicht in grammatica opbouwen. Voor leerlingen komt zinsontleding te veel neer op het mechanistisch toepassen van een aantal trucs op zinnen die lukraak uit de lucht komen vallen (als losse regendruppels die niet met elkaar samenhangen) en die vooral niet op hun betekenis moeten worden beoordeeld. Bovendien ontsnappen veel “echte” zinnen, zoals die door echte sprekers worden uitgesproken buiten de schoolmuren, aan de trucs van de zinsontleding en blijken ze daardoor moeilijk of zelfs niet ontleedbaar. Van Rijt (2016) spreekt in dit verband van “een verouderde grammaticadidactiek die nauwelijks bijdraagt aan de behoefte van docenten om leerlingen bewust taalvaardig te maken”.

In de moderne taalkunde wordt gepleit voor een aanpak vanuit zinsopbouw, gekoppeld aan de reflectie over de betekenis van die opgebouwde zinnen (“semantisch grammaticaonderwijs”). Van betekenisloze zinnen in stukken breken naar betekenisvolle zinnen opbouwen, dus. Een begrip als “valentie” draait in dit verband om de noodzakelijke aanvullingen die een werkwoord vanuit zijn basisbetekenis nodig heeft om een handeling te verrichten. Dat opent vensters naar een reflectie over de aanvullingen die een werkwoord moet krijgen én kan krijgen om de opgebouwde zin betekenisvol te houden, en tevens over het bouwen van zinnen waarin het krachtig wordt om bewust bepaalde van die aanvullingen achterwege te laten (bv. passiefzinnen). Vanuit die aanpak kunnen leerlingen niet alleen denken over de grammaticaliteit, betekenis én kracht van de zinnen die ze zelf schrijven in hun eigen teksten (hoe bouw ik goede zinnen?), maar ook over de samenhang van die zinnen met andere zinnen in hun tekst (hoe bouw ik mijn tekst op?). Dat geeft leerlingen tools om hun eigen schrijfsels en die van anderen kritisch te analyseren qua helderheid, overtuigingskracht en doeltreffendheid. Vanuit zo’n betekenisvolle optiek kunnen er ook heel boeiende discussies ontstaan over hoe grammatica-gebaseerde humor ontstaat (“Ik liet mijn haar knippen toen ik plots hoorde: “Het is gedaan. Ik kapper mee”), en vragen als: Waarom gaan mensen in gesproken taal, in chatberichten en op sociale media anders om met zinsopbouwnormen dan in geschreven taal? Hoe ontstaan taalnormen en hoe evolueren ze? Hoe verschillen talen en taalvariëteiten in de manier waarop ze zinnen en woorden bouwen? Klopt het dat Portugezen minder egocentrisch zijn dan Amerikanen omdat ze in hun taal het ‘ik’-onderwerp veel minder expliciteren?

Dat brengt me bij het belang van echte reflectie en de verbreding van de onderwerpen van het taalkunde-onderwijs. Wat echte reflectie betreft, pleit ik dus (en ja, het zal de aanhangers van zinsontleding verbazen) voor een versterking en verdieping van het grammatica-onderwijs. Maar dan wel een grammatica-onderwijs waarin leerlingen niet blijven hangen in “pre-reflectie” (i.e. kennis aangeboden door autoriteiten klakkeloos accepteren en blind toepassen), maar bewust reflecteren over de gevolgen van het toepassen van grammaticakennis voor doelgericht handelen. Met andere woorden, een integratie van kennis- en vaardighedenonderwijs.

Die integratie wordt door hedendaagse taalkundigen ook bepleit als het gaat om het verbreden van het taalkunde-onderwijs. De moderne taalkunde levert fascinerende inzichten in onder andere taalverwerving, taalvariatie, taalnormering, en taaltechnologie: de studies van Van Disseldorp en Van Sweep suggereren dat leerlingen daarrond diepgaandere kennis opbouwen als ze er, onder begeleiding van een leerkracht, over lezen, discussiëren, debatteren, presenteren, schrijven…. Vaardigheden in dienst van taalkennisonderwijs, dus.

Kleine kanttekening: een bevraging van leraren Nederlands in Nederland (van Rijt, Wijnands & Coppen, 2019) toonde aan dat, alhoewel het merendeel van de participanten sterk voorstander is van een modernisering van het grammatica-onderwijs, twee factoren hen tegenhouden in de implementatie: (a) in de taalmethodes zijn deze moderne inzichten nog niet voldoende geïncorporeerd, en (b) veel leraren voelen zich onzeker of ze op dit vlak wel voldoende expertise bezitten. Initiatieven als de “Dag van het Taalonderwijs” van de KU Leuven, waarbij tandems van taalkundigen en lerarenopleiders taalkundige inzichten op een toegankelijke manier ter beschikking stellen van leraren verdienen dus veel navolging. Vooral omdat ook de nieuwe eindtermen aansturen op een diepgaande reflectie over taalgebruik en taalsystematiek ter ondersteuning van het communicatief handelen.   

Advertentie

2 gedachten over “Zinsontleding ontmanteld? Over de toekomst van het grammaticaonderwijs

  1. Leraren zouden zo snel mogelijk ingelicht moeten worden over het bestaan van de universele klankhelix. Woorden worden van achteren langer en lossen van voren op! Een zin als “(H)eet Eva een appel(er)” laat ten eerste de samenhang zien tussen het Nederlands en andere talen. In dit geval het Frans waarin ‘appeler’ net als ‘heten’ verwijzen naar ‘noemen’. De overgang van een zelfstandig naamwoord (appel) in een werkwoord (appeler) geeft een dieper inzicht in de klankleer (i.c. klankhelix), want heeft een leerling die onder de knie groeit de motivatie voor het ontleden.

Laat een reactie achter op Jan Uyttendaele Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s