Vormen “te bereiken minimumdoelen Nederlands” voor het kleuteronderwijs een goede beleidsmaatregel?

De Vlaamse regering beoogt met haar onderwijsbeleid dat alle jonge kinderen de taalvaardigheid Nederlands ontwikkelen om in het basisonderwijs vlot tot leren te komen. Dat is een zeer legitiem beleidsdoel dat ik volmondig onderschrijf. Internationaal onderzoek geeft duidelijke aanwijzingen dat het loont om de taalstimulansen die kleuters in de eerste jaren van hun onderwijsloopbaan krijgen, te versterken. Vooral voor kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen en niet-Nederlandstalige kinderen kan dat een cruciaal verschil maken. Eerder introduceerde de Vlaamse regering de verplichte KOALA-taalscreening voor 5-jarige kleuters (de facto afgenomen aan het begin van de derde kleuterklas) om kleuters die extra taalstimulering nodig hebben, te identificeren. Daar voegt de Vlaamse regering nu het besluit aan toe om minimumdoelen voor luistervaardigheid en woordenschat in te voeren die door de populatie van leerlingen aan het einde van het kleuteronderwijs moet gehaald worden. Dat is een breuk met het verleden: tot hiertoe gelden voor het kleuteronderwijs immers enkel ontwikkelingsdoelen die door schoolteams moeten nagestreefd worden.

De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) toont zich geen voorstander van het invoeren van te bereiken minimumdoelen Nederlands aan het einde van het kleuteronderwijs. Een recent artikel in De Standaard gaf zelfs aan dat het hele onderwijsveld tegen het idee gekant is.

Als promotor van het KOALA-project en expert in schooltaalbeleid had ik zelf ook een andere beleidskeuze verwacht. Als de kleuters die extra taalstimulering Nederlands nodig hebben via de KOALA-screening aan het begin van de derde kleuterklas kunnen worden geïdentificeerd, dan zou ik in de eerste plaats verwachten, én bepleiten, dat er wordt geïnvesteerd in de professionalisering en arbeidsomstandigheden van leraren in kleuter- én lager onderwijs, zodat zij via kwaliteitsvolle interacties en straffere taaldidactiek nog sterkere impulsen aan taalontwikkeling leren geven. Dat is immers dé sleutel, in Ierland weten ze daar alles over. Daarbij zou ik concreet inzetten op drie fronten: (a) een versterking van het curriculum van de lerarenopleidingen, waarbij meer gerichte aandacht gaat naar de didactische competenties van toekomstige leraren om taalcompetenties bij jonge kinderen te stimuleren; (b) een versterking van de aanvangsbegeleiding van startende leraren in het basisonderwijs, zodat zij doorgedreven coaching-on-te-floor krijgen van ervaren mentoren om hun taaldidactische competenties verder te verdiepen in de volle complexiteit van het klasgebeuren; (c) een verscherping van de eisen die aan het taalbeleid van basisscholen worden gesteld (en de controle door de inspectie hierop), met focus op teambuilding en professionalisering van leraren die al langer in het beroep staan. Op die drie fronten zou specifieke aandacht moeten worden besteed aan de taalstimulering aan niet-Nederlandstalige, sociaal kwetsbare kinderen. Qua evaluatie en controle zou deze beleidskeuze uitmonden in eindtermen Nederlands die aan het einde van het basisonderwijs (dus als kinderen 12 jaar zijn) afdwingbaar zijn, en die wat mij betreft zelfs tot de basisgeletterdheid mogen behoren, wat zou betekenen dat niet de populatie (de facto 75% van de leerlingen), maar elke individuele leerling die zou moeten behalen.

Een eerste – empirisch onderbouwde – reden waarom ik geen voorstander ben van afdwingbare minimumdoelen voor kleuters, is dat de grootschalige afnames van de KOALA-screening systematisch een “geboortemaand-effect” tonen: kinderen die later in het jaar zijn geboren, scoren gemiddeld significant lager dan kinderen die in de eerste jaarhelft zijn geboren. Voor alle kleuters die rood of oranje scoren op KOALA, en vooral voor kinderen met een profiel “niet-Nederlandstalig, sociaal kwetsbaar én geboren in de tweede helft van het jaar” zou de tijd tussen de KOALA-afname en het einde van het kleuteronderwijs (het moment waarop ze de minimumdoelen dus moeten hebben behaald) wel erg kort worden: amper 6 onderwijsmaanden.

Die korte periode strookt hoegenaamd niet met de grillige en onvoorspelbare ritmes die kleuters in hun ontwikkeling vertonen. Jonge kinderen ontwikkelen zich niet in een gestaag oplopende, voorspelbare lijn, maar ontwikkelen zich via sprongen die erg kind- en omgevingsafhankelijk zijn. Jonge kinderen verdienen dus voldoende tijd om alle cruciale sleutelcompetenties te verwerven; wie naar de lijst van de minimumdoelen basisonderwijs kijkt, weet: dat zijn er nogal wat.

Bij de “te bereiken minimumdoelen Nederlands” gaat het voor de Vlaamse regering enkel om “woordenschat en luistervaardigheid”. Dat betekent dat er een hiërarchie tussen de doelen Nederlands zal ontstaan. Dat lijkt me niet bevorderlijk, want het kan ertoe leiden dat schoolteams zowel in hun onderwijspraktijk (al dan niet gevoed door nieuwe commerciële taalmethodes) én evaluatie vooral zullen focussen op woordenschat en luistervaardigheid, ten nadele van andere taalcompetenties (denk bijvoorbeeld aan ontluikende geletterdheid en gespreksvaardigheden). Zeker op deze prille kleuterleeftijd is het van groot belang om taalontwikkeling voldoende geïntegreerd te benaderen. Voor woordenschat wordt het helemaal precair: alle taalexperts die ik hierover sprak, zijn het erover eens dat het onmogelijk is om te bepalen welke woorden dan door kleuters moeten zijn verworven. Bovendien vrezen ze dat de kans op een geïsoleerde woordenschatdidactiek, waarin nieuw te verwerven woorden losgeweekt worden van betekenisvolle interacties waarin geïntegreerd aan diverse taalcompetenties en andere competenties kan worden, zal toenemen. Een straffe woordenschatdidactiek is in het basisonderwijs een must, maar “straf” betekent voor jonge kinderen straf gecontextualiseerd, straf gethematiseerd, straf ingebed in betekenisvolle interacties en straf verbonden met de ontwikkeling van alle andere (taal)competenties.

“Te bereiken” betekent voor schoolteams “formeel te evalueren”. Er dreigt dus een ijzeren hek opgetrokken te worden tussen het kleuter- en het lager onderwijs. Dat strookt niet met de zachte overgangen tussen kleuter- en lager onderwijs waarnaar zoveel schoolteams momenteel streven. Ik vrees bovendien dat voor klassenraden de beslissing of kleuters naar het eerste leerjaar mogen doorstromen door deze beleidsmaatregel complexer, eerder dan eenvoudiger wordt. Klassenraden zullen immers met de nieuwe hiërarchie binnen de minimumdoelen moeten rekening houden. Het lijkt me overigens niet denkbeeldig dat er in de toekomst een centrale toets Nederlands einde kleuteronderwijs wordt ingevoerd: als dat gebeurt, dan krijgt die onvermijdelijk een poortwachtersfunctie die de autonomie van de klassenraden verder kan bedreigen. Bij zulk een toets is de kans op “valse negatieven” aanzienlijk: dat zijn kleuters die op basis van de testresultaten nog een jaartje langer in het kleuteronderwijs moeten blijven maar die eigenlijk onterecht worden tegengehouden omdat ze in de loop van het basisonderwijs toch goed tot ontwikkeling zouden zijn gekomen. Van de weeromstuit zouden daardoor de doelen voor woordenschat en luistervaardigheid net heel laag kunnen gelegd worden: dat straalt dan weer te weinig ambitie uit.

Beleidsmaatregelen worden genomen in functie van gewenste effecten die worden nagestreefd. In dit verband is het gewenste effect lovenswaardig: alle jonge kinderen verwerven beter Nederlands door een versterking van het curriculum van het basisonderwijs. De vraag is echter of het invoeren van te bereiken minimumdoelen woordenschat en luistervaardigheid aan het einde van het kleuteronderwijs de meest effectieve maatregel is om (a) het gewenste effect zo krachtig mogelijk na te jagen én (b) de kans op ongewenste neveneffecten zo klein mogelijk te houden. Ik ben, net als de Vlaamse Onderwijsraad en “het onderwijsveld” dat in De Standaard wordt opgevoerd, niet overtuigd. Ik pleit voor een versterking van het taalonderwijs in het basisonderwijs. Ik pleit voor zeer ambitieuze doelen op het einde van het basisonderwijs, dus aan het einde van de leerplichtperiode 5 – 12 jaar. Ik pleit voor didactische continuïteit in het basisonderwijs en het verzachten van de grenzen tussen kleuter- en lager onderwijs. Ik pleit net daarom in de eerste plaats voor een versterking van de didactische en samenwerkingscompetenties van basisschoolteams om het allerbeste taalonderwijs ter wereld te geven. Want dat verdienen alle kinderen die Nederlandstalig onderwijs volgen: het allerbeste onderwijs. Versterk dus degenen die dat het best kunnen verzorgen en daarvoor verantwoordelijk zijn: onze schoolteams.

Advies Vlaamse Onderwijsraad:

https://www.vlor.be/adviezen/bouwen-aan-breed-draagvlak-voor-nieuwe-onderwijsdoelen-het-basisonderwijs

Een gedachte over “Vormen “te bereiken minimumdoelen Nederlands” voor het kleuteronderwijs een goede beleidsmaatregel?

  1. Volledig akkoord. Woordenschatonderwijs wordt hierdoor net verengd. En welke woorden moeten gekend zijn? Er zijn vooralsnog geen Vlaamse woordenschatlijsten (dacht ik).

Plaats een reactie