Maken kleine klasgroepen een verschil?

Intuïtief zou je denken dat kleine klasgroepen een positief effect hebben op de leerwinst van leerlingen. In kleine klasgroepen lijkt het voor leraren immers eenvoudiger om individuele leerlingen van gedifferentieerde ondersteuning en feedback te voorzien en op hun individuele vragen en noden in te spelen. Toch toont het empirisch onderzoek naar de impact van klasgrootte op leerwinst in het basis- en secundair onderwijs gemengde resultaten (cf. de Toolkits van Leerpunt en de Teaching & Learning Toolkit van EEF).

Dat de resultaten niet onverdeeld positief zijn en soms kleiner dan verwacht (terwijl de kosten aanzienlijk zijn), kan met veel verschillende factoren te maken hebben. Stel dat een kleine klasgroep wordt samengesteld uit leerlingen van wie de leraren in kwestie zeer lage verwachtingen hebben. Dan is het theoretisch mogelijk dat de verwachtingen van de leraren nog verder dalen en daardoor de leerlingen relatief minder leerwinst boeken. Ook is het mogelijk dat leraren in kleine klasgroepen de gelegenheid niet grijpen om meer in interactie te treden met leerlingen of de competenties missen om dat doeltreffend te doen. De toolkit “Leren en lesgeven” van Leerpunt stelt in dit verband expliciet dat kleinere klassen “alleen een positief leereffect hebben als leerkrachten ook het lesgeven aanpassen aan de kleinere klasgroep, bijvoorbeeld door kwaliteitsvolle interactie met de leerlingen of doordat de les minimaal wordt verstoord.”

Er is één groep van leerlingen in het beschikbare onderzoek waarvoor kleine klasgroepen wel een duidelijker positief verschil lijken te maken: kleuters. Zeker voor de jongste kleuters heeft het verlagen van de kleuter-leraar-ratio (met name als die verlaging substantieel is) impact. Dat komt omdat in kleuterklassen stimulerende interacties een absolute voorwaarde zijn om de cognitieve en taalontwikkeling van de leerlingen te ondersteunen. Barnett en collega’s (2004) vonden vooral  positieve effecten bij maximaal 15 kleuters in de klas (waarbij er 2 leraren in die klas aanwezig zijn) en dus een maximale kind-leraarratio van 7,5 (kleuters) op 1 (leraar). Dat cijfer is interessant, omdat een ratio van 7 à 8 kleuters per begeleider ook in de buitenschoolse kinderopvang wordt gehanteerd als aangewezen maximum.

Als een substantiële verlaging van de kleuter-leraar-ratio gepaard zou gaan met een forse injectie in de professionalisering van kleuterleraren om de hele dag taal- en denkstimulerende interacties met kleuters aan te gaan, dan zouden we op dit vlak zowaar van samenhangende beleidsmaatregelen kunnen spreken….

Een gedachte over “Maken kleine klasgroepen een verschil?

  1. Kris – Ik heb jaren geleden hierover geschreven. Als je de klassen kleiner maakt maar blijft doceren alsof er niets is veranderd, dan heeft klassenverkleining weinig zin. De admin wordt minder maar de lessen blijven hetzelfde. Als je de verkleining didactisch benut, dan…

Geef een reactie op PA Kirschner Reactie annuleren