Eerst even het verschil tussen “evidence-based” en “evidence-informed”. In de medische sector geldt “evidence-based” werken als een gouden standaard: daarbij wordt het beste empirische bewijsmateriaal (bij voorkeur gebaseerd op randomized controlled trials) ingezet om beslissingen te nemen over de zorg van een patiënt. Belangrijk in dit verband is dat in de medische sector een geteste interventie (bv. een medicijn, een behandeling) vaak dezelfde effecten heeft, ongeacht de context waarin die wordt toegediend. Dat is in het onderwijs echter veel minder het geval. Een onderwijsinterventie is immers veel afhankelijker van de manier waarop onderwijsprofessionals de interventie implementeren in, en zelfs aanpassen aan, de dynamische context waarin ze met leerlingen werken. De context, noch de interventie zelf, kunnen veel minder gemakkelijk “onder controle” gehouden worden. Dat uit zich bijvoorbeeld ook in de vaststelling dat leraren vaak een discrepantie ervaren tussen onderwijsonderzoeken die in strak gecontroleerde labo-settings zijn uitgevoerd en de toepassing van de onderzochte interventies in een authentieke klas- of schoolcontext. “Evidence-informed” werken houdt met die contextgevoeligheid rekening. Het betekent dat een leraar of een schoolteam onderwijsbeslissingen in een lokale context neemt in functie van het bevorderen van de leerprocessen van leerlingen en daarbij probeert rekening te houden met relevante inzichten uit onderzoek: dat kan onderzoek zijn dat door externe onderwijsonderzoekers is uitgevoerd, maar evenzeer praktijkgericht onderzoek dat door de leraar zelf, of door andere leden van het eigen schoolteam, in de eigen schoolcontext is uitgevoerd. Dat laatste wordt ook wel eens “data-gedreven” werken genoemd: een schoolteam gebruikt de data die het zelf verzamelt (bv. via toetsen, klasobservaties, bevragingen van leerlingen, reflecties van vakgroepen) om te reflecteren op de kwaliteit van het eigen onderwijs.
In opdracht van het Nederlands Ministerie van Onderwijs voerden Sardes en SEO Economisch Onderzoek een onderzoek uit naar de mate waarin schoolteams evidence-informed werken in het funderend onderwijs in Nederland. Bijna 1000 onderwijsprofessionals (waaronder schoolleiders, leraren en interne ondersteuners) vulden een enquête in. De resultaten tonen aan dat schoolleiders sterker vertrouwd zijn met de term én de werkwijze van evidence-informed werken dan leraren en interne ondersteuners. Leraren zijn het minst vertrouwd met de term en werkwijze. De respondenten gaven aan dat tijd en ruimte, steun van de directie en visievorming op school belangrijke factoren zijn voor het succesvol invoeren van evidence-informed werken op school, terwijl gebrek daaraan net knelpunten veroorzaakt. Het belang van “evidence-informed” werken wordt weliswaar breed onderschreven door de onderwijsprofessionals, maar het vindt nog lang niet altijd zijn weg naar een professionele leercultuur op school. Dat laatste lijkt meer het geval te zijn op scholen waar een sterke teambuilding bestaat en er pogingen worden gedaan om tot gezamenlijke visievorming te komen. Het is ook belangrijk dat leraren de kans krijgen hun onderzoeksvaardigheden uit te breiden en makkelijk toegang krijgen tot wetenschappelijke onderzoeksinzichten. Er zit dus een grond van waarheid in de leuze “Good practices travel bad”: wat door onderwijsonderzoekers wordt verkondigd en gepubliceerd, is vaak iets anders dan wat leraren in de klas doen.
Bron:
Kris,
Bedankt. Ik heb het rapport doorgenomen en, terwijl het bevestigt wat ik ook heb gevonden in onderzoek, vin de methodologie zeer zwak. Een typisch vragenlijstonderzoek met een 5-punts Likertschaal als responsmogelijkheid waarbij de meeste antwoorden een 3 zijn (het kan vriezen/het kan dooien) is niet echt sterk. Wij weten ook dat zulk vragenlijstonderzoek zeer onbetrouwbaar zijn: wat mensen zeggen dat zij doen komt meestal niet overeen met wat ze echt doen. Zie hiervoor de vele onderzoekingen vanuit de voedingswetenschappen waar mensen blijken aan te komen door te ademen omdat volgens de vragenlijsten en logboeken hebben ze echt niet veel gegeten. En tot slot, ik en mijn promovendi/collega’s hebben en doen onderzoek juist hiernaar en hebben wel instrumenten gevonden en zelfs hebben ontwikkeld die niet in hun ‘literatuuronderzoek’ voorkomen.
Groet,
paul