Sommige dingen begrijp ik niet. De Vlaamse regering wil 2/3 van de financiële middelen voor vervolgcoaches van ex-anderstalige nieuwkomers in het secundair onderwijs schrappen. De bijkomende coëfficiënt uren-leraar voor vervolgschoolcoaching wordt verlaagd van 0,9 naar 0,3. Hoe valt die besparing te rijmen met de ambitie om ieder kind te laten uitgroeien tot een taalheld? Hoe valt die besparing te rijmen met de ambitie (expliciet vermeld in de nota “Ieder Kind Taalheld”) om voor het OKAN-onderwijs ambitieuze minimumdoelen in te voeren? De besparing dreigt er net voor te zorgen dat het voor veel ex-OKAN-leerlingen nog veel lastiger wordt om die minimumdoelen te halen. Het recente doctoraat van Shauney Seynhaeve (Universiteit Gent) en het interuniversitaire OKANS-onderzoek maakten overduidelijk dat de doorstroom van veel ex-anderstalige nieuwkomers in het reguliere secundair onderwijs moeizaam verloopt en dat velen het in de periode na hun onthaalklas lastig hebben met het moeilijke schooltaalnederlands dat in alle vakken wordt gebruikt. Onderzoek geeft aan dat de meeste tweedetaalleerders minstens 5 jaar nodig hebben om het abstracte schooltaalregister van een nieuwe taal te verwerven. Een groot deel van die verwerving loopt voor ex-OKAN-leerlingen dus door na de onthaalklas, in de periode waarin vervolgcoaches voor broodnodige ondersteuning kunnen zorgen.
Ik stond mee aan de wieg van de vervolgschoolcoaching in Vlaanderen. Met het Centrum voor Taal en Onderwijs hadden we in de periode 2002-2005 het allereerste onderzoek uitgevoerd naar de doorstroom van ex-anderstalige nieuwkomers in het regulier secundair onderwijs. Ik stelde het rapport van Mie Sterckx en collega’s persoonlijk aan toenmalig minister van onderwijs Frank Vandenbroucke voor. Ik herinner mij hoe ontsteld hij was over de vele ex-anderstalige nieuwkomers voor wie de doorstroom zo problematisch verliep. Het was Vandenbroucke die daarom de vervolgschoolcoaching in het leven riep. Sindsdien is er bijzonder veel expertise ontwikkeld: vervolgcoaches ondersteunen ex-anderstalige nieuwkomers niet alleen in hun verdere verwerving van het veeleisende “schooltaalnederlands” en begeleiden hen bij hun studiekeuze aan het einde van de onthaalklas, maar sensibiliseren en professionaliseren hun collega’s van alle vakken ook om taalbewuster les te geven.
In het kader van “Ieder Kind Taalheld” wordt heel wat geld vrijgemaakt om in de nabije toekomst op elke basisschool een taalexpert aan te stellen en die een tweejarige vorming aan te bieden. Dat lijkt me aan te tonen dat deze regering gelooft in een model waarbij een lid van het schoolteam diepgaande expertise op het vlak van taalonderwijs opbouwt en die expertise vervolgens gebruikt om collega’s te coachen, gidsen, sensibiliseren, ondersteunen. Net daarom begrijp ik deze besparing niet: vervolgcoaches zijn zulke taalexperts. Ze hebben in de loop der jaren diepgaande expertise opgebouwd rond tweedetaalverwerving en -onderwijs, rond het stimuleren van productieve taalbeleidsprocessen, rond het creëren van goodwill in een lerarenteam om met de taalleerbehoeften van leerlingen rekening te houden en taalontwikkelend onderwijs te integreren in aardrijkskunde-, geschiedenis-, wiskunde en PAV-lessen. Het is dan ook paradoxaal dat er enerzijds veel geld in het vormen van nieuwe taalexperts wordt gepompt terwijl anderzijds gelijkaardige, bestaande expertise zomaar mag wegvloeien.
Eén kenmerk van hun opdracht maakt vervolgcoaches kwetsbaar: hun impact is moeilijk rechtstreeks empirisch te onderbouwen. Dat komt omdat ze net maximaal inzetten op indirecte effecten: ze proberen hun directies te overtuigen om meer extra ondersteuning aan ex-OKAN-leerlingen te bieden, ze proberen leraren te overtuigen om vaker en systematischer taalgericht vakonderwijs te implementeren, ze proberen de ex-OKAN-leerlingen te motiveren en gidsen, ze verzamelen data over de doorstroom van deze leerlingen. Bijzonder waardevol werk, dat voor veel van de betrokken leerlingen het verschil tussen falen en slagen kan betekenen, maar vooral werk achter de schermen, tussen de plooien, aan de zijde van degenen die rechtstreeks lesgeven aan deze leerlingen. Werk dat onzichtbaar is voor velen: vandaar dat weinigen zelfs maar opmerken dat de schaar tweederde van de middelen wegknipt. We dreigen dus vanaf nu niet alleen te spreken over “ex-anderstalige nieuwkomers”, maar ook “ex-vervolgcoaches”. Zoals Steven Delarue in zijn blogpost hierover terecht opmerkte: in Nederland benijden ze ons om onze vervolgcoaching. De OKAN-leraren daar hopen vurig dat hun regering dit systeem ook invoert…
Bijzonder jammer, ik vind het ook onbegrijpelijk.