Het was even slikken. Kleuterleraren hebben bij 30% van hun 5-jarige kleuters lage verwachtingen rond hun kansen op een succesvolle onderwijsloopbaan. En dat terwijl elke 5-jarige kleuter boordevol potentieel zit, en scholen net opgericht en gefinancierd worden om het potentieel in elke 5-jarige kleuter maximaal te laten ontbolsteren.
Het is mogelijk dat die lage verwachtingen niet alleen zijn ingegeven door leraarpercepties van de thuisachtergrond van de kinderen (en ja, reeds op deze vroege leeftijd heeft de socio-economische achtergrond een stevige impact op de testresultaten), maar ook door de kennis die de kleuterleraren hebben van ons Vlaamse onderwijssysteem. We zijn Europees koploper in het doorverwijzen van leerlingen naar het buitengewoon onderwijs: liefst 5% van de leerlingen in het basisonderwijs. Ons secundair onderwijs wordt al decennia geplaagd door het watervaldenken: snelle segregatie van leerlingen naar een 1B-variant, waterval richting arbeidsmarkgerichte finaliteit, grotendeels ingegeven door een analyse die zich concentreert op de dingen die leerlingen niet kunnen (of minder goed kunnen dan andere leerlingen, of wellicht minder goed zullen kunnen). Er is een uitweg als een kind achterophinkt, letterlijk. En die uitweg wordt gezien als beter aangepast aan de problemen en beperkingen van het kind in kwestie. Voor sommige kinderen ongetwijfeld terecht, maar de vraag is of dat voor alle kinderen het geval is.
Zoals onder andere het onderzoek van Thibaut Duthois aantoonde, kunnen dergelijke lage verwachtingen op allerlei wijzen doorsijpelen in de interacties die leraren met leerlingen aangaan. Onbewust – en niet intentioneel – krijgen leerlingen van wie de leraar lage verwachtingen heeft, minder uitdagende vragen, minder kansen tot spreken, gemakkelijkere taken. De uitdaging wordt uit de weg gegaan. De institutionele weeffout verinnerlijkt. Ook in sommige onthaalklassen secundair onderwijs zien we dat het niveau van taaluitdaging te laag blijft liggen, wat de doorstroom van leerlingen naar de doorstroomfinaliteit uiteindelijk bemoeilijkt. Menselijk, maar niet wenselijk. Gelukkig toont hetzelfde onderzoek van Thibaut Duthois dat leraren via stimulated recall sessies zich snel bewust kunnen worden gemaakt van dergelijke mechanismen en dat ze via gerichte professionalisering hun interactiepatronen kunnen optimaliseren.
Elke kleuter verdient het om door hun leraren overladen te worden met een hoop hoop. Het rotsvaste geloof dat het kind ontzettend veel kan leren als het op school uitgedaagd en rijk gevoed wordt. Plus est en vous. En elke kleuterleraar verdient het om overladen te worden met materiële en menselijke ondersteuning om elke kleuter zo vaak mogelijk te betrekken in kwaliteitsvolle interacties. Het soort interacties die kleuters rijke taal aanleren terwijl ze hardop denkend met medeleerlingen en hun leraar exploreren waarom het badeendje bovenblijft en een bal naar de bodem zakt. Het soort interacties dat kleuters tot tellen aanzet terwijl ze de tafel dekken voor hun poppen in de speelhoek. Het soort interacties waarin schoolse woordenschat spontaan tijdens warme interacties in betekenisvolle contexten wordt geëxpliciteerd en elke kleuter uitgedaagd wordt om verbanden in een verhaaltje in woorden te vatten. Daarvoor heb je als kleuterleraar echter mentale ruimte en tijd nodig. Een tweede leraar in de klas, een assistent in de klas (zoals in Engeland) kan daarbij wonderen verrichten.
Overigens geeft IELS ook reden tot hoop. Onze kleuters scoren goed voor executieve functies en laten de kinderen in de 7 andere landen achter als het om het herkennen van emoties gaat. Dat toont aan dat onze kleuterleraren op die vlakken beresterk werk afleveren. Die sterke punten moeten we blijven borgen, want ze vormen een solide basis om taalstimulerende en wiskundestimulerende interacties op te bouwen.
De minister van onderwijs opperde in De Afspraak (VRT) de ambitie om van het Vlaams onderwijs een ‘gelijkekansenmachine’ te maken. Ik deel die ambitie 100%. Als wetenschapper die met dit thema al bijna 40 jaar aan de slag is, moet ik echter vaststellen dat ons onderwijs al sinds 1990 geen gelijkekansenmachine is. De rapporten van Koninklijk Commissaris D’hondt legden in 1990 pijnlijk bloot dat er toen al een stevige sociale kloof in ons onderwijs gaapte. Vroeger was het niet altijd beter.
Misschien hebben we nog niet alle recepten uitgeprobeerd om de socio-economische en socio-culturele kloof in ons onderwijs te bekampen. Zo wordt een niet-Nederlandstalige achtergrond van een leerling in vele hoofden – onbewust of bewust – geassocieerd met de kans op problemen in ons onderwijssysteem, eerder dan met potentieel. Maar zoals de resultaten van diverse landen in IELS duidelijk maken, leidt een andere moedertaal dan de officiële instructietaal niet noodzakelijk tot minder goede prestaties op testen die in de officiële instructietaal worden afgenomen. Meertaligheid is voorkennis. Potentieel. In dezelfde aflevering van De Afspraak (VRT) gaf VUB-experte Els Consuegra (die zelf haar kinderen in het Spaans opvoedt) een mooi voorbeeld van hoe de thuistalen van kinderen in een Brusselse meertalige school een troef voor het leren van het Nederlands kunnen betekenen, eerder dan een belemmering: de kinderen leerden over zon en maan. Ze kregen het huiswerk om thuis een tekening te maken van de zon en de maan en er de woorden voor beiden door hun ouders in hun eigen taal te laten opschrijven. De kinderen brachten hun tekening mee en mochten de termen in hun eigen taal trots vernoemen: dat vormde vervolgens de basis om ‘zon’ en ‘maan’ in het Nederlands te verankeren. Taalwetenschappers weten dat dit werkt: zo krijgen de Nederlandstalige woorden betekenis en ankers in het hoofd van de kleuter.

Ons kleuteronderwijs verdient een hoop ondersteuning. Het zal een samenwerking tussen alle betrokken partijen vergen om die optimaal vorm te geven. Ik kan alleen maar hopen dat beleidsbeslissingen in een open, constructieve communicatie gevoed mogen worden door evidence-informed inzichten die onderzoekers aandragen (veel onderzoekers!), en dat die inzichten op hun beurt vertaald worden in inspirerende klasmaterialen en – activiteiten door expert-materiaalontwikkelaars; ik kan alleen maar hopen dat de lerarenopleidingen en nascholingsinstellingen de nodige autonomie en vertrouwen krijgen om zoveel mogelijk studenten en leraren diezelfde evidence-informed kerninzichten te laten opdoen en de nodige praktijkcompetenties in de vingers te doen krijgen; en ik kan ook maar hopen dat we een open debat kunnen aangaan over de ‘uitwegen’ en weeffouten in ons onderwijssysteem en over creatieve, constructieve manieren om de groeiende talige en culturele diversiteit in de leerlingenpopulatie om te buigen tot een troef voor leren, eerder dan een vermeend struikelblok. Er zit meer in het Vlaamse onderwijssysteem: plus est en nous.
(Met dank aan Els Consuegra voor de fraaie illustratie)