Denkstimulerende gesprekken met jonge kinderen: eenvoudiger dan je denkt?

Er zijn steeds meer onderzoeken die aangeven dat de eerste levensjaren van kinderen erg belangrijk zijn voor de stimulering van hun denkvermogen. De aard van de gesprekken die kinderen met hun omgeving aangaan, heeft een sterke impact op de vroege ontwikkeling van hun denkvermogen. En dat heeft op haar beurt vér-strekkende en langdurige gevolgen, tot voorbij het secundair onderwijs. De onderstaande gespreksstrategieën, die allemaal tijdens alledaagse gesprekken met kinderen spontaan kunnen toegepast worden, blijken erg voedend te zijn voor het ontluikend denkvermogen van kinderen:

Voorbij het hier-en-nu: Verwijs in gesprekken met kinderen naar dingen die zich vroeger afspeelden (Bij oma kreeg je gisteren ook zo’n koekje, hé) of die zich later zullen afspelen (Wat wil je morgen graag doen?). Dat stimuleert het kinderbrein letterlijk en figuurlijk om verder dan het hier-en-nu te leren ‘zien’. Breid het onderwerp van gesprek ook spontaan uit naar zaken die zich ergens anders afspelen (Papa zit nu op de trein, straks is hij weer thuis).

Vergelijken: Vergelijk dingen, uitspraken, voorwerpen, mensen met mekaar (Janne is groter dan Seppe); vergelijk dingen in het hier-en-nu ook met dingen die daar niet zijn (Vind jij dit koekje lekkerder dan dat koekje dat we gisteren van die rare clown kregen?).

Wat als? Daag kinderen uit om te bedenken wat er zou gebeuren als….. Dat kan simpelweg aan de hand van dingen die zich voor hun neus afspelen (Oh, al de frietjes zijn op. Zullen we dat bakje ook nog opeten? Nee? Nee, hé, want dat is ni lekker, en dan worden we misschien ziek) of dingen die ze zelf doen (Als je daar zo hard op klopt, wordt het helemaal plat).

Doorvragen:  Vraag aan kinderen waarom ze iets leuk, lelijk, stom vinden (Waarom wil je niet naar buiten?).  Leg ook zelf uit waarom bepaalde dingen gebeuren, of waarom je bepaalde dingen doet en voelt (bijvoorbeeld waarom je hen straft, niet goed gezind bent…)

Hoe werkt?  Verwoord hoe simpele dingen werken (Gewoon aan het dopje draaien en dan gaat het flesje open) of hoe minder simpele, maar toch alledaagse dingen werken (nu doen we de zeep in het bakje, en dan zetten we de wasmachine op. Kijk goed, he! Nu begint het te draaien en dan komt de zeep in het water, en dan worden de kleertjes….. PROPER!)

Hoogopgeleide ouders en kleuterleidsters blijken deze gespreksstrategieën vaak toe te passen om het denken van hun kinderen te stimuleren. Zo sluiten ze dicht aan bij gespreksstrategieën die in schoolse interactie centraal staan. Vaak lees je dan ook in publicaties over opvoedingsondersteuning, taalstimulering en buitenschoolse opvang dat alle kinderen hiervan volop zouden moeten kunnen profiteren.  

Maar….. er zijn twee grote “maren” bij dit alles. De eerste “maar” is dat de bovenstaande gespreksstrategieën niet zo centraal mogen komen te staan dat het gesprek met het kind kunstmatig wordt. Voor kinderen is taal een middel om niet-talige dingen te bereiken en te doen die hen interesseren, motiveren, fascineren (een spel spelen, een nieuw stukje wereld ontdekken, met materiaal experimenteren…).  De bovenstaande gespreksstrategieën werken dus het allerbest als ze niet als een “must”  worden behandeld, maar natuurlijk voortvloeien uit een gesprek over een concrete situatie: als taal een middel is, en geen doel op zich wordt.

De tweede “maar” is de lastigste.  Deze gespreksstrategieën worden erg waardevol gevonden door mensen die het waardevol vinden om gedachten, gevoelens, opinies in taal te expliciteren. Veel jonge kinderen groeien echter op in culturen, subculturen en sociale milieus waar het net waardevol is om te zwijgen, om mekaar met heel weinig woorden te kunnen verstaan en dingen NIET te zeggen. In subculturen die minder op de individuele ontplooiing van kinderen zijn gericht, maar meer op het kind als lid van een hechte groep, wordt “alles in taal gieten” soms zelfs als verwaand en onnodig bestempeld. Kinderen die uit die subculturen komen, zullen op school of in de kinderopvang dus een nieuw taalspel moeten leren spelen, één dat ze niet automatisch als waardevol ervaren.  Wie wil dat deze kinderen dit taalspel meespelen, zal ervoor moeten zorgen dat ze écht het gevoel hebben dat er iets nieuws, interessants en waardevols te winnen valt, en zal er ook voor moeten zorgen dat die kinderen voor 200 procent het gevoel opbouwen dat ze er  echt mogen bij horen (bij die nieuwe groep) als ze het nieuwe taalspel helemaal meespelen. Interactieprocessen, zeker die met jonge kinderen, worden sterk gevoed door groepsgevoelens. En dat wordt vaak over het hoofd gezien…. Stof om over na te denken dus….

 

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s