10 factoren die de invloed van sociale achtergrond op schoolsucces vergroten

In veel landen, inclusief België, worden het schoolsucces van leerlingen en hun scores op toetsen (zoals de PISA-toetsen) in sterke mate bepaald door het opleidingsniveau van hun ouders. Hoe komt dat? Het opleidingsniveau van de ouders is niet de directe oorzaak van het schoolsucces van leerlingen, maar is blijkbaar wel een goede indicator om kans op schoolsucces te voorspellen. Hieronder lijsten we 10 factoren op waarvan wetenschappelijk onderzoek aangeeft dat ze verklarend kunnen zijn voor dit verontrustende patroon. Daarbij moet meteen worden opgemerkt dat het hier gaat over globale tendensen over grote groepen van leerlingen heen; het betekent dus niet dat elk individueel kind van hoog- of laagopgeleide ouders op precies dezelfde manier beïnvloed wordt door deze factoren.

  1. De breuk tussen thuismilieu en schoolmilieu: Op school wordt op een specifieke manier naar de wereld en naar kinderen gekeken. Zo wordt op school alles zoveel mogelijk in taal geëxpliciteerd, en wordt in die taal het “hier-en-nu” voortdurend overstegen. Op school wordt van het kind al snel een grote taakverantwoordelijkheid verwacht en wordt sterk ingezoomd op het individu dat zich moet ontplooien: eigen initiatief, eigen ideeën, eigen meningen moeten naar  boven komen. Die schoolse interactiecultuur en kijk op ontwikkeling kan danig verschillen van de thuiscultuur; dat verschil blijkt vooral groot te zijn in gezinnen met laagopgeleide ouders of ouders met een andere etnische origine: in plaats van individualisme staat in vele van deze gezinnen sociale groepsvorming centraal. In plaats van alles in taal te expliciteren wordt net het impliciete, het ongezegde gewaardeerd: wie dezelfde waarden deelt en goed overeenkomt, heeft maar weinig woorden nodig. Voor kinderen kan dat het gevolg hebben dat zij op school in een totaal andere wereld terechtkomen, en veel tijd nodig hebben om te leren participeren in een omgeving die er heel andere verwachtingen en interactiepatronen op nahoudt.
  2. Impulsen tot leren tijdens de eerste levensjaren : Er is steeds meer wetenschappelijk onderzoek dat aangeeft dat zogezegd “aangeboren talenten” slechts in beperkte mate écht aangeboren zijn, en dus voor de rest van je leven vastliggen. Met name de mate waarin kinderen tijdens hun eerste levensjaren sterke, sociale stimulansen krijgen om taalvaardigheden, denkvaardigheden, sociale vaardigheden te ontwikkelen blijkt een sterke impact te hebben op de ontwikkeling van het jonge brein. Er blijken heel wat verschillen tussen ouders te bestaan in de mate waarin ze tijdens de eerste levensjaren kinderen bewust stimuleren om hun denk- en taalvermogen te ontwikkelen (en dat op een manier die door de school wordt overgenomen). Maar zo ontstaan al snel (en zelfs nog voor het leerplichtonderwijs begint) grote verschillen tussen kinderen op het vlak van taal- en denkontwikkeling. Dit verklaart wellicht waarom voorschoolse en vroegschoolse stimuleringsprogramma’s (binnen de school, de opvang of in een vorm van opvoedingsondersteuning) zo vaak genoemd worden als een van de krachtigste maatregelen om de sociale ongelijkheid in het onderwijs te bestrijden. Zulke programma’s blijken zeer langdurige effecten te hebben op het onderwijssucces van kinderen van laagopgeleide ouders. Amerikaans onderzoek geeft aan dat elke dollar die hierin wordt geïnvesteerd meermaals wordt terugverdiend door het voorkomen van ongekwalificeerde uitstroom en het verhogen van de scholingsgraad van de bevolking.
  3. Het belang van huiswerk en thuis studeren: Naarmate het onderwijssucces van leerlingen afhankelijk is van huiswerk en thuis studeren, dreigt de sociale achtergrond van kinderen een grotere impact op dat onderwijssucces te hebben. Dat is logisch: leerlingen die thuis in ideale omstandigheden kunnen studeren (in een stille, rustige omgeving, zonder storend lawaai op de achtergrond) en die indien nodig uitleg kunnen vragen aan hun ouders, hebben een zware streep voor als het huiswerk en het thuis studeren voor toetsen en examens meetellen bij de uiteindelijke evaluatie en doorstroming van een leerling. Scholen moeten daarom fundamenteel nadenken over de functie van huiswerk en de rol van ouders daarbij. Thuis studeren kan (gedeeltelijk) vervangen worden door studie-uren op school, en door studiegroepen waarbij leerlingen mekaar helpen. En als kinderen een huiswerk moeten maken waarbij ze bepaalde stof zelfstandig moeten inoefenen en verwerken, en het kind vastloopt, is het net belangrijk voor de leerkracht om dat de volgende morgen te weten (wat impliceert dat ouders dus beter niet helpen, maar wel kunnen signaleren dat hun kind het huiswerk niet begreep).
  4. Taal, taal en nog eens taal: Zo zei Minister Vandenbroucke het een aantal jaar geleden, en dat had te maken met het feit dat alle onderwijs bijzonder talig is: leerkrachten gebruiken taal om de ontwikkeling van kennis, vaardigheden en attitudes te stimuleren, leerlingen moeten vaak in taal hun ‘kunnen’ etaleren. Wie de dominante instructietaal niet goed beheerst, krijgt het moeilijk in het onderwijs. Het is dan ook voor alle leerlingen, maar zeker voor de leerlingen die thuis minder impulsen krijgen om de schoolse variant van de dominante instructietaal te verwerven (en om daarin lees-, luister-, schrijf- en spreekvaardig te worden) van cruciaal belang dat de school een doorgedreven taalbeleid ontwikkelt, en doorheen het hele curriculum (niet alleen tijdens het vak Nederlands) aan die schoolse taalvaardigheid werkt. De school moet de taal onderwijzen die ze gebruikt; elke leerkracht moet bewust omgaan met de instructietaal die hij/zij hanteert.
  5. De evaluatiecultuur van de school: Reeds vanaf het eerste leerjaar worden leerlingen op hun prestaties beoordeeld (vaak met punten) en  worden daarbij met andere kinderen vergeleken. Leerlingen die het lastiger hebben om te wennen aan de schoolse omgeving en de schoolse manier van werken/interageren, verzeilen dus snel (nog voor ze echt geïntegreerd zijn in de schoolse omgeving) in de lagere regionen: ze doen het minder goed dan de anderen, ze behoren tot de ‘zwakkeren’. Het gevaar bestaat dat de kinderen zelf, en hun leerkrachten, dat beeld (onbewust) gaan internaliseren. Voor het kind kan dat het gevolg hebben dat het zelfvertrouwen verliest in het eigen leervermogen, en daardoor nog minder goed gaat presteren. Een vicieuze cirkel dreigt, energie voor leren dreigt verloren te gaan. Voor de leerkracht dreigt het gevaar dat haar verwachtingen ten opzichte van de ‘zwakkere leerlingen’ dalen, met mogelijke gevolgen voor haar vraagstelling, haar taakstelling en de uitdagingen (kansen tot leren) die ze aan deze leerlingen biedt. De vicieuze cirkel begint daardoor helemaal te draaien. Vandaar dat zoveel onderzoekers en pedagogen pleiten voor een grondig herzien van de evaluatiecultuur van de school: die moet veel meer gericht zijn op het geven van feedback die de leerling vooruithelpt bij het uitvoeren van bepaalde taken (helpende woorden eerder dan splijtende punten) en het vergelijken van leerlingen met zichzelf (eerder dan met anderen).
  6. Het moment van studiekeuze: Dit is het moment waarop in een onderwijssysteem de basisvorming die voor alle leerlingen gemeenschappelijk is structureel wordt doorbroken en de leerlingengroep ‘uiteenvalt’ in diverse groepen met een eigen profiel en een eigen onderwijsprogramma. Internationaal onderzoek geeft sterke aanwijzingen dat als dit moment relatief vroeg valt (bijvoorbeeld op de leeftijd van 12) de impact van sociale achtergrond op onderwijssucces hoger is dan wanneer dit moment wat later valt. Door het uitstellen van de studiekeuze blijven heterogene groepen langer bijeen, en kunnen minder sterke leerlingen zich optrekken aan de sterkere leerlingen; ook de vicieuze cirkel van hierboven (lagere punten leiden tot lagere verwachtingen en een verarmen van de onderwijsinhoud) kan daardoor worden voorkomen. Maar het uitstel van de studiekeuze is geen wonderoplossing op zich: ze vereist immers dat leerkrachten heel goed kunnen omgaan met de groeiende niveauverschillen in hun klas.
  7. De vaardigheid van leerkrachten om met verschillen om te gaan: Leerlingen leren niet hetzelfde op hetzelfde moment. Ze verschillen in voorkennis, leertempo, en hebben ondersteuning op hun niveau nodig. Het uitbouwen van een goede differentiatie-aanpak is wellicht een van de grootste uitdagingen voor elk schoolteam. Het vereist een flexibele omgang met groeperingsvormen, heterogene en homogene niveaugroepen, verregaande competenties van leerkrachten om leerprocessen te observeren en er gevat op in te spelen, een leerlinggericht feedbacksysteem, klasdoorbrekende en innoverende werkvormen, en remediëringsmaatregelen die verder gaan dan herhalen van dezelfde leerstof en zittenblijven. Er  moet dus tijdens de komende legislatuur niet alleen geïnvesteerd worden in bakstenen voor moderne schoolgebouwen, maar zeker ook in de bouwstenen voor een volwaardige professionaliseringscultuur voor leerkrachten. Verdere deskundigheidsbevordering rond het omgaan met verschillen moet structureel deel uitmaken van het leerkrachtberoep; leerkrachten moeten volwaardige kansen krijgen om zich via overleg, teambuilding, nascholing, training en coaching nieuwe inzichten op te doen en die uit te proberen in hun klassen.
  8. De sociale onderlaag van alle leerprocessen: Mensen zijn sociale beesten. Ze krijgen heel veel energie-voor-leren als ze daarmee sociaal voordeel kunnen doen. Dat verklaart grotendeels waarom jongeren zo spontaan Engels en sms-taal oppikken, zo constant aan het bijleren zijn op het vlak van sociale media…. We leren om bij een groep te horen. We doen veel moeite om iets bij te leren om er bij te blijven horen. Er zijn aanwijzingen uit onderzoek dat leerlingen van hoger opgeleide ouders meer kleine, subtiele signalen op school krijgen dat ze erbij horen. Veel van deze processen spelen zich op het onbewuste en haast onmerkbare niveau af: de intonatie van leerkrachten en directies, het soort vragen dat aan leerlingen wordt gesteld, het aantal keren dat ze mogen participeren tijdens klasgesprekken, de glimlachjes van de leerkracht, de bemoedigende woorden…. Maar als leerlingen uit andere milieus dan het milieu waaruit leerkrachten komen minder van dat soort ‘je-hoort-erbij-‘ signalen krijgen, zou dat een effect kunnen hebben op de positieve energie voor leren die bij hen (ook grotendeels onbewust) wordt losgeweekt. Ook de discussie rond het verbieden of tolereren van de thuistaal van niet-Nederlandstalige leerlingen hoort hierbij. Leerlingen laden meer energie-voor-leren op, en doen dus meer moeite, als ze het gevoel hebben dat ze sociaal kunnen winnen, als de groepsbindingsprocessen op school ook voor hén werken.
  9. De betrokkenheid en morele steun van ouders: Heel wat onderzoek geeft aan dat jongeren meer kans op onderwijssucces hebben als hun onmiddellijke omgeving hen aanmoedigt om hard voor school te werken, hun studies au serieux neemt, hen moreel ondersteunt als het moeilijk gaat. Case studies van kansarme jongeren van etnische minderheden die het ver schopten in het universitair onderwijs geven aan dat de morele steun van het thuisfront essentieel is. Het is dus van het grootste belang om ouders te blijven sensibiliseren rond de rol die ze hierbij kunnen spelen; het is daarbij ook belangrijk om ouders die minder vertrouwd zijn met het schoolse milieu goed te informeren over de regels en afspraken die op school gelden en die hun kinderen moeten respecteren.
  10. Toekomstperspectieven na de schoolcarrière: Jongeren zullen meer energie investeren in het behalen van een diploma als ze het vertrouwen hebben dat hen dat vooruithelpt bij het vinden van een goede job, en het opbouwen van een volwaardig en zeker bestaan. De kans is reëel is dat voor jongeren wiens ouders werkloos zijn of die niet het soort job hebben waarvan jongeren dromen, dat toekomstperspectief meer bedreigd wordt dan voor jongeren met ouders die erg succesvol zijn op de arbeidsmarkt.

De impact van sociale achtergrond op schoolsucces is complexe materie. In de media schreeuwen dat alle onheil te wijten is aan slechts één van de bovenstaande factoren, doet de waarheid geweld aan, en helpt ons geen stap vooruit bij het nadenken over oplossingen voor dit moeilijke, maar maatschappelijk bijzonder cruciale probleem.

Verder lezen?

Hattie, J. & G. Yates (2014). Visible learning and the science of how we learn. New York: Routledge.

OECD (2012), Equity and Quality in Education: Supporting Disadvantaged Students and Schools. Parijs: OECD

Petty, G. (2009). Evidence-based teaching: a practical approach. Cheltenham: Nelson Thornes.

Van den Branden, K. (2012). Sustainable education: basic principles and strategic recommendations. School Effectiveness and School Improvement, 23, 285-304.

Van den Branden, K., Van Houtte, M., & Van Avermaet, P. (Eds.) (2011). Equity and excellence in education: Towards maximal learning opportunities for all. New York: Routledge.

Wilkinson, R. & Pickett, K. (2009). The spirit level. Why equality is better for everyone. London: Penguin Books.

 

 

 

 

Advertenties

One thought on “10 factoren die de invloed van sociale achtergrond op schoolsucces vergroten

  1. Spijtig dat ideologieen de illusie koesteren dat toegeven dat hun visie onvolledig is gelijkstaat aan het verlies van controle en ultiem gelijk staat aan zwakheid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s