Dit opiniestuk, vandaag verschenen in De Standaard, werd mee ondertekend door Kaat Buelens (KU Leuven), Fien De Smedt (UGent), Lieve De Wachter (KU Leuven), Elke Peters (KU Leuven), Reinhilde Pulinx (UCLL), Jill Surmont (VUB), Esli Struys (VUB), Piet Van Avermaet (UGent), Hilde Van Keer (UGent), Maxime Van Raemdonck (UGent) en Wendelien Vantieghem (UGent). Het is een reactie op een opiniestuk van Wouter Duyck, Arnaud Szmalec, Dirk Van Damme en Wim Van den Broeck, waarin die zich geen voorstander tonen van het benutten van thuistalen in het onderwijs.
Als taal- en onderwijskundigen zijn we het roerend eens met Duyck e.a. (DS, 7 mei) dat alle leerlingen zo goed mogelijk Nederlands moeten leren. Meer zelfs, ieder van ons ijvert al jaren voor de kwaliteitsverhoging van het onderwijs in, en van, het Nederlands. Dat doen we door zelf onderzoek te doen en wetenschappelijke inzichten rond taalverwerving in begrijpelijke taal te verwoorden voor leraren. We reiken leraren ook ideeën aan over hoe ze die inzichten kunnen omzetten in didactische technieken. Veel van ons onderzoek focust op leerlingen die thuis in een andere taal dan het Nederlands worden opgevoed.
Bijna 30% van de leerlingen in ons basisonderwijs groeien op in een gezin waar het Nederlands niet de dominante thuistaal is. Dat wil niet zeggen dat daar geen Nederlands aanwezig is: in veel gevallen kijken de kinderen (ook) naar Nederlandstalige media of spreken ze Nederlands met broers en zussen. Hun thuistaalsituatie is spontaan meertalig. Als ze een Nederlandstalige videoclip bekijken en een woord tegenkomen dat ze niet begrijpen, grijpen ze soms naar een snelle vertaling die een broer of zus, of de digitale omgeving hen aanreikt. Net zoals ieder van ons dat doet als we in het buitenland op vakantie zijn of vastlopen bij het bekijken van een demonstratievideo in het Engels.
In de klas lopen deze kinderen vaak vast op het Nederlands dat door leraren gebruikt wordt en dat in handboeken voorkomt. Leraren trachten met illustraties, voorbeelden, armen en benen die lastige termen toegankelijk te maken, en doen dat in het Nederlands. Ons onderzoek toont aan dat een groeiend aantal leraren in scholen met een hoog percentage niet-Nederlandstalige leerlingen worstelen met de vraag: hoe gaan we met de meertaligheid van onze leerlingen om? Biedt het meerwaarde om, mits duidelijke afspraken, de leerlingen in het taalbad Nederlands af te toe een druppeltje thuistaal te laten gieten? Duyck en collega’s tonen zich er geen voorstander van: ze zijn niet overtuigd van de mogelijke meerwaarde. Wij pleiten wél voor het slim benutten van het talige repertoire van de leerlingen. Anders dan Duyck en co beweren, betekent dat niet dat we pleiten voor een systematisch en consistent ‘thuistaalonderwijs’ in het Arabisch of Oekraïens. Het debat over meertaligheid in het Vlaams onderwijs verdient meer nuance. Het is geen kwestie van alles of niets, van de ene taal ten koste van de andere.
Het voorbeeld dat Els Consuegra in De Afspraak (VRT) gaf, spreekt boekdelen. Ter voorbereiding van een project rond de ruimte wordt kleuters in een Brusselse Nederlandstalige school gevraagd om thuis met hun ouders over de ruimte te praten en een tekening te maken met daarop de woorden voor ‘zon’ en ‘maan’ in hun eigen taal. Vol trots brengen de kleuters de tekeningen mee en verbinden de Nederlandstalige termen met die in hun thuistaal (‘luna’, ‘sol’). Zo worden in het kinderhoofd de Nederlandstalige woorden verankerd met concepten en woorden die al in het brein aanwezig zijn en voelen de kleuters zich tegelijkertijd nog meer thuis op school. Meerdere meta-analyses tonen aan dat een vertaling van een nieuw woord opzoeken in de eigen taal of die aan een klasgenootje vragen bijzonder efficiënt en effectief is om woordenschatuitbreiding in de instructietaal te stimuleren. Bovendien wordt in het voorbeeld de betrokkenheid van de ouders bij het klasgebeuren verhoogd. Voor Duyck en collega’s is die brug naar andere talen blijkbaar een brug te ver. En dat terwijl het hier over amper een handjevol termen gaat, 5 minuten in een volledig Nederlandstalige klasdag van 8 uur.
Leraren hebben geen nood aan polarisering of simplistische analyses waarin onderwijssucces uitsluitend door (thuis)taal wordt bepaald. Ze weten wel beter. Ze hebben nood aan ondersteuning. Ze zijn gebaat bij heldere en haalbare adviezen. Ons advies (en ook dat van de Raad van de Nederlandse Taal en Letteren) luidt als volgt. Maak met leerlingen zeer duidelijke afspraken over de momenten waarop ze hun thuistaal als een hulplijn mogen inzetten en wanneer niet. Ga respectvol om met de thuiscultuur en thuistaal van de leerlingen. Informeer je over de meest effectieve manieren om de taalverwerving Nederlands van leerlingen te verhogen. Moedig ouders aan om thuis gesprekken met hun kinderen te voeren, verhalen te vertellen en prentenboeken voor te lezen, in alle talen waarin ze dat kunnen. En ja, maximaliseer de interactie in het Nederlands door rijke gesprekken aan te knopen in het Nederlands met elke individuele leerling. Om dat laatste mogelijk te maken, vragen onze kleuterleraren om meer omkadering en assistentie in de klas. Dat ondersteunen we. Meer armen en benen in de Nederlandstalige klas, en meer talen als dat functioneel is.