Wat vinden leerlingen van het vak Nederlands in het secundair onderwijs?

In haar masterscriptie voor de opleiding Taal- en Letterkunde (Faculteit Letteren KU Leuven) heeft Rozelien Wouters onderzocht wat leerlingen van het vijfde jaar secundair onderwijs vinden van het vak Nederlands dat ze aangeboden krijgen. In totaal vulden 237 leerlingen (gespreid over talenrichtingen en andere richtingen) de online survey in die ze hiervoor ontwikkelde en verspreidde. De survey bevatte zowel open vragen als vragen op basis van uitspraken met Likert-schalen. Daarnaast voerde Rozelien focusgroepgesprekken met groepjes van telkens vier leerlingen om dieper op de survey-antwoorden in te gaan.

De resultaten zijn gemengd. De overgrote meerderheid van de respondenten (rond 90%) ervaren het vak Nederlands als “nuttig”. De leerlingen hebben sterk het gevoel dat ze in het vak Nederlands dingen leren die hen voorbereiden op het hoger onderwijs (zoals teksten samenvatten, presenteren, verwerven van academische woordenschat). In mindere mate geldt die nutswaarde voor het leren van dingen die belangrijk zijn in het dagelijks leven of in andere vakken van het curriculum van de secundaire school. De leerlingen vinden het nochtans erg belangrijk dat het vak Nederlands hen degelijk voorbereidt op het uitvoeren van taaltaken in het echte leven.

Meer specifiek vindt de grote meerderheid van de leerlingen dat er in het vak Nederlands voldoende aandacht aan schrijfvaardigheid (met name het schrijven van heldere, doelgerichte, correcte teksten) wordt besteed. Toch valt in de open vragen en focusgroepen op dat leerlingen meer aandacht vragen voor generatieve AI en voor creatief schrijven. Heel wat respondenten vragen ook nog meer aandacht voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van informatie in teksten. Voor de mondelinge vaardigheden liggen de tevredenheidsscores lager: een vijfde van de leerlingen vindt niet dat er voldoende aandacht wordt besteed aan het leren voeren van gesprekken. Ook in de focusgroepgesprekken vragen de groepen meer aandacht voor spreekvaardigheidsonderwijs. Dat resultaat trekt zich door naar het literatuuronderwijs: de overgrote meerderheid van de leerlingen vindt weliswaar dat ze in de lessen Nederlands over literatuur leren en literaire teksten leren analyseren, maar de scores zijn lager als het gaat om het leren verwoorden van de eigen interpretatie van de tekst en het samen discussiëren over literaire teksten. De dialogische literatuurdidactiek lijkt dus nog niet volledig te zijn doorgebroken.

In tegenstelling tot de zeer hoge scores rond de nutswaarde van het vak Nederlands, vindt de helft van de leerlingen het vak (eerder of helemaal) niet interessant, noch motiverend. Opvallend lage scores worden opgetekend als (a) aan de leerlingen wordt gevraagd of er achter het vak Nederlands een echte wetenschap zit en (b) die taalwetenschap voldoende aan bod komt in de lessen Nederlands. Slechts een vijfde van de respondenten associeert het vak Nederlands met een wetenschap. In de open vragen geven respondenten aan dat ze het wetenschappelijke aspect van de taal missen en dat er meer aandacht aan de verschillende takken van de taalkunde moet besteed worden; ook in de focusgroepgesprekken wordt benadrukt dat meer aandacht voor interessante inzichten uit de taalwetenschap het vak interessanter kan maken. Rond 60% van de leerlingen gaat bijvoorbeeld niet akkoord met de stelling dat ze in het vak Nederlands leren hoe kinderen en volwassenen een taal verwerven, en dat ze in het vak Nederlands over taalpolitiek (bv. de Belgische taalpolitiek) leren. De meerderheid van de respondenten vindt niet dat er voldoende aandacht gaat naar het leren over andere talen en culturen tijdens het vak Nederlands. De lage scores rond “Nederlands als wetenschap” en “Nederlands als interessant vak” worden weerspiegeld in het lage percentage van respondenten dat overweegt om een opleiding in het hoger onderwijs te volgen waarin de studie van het Nederlands centraal staat. In dit verband is het overigens erg opvallend dat meer dan 80% van de leerlingen helemaal of eerder akkoord gaat met de stelling: “Ik heb het gevoel dat leerlingen eerder worden gemotiveerd om voor andere richtingen te kiezen dan taal in het hoger onderwijs (bijvoorbeeld geneeskunde, biologie of economie).”

De meerderheid van de respondenten toont zich tevreden met de leermaterialen die hen ter beschikking worden gesteld, al voegen sommigen hier (in de open vragen of focusgroepgesprekken) aan toe dat dat geldt voor de zelfgemaakte cursus van de leraar, eerder dan voor de invulboeken.   

Op de bovenstaande resultaten heeft onderwijsvorm een zekere invloed. Leerlingen uit de doorstroomrichting laten vrij systematisch hogere tevredenheidsscores optekenen dan leerlingen uit de dubbele finaliteit. Respondenten die een studierichting met een sterke talencomponent volgen, geven hogere tevredenheidsscores dan de andere respondenten, meisjes hogere scores dan jongens. De variabele ‘moedertaal’ heeft slechts op een beperkt aantal stellingen een invloed: zo vinden leerlingen die thuis niet in het Nederlands zijn opgevoed, het vak Nederlands moeilijker dan degenen die Nederlands als moedertaal hebben verworven.

Op basis van al haar onderzoeksresultaten formuleert Rozelien Wouters de volgende aanbevelingen (ik vermeld ook de argumenten die ze daarbij aanhaalt):

1) Maak de relevantie van het schoolvak voor het dagelijks leven explicieter. Veel leerlingen beschouwen de voorbereiding op het dagelijks leven als de belangrijkste taak van het vak, maar zien deze link momenteel niet in.

2) Besteed meer aandacht aan het beoordelen van de betrouwbaarheid van informatie. In onze huidige samenleving waarin een veelheid aan informatie te vinden is, is dit een essentiële vaardigheid. Voor de helft van de leerlingen komt dit op dit moment niet genoeg aan bod in het schoolvak.

3) Integreer meer spreekkansen binnen het vak Nederlands. Uit de kwalitatieve data blijkt namelijk dat leerlingen momenteel oefeningen rond spreekvaardigheid missen. Door de leerlingen vaker aan het woord te laten, voor de klas of in groep, kan hun spreekangst verminderen en de competentie groeien.

4) Bij het oefenen van de verschillende vaardigheden kan er meer ingespeeld worden op creativiteit. Een deel van de leerlingen mist momenteel het creatief denken in het vak. Op die manier kan de interesse van de leerlingen verhoogd worden.

5) Laat de leerlingen kennismaken met verschillende takken van de taalkunde. Sociolinguïstische thema’s, zoals het verschil in taalgebruik tussen mannen en vrouwen, achten ze relevant. De integratie van taalkunde kan het wetenschappelijke karakter van het vak opkrikken en tegelijkertijd de interesse in het vak bij leerlingen verhogen.

6) Vul het vak evenwichtiger in. Behoud de sterke aandacht voor literatuur, maar integreer ook genoeg vaardigheden, taalkunde en andere aspecten van de taal. Een groot deel van de leerlingen vindt namelijk dat er op dit moment te weinig ruimte is voor variatie.

7) Maak in het vak Nederlands ruimte voor bewustmaking over artificiële intelligentie. Zo kan er aangeleerd worden hoe ze AI op een ethische en verantwoorde manier als schrijfhulp kunnen gebruiken.

Bron:

Wouters, R. (2026).  De toekomst van het vak Nederlands. Hoe staan leerlingen uit het vijfde middelbaar anno 2026 tegenover het onderwijs Nederlands dat ze op dit moment aangeboden krijgen? Masterscriptie Taal- & Letterkunde, Faculteit Letteren, KU Leuven.

Een gedachte over “Wat vinden leerlingen van het vak Nederlands in het secundair onderwijs?

  1. ‘Belgische taalpolitiek’, wat moet ik mij daarbij voorstellen?

    Met een ervaring – o.m. bij Infrabel en in het politieke debat – denk ik dan aan het dogma dat Franstaligen die zich in Vlaanderen vestig(d)en of er actief zijn, nooit mogen verplicht worden om ook het Nederlands te leren of te beheersen. En dan botst zo’n eentalig-Franstalige machinist op de lijn van luik naar Maastricht op de NS die vaststelt dat die brave man niet met hen kan communiceren, waarna de NS de elektiricteit op zijn spoor afschakelt en hem door de marechaussée laat arresteren – want een reêel en totaal onverantwoord en perfect vermijdbaar gevaar, met risoco van mensenlevens.

    Bij het dodelijke accident in Pécrot speelde diezelfde onverdraagzaamheid vanuit bepaalde Franstalige kringen én de subassertiviteit van niet weinig Vlaamse trado’s ook één reële rol.

    Of op een ander vlak, de eindeloze excuses die bepaalde lui aanhalen om géén verregaande verwachtingen te mogen koesteren t.a.v. anderstaligen die zich in Vlaanderen vestig(d)en, noch minimale redelijke eisen die we hen zouden mogen stellen.

Plaats een reactie