Vlaamse Toetsen 2024: het moment dat écht telt, moet nog komen…

De resultaten van de Vlaamse Toetsen 2024 (voor Nederlands en Wiskunde) zijn bekend: omdat ze de allereerste zijn, kunnen ze beschouwd zijn als een nulmeting, want vanaf nu krijgen we jaarlijks nieuwe metingen. Zo zullen de huidige resultaten van het vierde leerjaar lager onderwijs diepere betekenis krijgen in 2026, als diezelfde leerlingen in het zesde leerjaar zitten: dan kunnen we nagaan of ze de eindtermen behalen en in welke mate ze leerwinst of vooruitgang hebben geboekt.

Op basis van de informatie waarover we beschikken, lijdt het weinig twijfel dat de toetsen met dezelfde ernst, discipline en vakmanschap zijn ontwikkeld als de PISA-, PIRLS- en peilingstoetsen. Ik laat me niet uit over de wiskunderesultaten (ik ben geen wiskunde-expert), maar over begrijpend lezen kan ik meepraten. De resultaten liggen in de lijn van wat we al wisten uit de PISA en PIRLS-metingen: weinig toppresteerders, en vooral een verontrustend aantal leerlingen die onder de lat scoren (in de B-stroom haalt 26% de absolute minimumlat van de eindtermen basisgeletterdheid niet). Nu we de cijfers hebben, nadert het echte moment van de waarheid: het moment van de actieve opvolging van de resultaten, het moment waarop, zowel op schoolniveau als op systeemniveau, beleid en kwaliteitszorg moeten ontwikkeld worden om de resultaten op termijn gevoelig te verbeteren. Dat is wat écht telt. De kwaliteit van het onderwijs gaat niet omhoog louter door (gestandaardiseerde) toetsen af te nemen. Die toetsen laten allerlei bellen afgaan van de sensoren die aan de patiënt hangen, maar de patiënt wordt niet beter van die belletjes.

Toetsresultaten vormen idealiter het startpunt voor schoolverbetering. Wie A (Assessment) zegt, moet B (Beleid) zeggen. Dan levert toetsing op. In september krijgen schoolteams van het Steunpunt Centrale Toetsen in Onderwijs feedback over hoe hun leerlingen (onder andere in vergelijking met scholen met een gelijkaardige leerlinginstroom) hebben gepresteerd. Dat zet die schoolteams dan hopelijk aan om beleid te voeren: samen als team de resultaten bekijken, interpreteren en contextualiseren (dus plaatsen in het bredere evaluatiebeleid van de school), samen de moed opbrengen om het huidige onderwijs in de eigen school kritisch te bekijken, samen bijsturen en acties ter verbetering ontwerpen en uitvoeren, en wat goed is, behouden en consolideren. Schoolteams verdienen daarbij de steun van iedereen die hen kan helpen: Leerpunt, pedagogische begeleidingsdiensten, onderzoekers, lerarenopleiders… Zoals de Taalraad het altijd weer benadrukt: enkel door intense samenwerking tussen alle onderwijspartners gaat het vooruit.

En dat brengt mij bij het onderwijsbeleid van de Vlaamse regering. Ook die staat dus voor een moment van de waarheid. Van de nieuwe minister van onderwijs mag een samenhangend en gericht plan verwacht worden rond de kwaliteitsverbetering van ons onderwijs. Een plan dat focust op maximale leerkansen voor elke leerling: een plan met aandacht voor de risicogroep van leerlingen die als laaggeletterden het leerplichtonderwijs dreigt te verlaten (en daardoor meer kans op werkloosheid en kansarmoede maakt), én voor het uitbreiden van de groep toppresteerders. Het een sluit het ander niet uit, andere landen tonen dat genoegzaam aan. De analyses die het Steunpunt momenteel nog aan het uitvoeren is, kunnen daarbij inspirerend zijn: Welke schoolpraktijken hangen samen met vlot allerlei teksten kunnen begrijpen en wiskundige problemen kunnen oplossen? En wat doen scholen met een kwetsbaarder leerlingenpubliek die het beter doen dan verwacht?

Berusten, daar kopen we niks mee. Denken dat het probleem zichzelf vanzelf zal oplossen, ook niet. Zwarte pieten uitdelen op basis van toogpraatanalyses: zielig en contraproductief. Neen, wat we nodig hebben is coherent, samenhangend, verbindend onderwijsbeleid waarin alle partners (dus ook de culturele sector, de welzijnssector en de ouderverenigingen) een bijdrage leveren die aansluit bij hun engagement en expertise. Met als ultieme focus: de expertise van de leraar ondersteunen. De leraar ondersteunen. De leraar ondersteunen. Ik kan het niet genoeg herhalen.

https://www.vlaanderen.be/onderwijs-en-vorming/vlaamse-toetsen/info-voor-directies-en-personeel/feedback-voor-scholen/de-resultaten-begrijpen

Eureka! De Vlaamse jeugd scoort goed voor PISA-test creatief denken

Absolute top in Europa, dat is de Vlaamse jeugd voor creatief denken, althans volgens de eerste peiling daarvan door OESO in haar PISA-toetsen voor 15-jarigen. Op wereldschaal scoren slechts 5 landen nog hoger dan Vlaanderen (Singapore, Zuid-Korea, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland). Creatief denken, een van de sleutelcompetenties van de 21ste eeuw, wordt in PISA gedefinieerd als de competentie van leerlingen om zich productief bezig te houden met het bedenken, evalueren en verbeteren van ideeën die kunnen leiden tot originele en effectieve oplossingen, vooruitgang in kennis en impactvolle uitingen van de verbeeldingskracht. Het gaat bij PISA om de kleine “c”: dus niet zozeer de creativiteit die leidt tot gigantische doorbraken in de wetenschappen of tot artistieke meesterwerken, maar wel de creativiteit die mensen in het dagelijks leven helpt om kleine en iets grotere problemen op te lossen. Deelvaardigheden van deze kleine “c” zijn: verschillende ideeën kunnen bedenken, creatieve ideeën kunnen bedenken, of bestaande ideeën kunnen evalueren en verbeteren.

Op een schaal op 60 is de gemiddelde score van leerlingen in Vlaanderen 35. Over de OESO-landen heen wordt een positief verband gevonden tussen de prestaties op creatief denken en de kerndomeinen (wiskunde, lezen en wetenschappen), maar een minder sterk verband dan dat tussen de drie kerndomeinen. Dit suggereert dat creatief denken een andere set van vaardigheden omvat dan wiskunde, lezen en wetenschappen. Ergens lijkt dat logisch: creatief denken gaat immers om “anders” naar de dingen durven kijken, “out of the box”, terwijl presteren op wiskunde, lezen en wetenschappen (zeker in gestandaardiseerde testen) vaak draait om het kunnen presteren binnen een bepaalde “box”.

Het is overigens niet allemaal rozengeur en maneschijn: ook voor deze peiling scoren niet-Nederlandstalige leerlingen, leerlingen met een migratieachtergrond en leerlingen uit sociaal kwetsbare gezinnen significant minder goed. Het aandeel toppresteerders (in Vlaanderen 34% van de leerlingen) is het hoogst in het ASO; TSO en KSO nemen een middenpositie in en het aandeel toppresteerders is het laagst in het BSO. Zo wijst ook dit onderzoek op de noodzaak van een echt nieuw elan voor een gelijke-onderwijskansenbeleid in Vlaanderen (of zo u wil, een maximale-leerkansenbeleid voor alle leerlingen). Een creatief gelijke-onderwijskansenbeleid, zou ik zo zeggen….

Bron?

Staatspedagogiek op de speelplaats?

De krant De Standaard meldde gisteren dat de 3 partijen die wellicht samen een nieuwe Vlaamse regering zullen vormen (NVA, Vooruit en CD&V) het in hun onderwijsprogramma’s over het volgende eens zijn: kinderen mogen op de speelplaats alleen nog Nederlands praten.

Ik stel voor dat die beslissing wordt overgelaten aan de schoolteams en schoolbesturen. Pedagogische autonomie, nietwaar?

Voor alle duidelijkheid: de meeste schoolteams in Vlaanderen dringen momenteel sterk op aan op het gebruik van het Nederlands op de speelplaats, dat toont het beschikbare onderzoek. Maar er zijn ook schoolteams (vaak in onze centrumsteden) die vanuit hun eigen pedagogisch project hun leerlingen de ruimte laten om op de speelplaats eender welke taal (inclusief hun moedertaal) te spreken. Dat doen die schoolteams vanuit verschillende bekommernissen. Ten eerste, speelplaats is speeltijd: de leerlingen mogen even stoom aflaten, chillen en chatten, zich ontspannen, lachen, en dat mag dan ook in hun moedertaal of het Engels. Ten tweede, internationaal en Vlaams onderzoek toont aan dat het welbevinden van leerlingen op school stijgt als de school ergens (bv. op de speelplaats) een beetje ruimte laat voor het gebruik van thuistalen. Er zijn scholen die dat één dag per week op de speelplaats toelaten (bv. vrijdag talendag), andere 5 op 5. Ten derde, de maatregel is verdomd moeilijk te controleren: moet je als toezichthoudende leerkracht gesprekken op de speelplaats afluisteren? En betekent dat dan ook dat leerlingen alleen Nederlands op hun gsm mogen gebruiken tijdens de speeltijd, hun lesjes Frans niet meer mogen inoefenen op de speelplaats of de nieuwste hit van Taylor Swift brullen?

Als beleidsmaatregel heeft Nederlands verplichten op de speelplaats een zeer hoge symboolwaarde. Het toont de buitenwacht dat de Vlaamse regering bekommerd is om de taalvaardigheid Nederlands van de jeugd en de positie van het Nederlands in de maatschappij. De symboolwaarde is zo hoog dat ze de aandacht kan afleiden van beleidsmaatregelen die écht nodig zijn in het onderwijsveld: bijvoorbeeld, maatregelen die schoolteams ondersteunen om aan alle leerlingen hoog-kwalitatief onderwijs Nederlands in de klas te bieden. Daarvan ben ik al decennia voorstander én pleitbezorger, en op dat vlak is de speeltijd al lang voorbij. De symboolwaarde van verplicht Nederlands op de speelplaats heeft ook een keerzijde: voor een deel van het onderwijsveld kan deze maatregel overkomen als een indicatie dat de overheid zich met steeds meer aspecten van het pedagogisch project van scholen wil bemoeien.

Nuance is overigens aan de orde. Nederlands niet verplichten op de speelplaats betekent niet dat je als schoolteam niet kan stimuleren dat leerlingen in hun onderlinge contacten Nederlands gebruiken. Nogmaals, laat schoolteams daar vanuit hun context, hun pedagogisch project en hun taalbeleid vorm aan geven. Er zijn schoolteams die hun leerlingen daar inspraak in geven: zo komen ze samen tot sterk gedragen afspraken. En overigens, een meertalenbeleid op de speelplaats hoeft niet te betekenen dat er in de klas geen strakkere regels rond het gebruik van Nederlands kunnen bestaan.

Ik ben opgegroeid in een Vlaanderen dat trots was op de meertaligheid van haar bevolking. Die periode ligt blijkbaar al een tijdje achter ons….

Als Chris Janssens (Vlaams Belang) op tv zegt dat “LGBTQ” op geen enkele leeftijd moet onderwezen worden op school en dat leerlingen daarentegen met “ABCDE” moeten bezig zijn…

betekent dat dan:

  • dat leerlingen op geen enkele leeftijd op school moeten leren dat discriminatie op vlak van seksuele geaardheid door de grondwet van ons land en in de Europese grondrechten verboden is?
  • dat alle adolescentenromans en literaire werken die seksuele diversiteit en geaardheid als thema hebben, moeten verwijderd worden van de leeslijsten van de talenvakken en niet meer expliciet mogen besproken worden tijdens literatuurlessen?
  • dat scholen niet langer een actief anti-pestbeleid mogen voeren als sommige van hun leerlingen gepest worden omwille van hun seksuele geaardheid?
  • dat in de lessen godsdienst, geschiedenis en maatschappelijke vorming (om die voorbeelden te nemen) niet meer expliciet moet of mag ingegaan worden op hoe godsdiensten, regeringen, gemeenschappen in het heden en verleden met seksuele diversiteit omgaan of omgingen?
  • dat leerlingen over dat thema in geen enkele les in gesprek of discussie met elkaar (moeten) gaan?
  • dat de lessen seksuele opvoeding op school geen verwijzingen naar relatievorming hoeven in te houden?
  • dat leerlingen op de speelplaats geen expliciete gesprekken over seksuele geaardheid mogen hebben?
  • dat er nog een lijst van andere onderwerpen bestaat die ook niet meer expliciet mogen onderwezen worden, op geen enkele leeftijd?

Ik zou graag het antwoord op al deze vragen kennen. Ik vermoed dat veel leerplanontwikkelaars, leraren, directies, uitgeverijen, toetsontwikkelaars, ouders en leerlingen dat ook willen weten. Want leerlingen moeten op school veel, veel meer leren dan “abc”….

Over de stevige impact van armoede- en kinderopvangbeleid op het Vlaams onderwijsbeleid

Wat heeft het Vlaams armoedebeleid te maken met onderwijsbeleid? En wat hebben de maatregelen van de Vlaamse regering rond de subsidiëring van de kinderopvang met het Leesoffensief te maken? Zeer veel (bis).

Armoede, dus. Wim Van Lancker (KU Leuven) berekende dat het heroriënteren van de kinderbijslag ( het “Groeipakket” van de Vlaamse overheid) de armoede in Vlaanderen met 35% kan terugdringen, en dat zonder verhoging van het budget. Dat zou dus betekenen dat, in vergelijking met nu, een significant aantal kinderen niet langer in armoede opgroeit. Armoede heeft een nefast effect op onderwijskansen, dat is wetenschappelijk aangetoond. Kinderen die in armoede opgroeien, hebben meer kans om met honger op school te zitten, en dat vreet – letterlijk – energie bij die kinderen weg om zich te concentreren en tot leren te komen. Kinderen die in armoede opgroeien, lopen bovendien meer risico op stress en slechte gezondheid (allebei slecht voor leerprocessen). Hun ouders hebben meer kans om zo sterk in overlevingsmodus gedrongen te worden dat hun betrokkenheid bij de schoolloopbaan van hun kinderen noodgedwongen vermindert. Veel kinderen in armoede leven in penibele woonomstandigheden, waar rustig huiswerk maken en studeren voor school niet vanzelfsprekend zijn. Kinderarmoede krachtdadig terugdringen is onderwijskansen bevorderen. Armoedebeleid is onderwijsbeleid, moet daar nog een tekening bij?

Nog eentje. De Vlaamse regering kreeg recent uit diverse hoeken kritiek omdat ze de regeling rond de subsidiëring van kinderopvang wijzigde: wie werkt (met twee), zal voorrang krijgen. Daardoor krijgen alleenstaande moeders en kwetsbare gezinnen het moeilijker om een van de schaarse plaatsen in de kinderopvang te bemachtigen. Als de Vlaamse regering het op die manier moeilijker maakt voor bijvoorbeeld laaggeschoolde, niet-Nederlandstalige ouders die werkloos zijn of slechts deeltijds willen werken om hun kind toe te vertrouwen aan de kinderopvang, dan betekent dat dat diens kind minder kans krijgt op toegang tot een Nederlandstalige omgeving waarin wordt voorgelezen en gespeeld in het Nederlands. Dan dreigt deze maatregel die een contraproductief effect te hebben op de maatregelen die de minister van Onderwijs neemt om de ontluikende geletterdheid van peuters, en dus de latere leesvaardigheid van leerlingen, op te krikken.

Van schoolteams wordt gevraagd dat ze vakoverstijgend aan taalbeleid werken; mag dan van een regering ook niet gevraagd worden dat ze vakoverstijgend aan onderwijsbeleid werkt? Zo vlak voor de verkiezingen, pleit ik voor een consistent en transversaal onderwijsbeleid in Vlaanderen. Een beleid dat verder kijkt dan de maatregelen die op een kabinet Onderwijs worden genomen. Een beleid dat consistent aftoetst of bepaalde maatregelen in andere departementen de onderwijsbeleidsmaatregelen niet tegenwerken of neutraliseren. Zo’n transversaal en consistent beleid is gewoon goed beleid. Het ziet – en communiceert – verder dan de eigen neus en de eigen score. Het ziet – en communiceert verder dan: “ik heb 400.00 euro vrijgemaakt” als de vraag wordt gesteld: Beste minister, wat gaat u daaraan doen?