Leiden digitaal lezen en audioboeken tot zwakkere leesprestaties?

Mijn naaste collega Marieke Vanbuel (UGent/KU Leuven) consulteerde voor een boek dat we samen schrijven de onderzoeksliteratuur rond lezen op scherm en op papier. Met de opkomst van smartphones, tablets en e-readers lezen mensen steeds vaker teksten op een scherm. Ook audioboeken winnen steeds meer aan populariteit. De sprookjes van de gebroeders Grimm of Harry Potter in je oren, of ‘En ze leefden nog’ voorgelezen door Elisabeth Lucie Baten herself? Volgens enthousiaste fans is het een goede manier om kinderen en jongeren van verhalen te leren houden, volgens criticasters zijn al die digitale tools mee verantwoordelijk voor de dalende leesvaardigheid van onze kinderen. Is lezen op een scherm en/of luisteren naar audioboeken echt schadelijk voor ons leesbegrip en de leesontwikkeling van kinderen? En geldt dat voor alle types van lezers?

Leidt digitaal lezen tot slechter begrip dan lezen op papier?

Verschillende meta-analyses wijzen uit dat mensen teksten beter begrijpen wanneer ze die op papier lezen in plaats van op een scherm[i]. Dat is vooral zo bij informatieve teksten, die vaak langer en complexer zijn qua structuur en zinsbouw, en meer abstracte woorden bevatten dan verhalende teksten. De verschillen zijn eerder klein, maar ze worden steeds opnieuw teruggevonden bij zowel jonge kinderen als oudere lezers.

Daar zijn ook een aantal verklaringen voor gevonden. Onderzoek keek behalve naar de leesprestaties of het leesbegrip ook naar het leesproces, en vond dat een tekst lezen op een scherm gemiddeld langer duurt dan op papier[ii].  Vooral in situaties waarin kinderen onder tijdsdruk moeten lezen (bv. een toets) kan lezen op een scherm daardoor negatieve gevolgen hebben voor tekstbegrip. Wanneer ze daarentegen voldoende tijd hebben om de tekst te lezen, is het verschil in tekstbegrip tussen lezen op een scherm of op papier verwaarloosbaar. Ander onderzoek vond dan weer alleen langere leestijden voor teksten waarin ook afbeeldingen voorkwamen[iii]. Dat komt omdat teksten met afbeeldingen of grafieken een extra stap in het leesproces vragen: leerlingen moeten niet alleen informatie halen uit de tekst, maar ook uit de afbeelding en de beide integreren. Dat belast hun kortetermijngeheugen.

Lezen op een scherm kan bovendien tot zogenaamde ‘calibratieproblemen’ leiden: Lezers blijken hun eigen leesprestaties steevast minder goed te kunnen inschatten wanneer ze een tekst op een scherm lezen dan wanneer ze diezelfde tekst lezen op papier. Mogelijk is hun leesprestatie daardoor minder hoog dan op papier.

Nog wel even opmerken dat we er bij alle bovenstaande vaststellingen van uitgaan dat lezers die digitaal lezen niet afgeleid worden door andere apps of prikkels die op hetzelfde toestel aanfloepen, maar hun aandacht bij hun digitale tekst houden…

Wat zijn de effecten van voorleessoftware op het leesbegrip van dyslectische leerlingen?

Leerlingen met leesproblemen zoals dyslexie kunnen in de meeste scholen gebruikmaken van voorleessoftware. De meeste onderzoeken tonen overtuigend aan dat de voorleessoftware hen wel degelijk helpt: ze behalen betere scores op leestoetsen[iv]. De voorleessoftware  helpt hen om de tekst technisch vlotter te lezen, waardoor er meer ruimte is in hun kortetermijngeheugen voor tekstbegrip.

Wat zijn de effecten van audioboeken op leesbegrip?

Onderzoekers[v] van de universiteit van Maryland in de VS bestudeerden de resultaten van 32 onderzoeken waarin werd onderzocht hoeveel kinderen begrepen van verhalen na het lezen van teksten op papier of op een scherm, of na het luisteren naar audioboeken. In het merendeel van de studies werden audioboeken gecombineerd met geprinte teksten, wat een echte vergelijking tussen de effecten van audioboeken versus leesboeken moeilijk maakt. De onderzoekers vonden positieve effecten van audioboeken op tekstbegrip: audioboeken hielpen leerlingen om de teksten beter te begrijpen, zeker bij jonge lezers. Vooral voor leerlingen voor wie lezen moeilijk ging, en voor leerlingen met een andere thuistaal dan de instructietaal, hielpen audioboeken in combinatie met tekst om de teksten beter te begrijpen.

Moeten we digitaal lezen en audioboeken zoveel mogelijk vermijden?

Neen. Onderzoek laat duidelijk zien dat digitaal lezen en gebruikmaken van audioboeken het leesproces veranderen, waardoor ze ook een impact hebben op leesbegrip. In de meeste gevallen is de impact licht negatief, maar dat betekent niet dat we alle schermen en e-readers zomaar moeten buitengooien. Digitale dragers van teksten zijn en blijven een integraal deel van het huidige leeslandschap. Het betekent wél dat we goed moeten nadenken over les-, lees- en leestestmateriaal, en dat onderlinge afstemming erg belangrijk is.  


[i] Clinton, 2019; Delgado et al., 2018

[ii] Delgado et al., 2018; Kong et al., 2018

[iii] Clinton, 2019

[iv] Wood et al., 2018

[v] Singh & Alexander, 2022


Over niet-Nederlandstalige ouders die Nederlands moeten leren…

Dertig jaar geleden definieerde de Nederlandse beleidswetenschapper Hoogerwerf beleid als het streven naar het bereiken van bepaalde doelstellingen door het inzetten van gepaste middelen binnen een bepaalde tijdsspanne. De partijen die momenteel onderhandelen over het vormen van een nieuwe Vlaamse regering hebben het uiteraard ook over onderwijs. In hun onderhandelingsnota staat “Nederlands” met stip gemarkeerd en wordt de maatregel besproken om ouders die geen voldoende bereidheid tonen om Nederlands te leren te sanctioneren: ze zouden de extra toeslag op het Groeipakket (de vroegere kinderbijslag) verliezen.

Ik ga ervan uit dat de beleidsdoelstelling die wordt nagestreefd het verhogen van de onderwijskansen van niet-Nederlandstalige leerlingen is. Een bijkomende doelstelling kan het bevorderen van de communicatie tussen schoolpersoneel en niet-Nederlandstalige ouders zijn. Dat lijken me twee doelstellingen die binnen een Vlaams onderwijsbeleid wel degelijk het nastreven waard zijn, en die stroken met doelstellingen die schoolteams zichzelf stellen. De vraag is echter of het financieel sanctioneren van gezinnen de meest geschikte beleidsmaatregel is om die doelen na te streven. Ik denk het niet, en wel om 3 redenen.

Ten eerste hebben vele van de gezinnen waarover we het hebben het financieel moeilijk. Vele niet-Nederlandstalige ouders (denk aan ouders van nieuwkomers) zijn laaggeschoold, hebben een slecht betaalde job of zijn op zoek naar werk. Van hun Groeipakket een Krimppakket maken, dreigt hen verder in de kansarmoede te drijven. Dat komt hun kinderen absoluut niet ten goede. Armoede is nefast voor de onderwijskansen van jonge kinderen, daarover is het wetenschappelijk onderzoek staalhard.

Ten tweede is van sommige stimulerende maatregelen, eerder dan sanctionerende maatregelen, aangetoond dat ze de bovenvermelde doelstellingen goed dienen. De stad Antwerpen financiert bijvoorbeeld al jaren het KAAP-project: dat is een project waarbij niet-Nederlandstalige ouders (op vrijwillige basis) een cursus Nederlands volgen in de school van hun kinderen. De cursus focust op de communicatie (in het Nederlands) tussen ouders en schoolteams: ouders leren rapporten en mails van de school begrijpen, bezoeken de klasjes van hun kinderen, leren praatjes slaan met andere (Nederlandstalige) ouders van de school, leren hoe ze in het Nederlands kunnen melden dat hun kind ziek is. De cursus zet ook in op de integratie van de ouders in de bredere oudergemeenschap en in het wegnemen van drempels voor communicatie tussen ouders en leraren. Taalverwerving Nederlands en integratie komen geïntegreerd aan bod. Onderzoek van de KU Leuven heeft aangetoond dat de motivatie van de deelnemende ouders om het Nederlands te leren en te gebruiken dankzij deze behoeftengerichte taalcursus verhoogt. Stimuleren in plaats van sanctioneren: dat werkt veel beter om de motivatie van ouders om een nieuwe (lastige) taal te leren, op te krikken.

Ten derde is het ondersteunen van schoolteams bij het vormgeven van een krachtig taalbeleid in de klas nog steeds de krachtigste maatregel om jonge kinderen zo snel en effectief mogelijk Nederlands te doen leren: de leraar maakt het grootste verschil. Ik kijk dus uit naar de maatregelen die de nieuwe Vlaamse regering zal nemen om lerarenteams concreet te ondersteunen in hun verdere professionalisering rond onderwijs aan taaldiverse groepen.

Ik hoef het hierbij niet eens te hebben over de grondwettelijke vrijheid van ouders om thuis de taal van hun keuze te gebruiken of over het feit dat de voorgestelde sanctiemaatregel uiterst moeilijk valt te controleren. Hoe gaat een regering in godsnaam de “bereidheid van ouders om Nederlands te leren” controleren? De maatregel zou ouders dus leerplichtig maken, net als hun kinderen, maar dat maakt hen niet schoolplichtig (net als hun kinderen). Heel veel volwassenen, in alle uithoeken van de wereld, leren een nieuwe taal op informele wijze, bijvoorbeeld door te werken in die taal, vrienden te maken, naar tv te kijken. Telt dat dan niet meer mee bij deze maatregel, en moeten mensen ook verplicht naar een cursus NT2? De onderhandelingsnota verwijst zelfs naar een kwalificatiebewijs dat ouders aan de school moeten presenteren: wat houdt dat precies in? Een inschrijvingsbewijs van een cursus (terwijl volwassenen dus niet schoolplichtig zijn) of een certificaat van een schooltest (op A2-niveau) waarvoor mensen moeten slagen? Een test is echter een prestatie, terwijl de maatregel het enkel over bereidheid heeft. Gaat de bewijslast (dat sommige ouders een te kleine bereidheid vertonen) bij schoolteams gelegd worden? Dat lijkt me absoluut niet wenselijk, want het dreigt de relaties tussen school en ouders te verzuren, en dus contraproductief te werken.

Ik hoop dus dat de Vlaamse overheid Hoogerwerf in gedachten houdt en naar geschikte (lees: stimulerende) maatregelen op zoek gaat. Er is nog onderhandelingsmarge.