Wat heeft het Vlaams armoedebeleid te maken met onderwijsbeleid? En wat hebben de maatregelen van de Vlaamse regering rond de subsidiëring van de kinderopvang met het Leesoffensief te maken? Zeer veel (bis).
Armoede, dus. Wim Van Lancker (KU Leuven) berekende dat het heroriënteren van de kinderbijslag ( het “Groeipakket” van de Vlaamse overheid) de armoede in Vlaanderen met 35% kan terugdringen, en dat zonder verhoging van het budget. Dat zou dus betekenen dat, in vergelijking met nu, een significant aantal kinderen niet langer in armoede opgroeit. Armoede heeft een nefast effect op onderwijskansen, dat is wetenschappelijk aangetoond. Kinderen die in armoede opgroeien, hebben meer kans om met honger op school te zitten, en dat vreet – letterlijk – energie bij die kinderen weg om zich te concentreren en tot leren te komen. Kinderen die in armoede opgroeien, lopen bovendien meer risico op stress en slechte gezondheid (allebei slecht voor leerprocessen). Hun ouders hebben meer kans om zo sterk in overlevingsmodus gedrongen te worden dat hun betrokkenheid bij de schoolloopbaan van hun kinderen noodgedwongen vermindert. Veel kinderen in armoede leven in penibele woonomstandigheden, waar rustig huiswerk maken en studeren voor school niet vanzelfsprekend zijn. Kinderarmoede krachtdadig terugdringen is onderwijskansen bevorderen. Armoedebeleid is onderwijsbeleid, moet daar nog een tekening bij?
Nog eentje. De Vlaamse regering kreeg recent uit diverse hoeken kritiek omdat ze de regeling rond de subsidiëring van kinderopvang wijzigde: wie werkt (met twee), zal voorrang krijgen. Daardoor krijgen alleenstaande moeders en kwetsbare gezinnen het moeilijker om een van de schaarse plaatsen in de kinderopvang te bemachtigen. Als de Vlaamse regering het op die manier moeilijker maakt voor bijvoorbeeld laaggeschoolde, niet-Nederlandstalige ouders die werkloos zijn of slechts deeltijds willen werken om hun kind toe te vertrouwen aan de kinderopvang, dan betekent dat dat diens kind minder kans krijgt op toegang tot een Nederlandstalige omgeving waarin wordt voorgelezen en gespeeld in het Nederlands. Dan dreigt deze maatregel die een contraproductief effect te hebben op de maatregelen die de minister van Onderwijs neemt om de ontluikende geletterdheid van peuters, en dus de latere leesvaardigheid van leerlingen, op te krikken.
Van schoolteams wordt gevraagd dat ze vakoverstijgend aan taalbeleid werken; mag dan van een regering ook niet gevraagd worden dat ze vakoverstijgend aan onderwijsbeleid werkt? Zo vlak voor de verkiezingen, pleit ik voor een consistent en transversaal onderwijsbeleid in Vlaanderen. Een beleid dat verder kijkt dan de maatregelen die op een kabinet Onderwijs worden genomen. Een beleid dat consistent aftoetst of bepaalde maatregelen in andere departementen de onderwijsbeleidsmaatregelen niet tegenwerken of neutraliseren. Zo’n transversaal en consistent beleid is gewoon goed beleid. Het ziet – en communiceert – verder dan de eigen neus en de eigen score. Het ziet – en communiceert verder dan: “ik heb 400.00 euro vrijgemaakt” als de vraag wordt gesteld: Beste minister, wat gaat u daaraan doen?

