Differentiatie om onderwijsachterstanden in het basisonderwijs te bestrijden: een leidraad van Leerpunt

Wellicht het belangrijkste dat deze nieuwe leidraad van Leerpunt benadrukt, staat er niet letterlijk: haal kinderen die het lastig hebben met bijvoorbeeld taal of rekenen niet zomaar uit de klas om hen door een andere leerkracht remediëring te geven die losstaat van het reguliere curriculum. Ja, sommige leerlingen meer onderwijs- en leertijd bieden is een van de maatregelen die in deze leidraad wordt beschreven om onderwijsachterstanden te bestrijden, maar daarbij gaat het om maatregelen die duidelijk zijn afgestemd op wat er in de reguliere klas gebeurt én die aansluiten bij de voorkennis van de betrokken leerlingen. Zo wordt bijvoorbeeld preteaching van lastige leerstof die op het programma van de reguliere klas staat voor sommige leerlingen aangeraden, alsook samenwerkend leren en tutoring in kleine groepen rond onderdelen van de reguliere leerstof.

Opvallend is dat deze leidraad op het eerste gezicht leest als een beschrijving van effectief onderwijs. Alsof de leidraad wil benadrukken dat alle leerlingen hoog-kwalitatief onderwijs nodig hebben, maar leerlingen die dreigen onderwijsachterstanden op te lopen nog het meest van allemaal. Het zal voor niemand verrassend in de oren klinken dat vertrekken vanuit uitdagende doelen voor alle leerlingen als allereerste maatregel naar voor wordt geschoven. Alsof de leidraad wil zeggen: hou bij alle volgende maatregelen die je in deze leidraad zal lezen (of het nu om het geven van effectieve instructie gaat of het gebruiken van digitale oefenprogramma’s) altijd in het voorhoofd dat het doel dat je met een onderwijsactiviteit wil bereiken voor ieder kind ambitieus genoeg is.

Evenzeer zal het voor niemand verrassend klinken dat leraren de ontwikkeling van de kinderen goed moeten opvolgen en hun onderwijs daarop moeten laten aansluiten. Alsof de leidraad wil benadrukken dat je als leraar je onbewuste neiging om het potentieel van kinderen te associëren met hun sociale/talige achtergrond (en het daardoor voor sommige kinderen te onderschatten), bewust moet onderdrukken. Het zal niemand verrassend in de oren klinken dat de leidraad pleit voor een schoolbrede teamaanpak van differentiatie en voor de professionalisering van leraren: differentiërend werken vanuit de noden van de leerlingen is een van de moeilijkste aspecten van het leraarberoep (zowel op cognitief, emotioneel en organisatorisch vlak), en hier wordt duidelijk tegen leraren gezegd: pak dat niet alleen aan. Vind dat wiel niet in je eigen klasje uit. Zoek de steun van je team, ga observeren bij andere leraren, ontwikkel samen een visie, anders dreigen heel wat wielen vierkant te draaien.

Mooi vond ik de manier waarop scaffolding wordt besproken. Veel didactici geven student-leraren de raad om in hun vraaggesprekken met leerlingen te starten met een open vraag, en als die te moeilijk blijkt voor de leerlingen, de vraag wat geslotener te maken en vervolgens hints te geven. Hier wordt die structuur op zijn kop gezet. Het kan voor sommige kleuters die het lastig hebben, helpen om eerst een doevraag (vraag die geen verbaal antwoord vereist) of een gesloten vraag te stellen en van daaruit op te klimmen naar een open vraag. Alsof de leidraad vooral wil benadrukken dat de interactie niet mag stoppen bij de gesloten vraag. Uitdagende doelen, nietwaar?

Bron?

https://leerpunt.be/leidraden/differentiatie-onderwijsachterstand-wegwerken

Werken leraren evidence-informed? Inzichten uit recent onderzoek in Nederland

Eerst even het verschil tussen “evidence-based” en “evidence-informed”. In de medische sector geldt “evidence-based” werken als een gouden standaard: daarbij wordt het beste empirische bewijsmateriaal (bij voorkeur gebaseerd op randomized controlled trials) ingezet om beslissingen te nemen over de zorg van een patiënt. Belangrijk in dit verband is dat in de medische sector een geteste interventie (bv. een medicijn, een behandeling) vaak dezelfde effecten heeft, ongeacht de context waarin die wordt toegediend. Dat is in het onderwijs echter veel minder het geval. Een onderwijsinterventie is immers veel afhankelijker van de manier waarop onderwijsprofessionals de interventie implementeren in, en zelfs aanpassen aan, de dynamische context waarin ze met leerlingen werken. De context, noch de interventie zelf, kunnen veel minder gemakkelijk “onder controle” gehouden worden. Dat uit zich bijvoorbeeld ook in de vaststelling dat leraren vaak een discrepantie ervaren tussen onderwijsonderzoeken die in strak gecontroleerde labo-settings zijn uitgevoerd  en de toepassing van de onderzochte interventies in een authentieke klas- of schoolcontext. “Evidence-informed” werken houdt met die contextgevoeligheid rekening. Het betekent dat een leraar of een schoolteam onderwijsbeslissingen in een lokale context neemt in functie van het bevorderen van de leerprocessen van leerlingen en daarbij probeert rekening te houden met relevante inzichten uit onderzoek: dat kan onderzoek zijn dat door externe onderwijsonderzoekers is uitgevoerd, maar evenzeer praktijkgericht onderzoek dat door de leraar zelf, of door andere leden van het eigen schoolteam, in de eigen schoolcontext is uitgevoerd. Dat laatste wordt ook wel eens “data-gedreven” werken genoemd: een schoolteam gebruikt de data die het zelf verzamelt (bv. via toetsen, klasobservaties, bevragingen van leerlingen, reflecties van vakgroepen) om te reflecteren op de kwaliteit van het eigen onderwijs.

In opdracht van het Nederlands Ministerie van Onderwijs voerden Sardes en SEO Economisch Onderzoek een onderzoek uit naar de mate waarin schoolteams evidence-informed werken in het funderend onderwijs in Nederland. Bijna 1000 onderwijsprofessionals (waaronder schoolleiders, leraren en interne ondersteuners) vulden een enquête in. De resultaten tonen aan dat schoolleiders sterker vertrouwd zijn met de term én de werkwijze van evidence-informed werken dan leraren en interne ondersteuners. Leraren zijn het minst vertrouwd met de term en werkwijze. De respondenten gaven aan dat tijd en ruimte, steun van de directie en visievorming op school belangrijke factoren zijn voor het succesvol invoeren van evidence-informed werken op school, terwijl gebrek daaraan net knelpunten veroorzaakt. Het belang van “evidence-informed” werken wordt weliswaar breed onderschreven door de onderwijsprofessionals, maar het vindt nog lang niet altijd zijn weg naar een professionele leercultuur op school. Dat laatste lijkt meer het geval te zijn op scholen waar een sterke teambuilding bestaat en er pogingen worden gedaan om tot gezamenlijke visievorming te komen. Het is ook belangrijk dat leraren de kans krijgen hun onderzoeksvaardigheden uit te breiden en makkelijk toegang krijgen tot wetenschappelijke onderzoeksinzichten. Er zit dus een grond van waarheid in de leuze “Good practices travel bad”: wat door onderwijsonderzoekers wordt verkondigd en gepubliceerd, is vaak iets anders dan wat leraren in de klas doen.

Bron:

https://sardes.nl/publicatie/kennisgedreven-onderwijs-onderzoek-naar-evidence-informed-werken-in-het-funderend-onderwijs/

Wat is een competentierijk curriculum?

Om de hedendaagse TIMMS, PIRLS- en PISA-toetsen op te lossen, volstaan pure vaardigheden niet. Ook pure kennis volstaat niet. Leerlingen hebben competenties nodig. Om goed te scoren op PISA-taken voor begrijpend lezen, moeten leerlingen de opdracht zorgvuldig lezen en begrijpen, vaardig en kritisch informatie verwerken (vaak uit diverse bronnen), daarbij hun achtergrondkennis over het onderwerp en hun kennis van woordenschat en tekststructuren inzetten, de attitude vertonen om door te zetten en geconcentreerd te blijven als de tekst wat langer of moeilijker is, gepaste leesstrategieën inzetten, nog even nakijken alvorens naar de volgende taak te gaan…. Wie competent is, kan kennis, vaardigheden en attitudes geïntegreerd inzetten om complexe, levensechte taken uit te voeren en relevante doelen te halen. De nieuwe eindtermen zijn in Vlaanderen en Nederland geconcipieerd vanuit sleutelcompetenties.

 “PISA measures 15-year-olds’ ability to use their reading, mathematics and science knowledge and skills to meet real-life challenges.” (OECD.org)

De Taalraad, een panel van experten uit Vlaanderen en Nederland, pleit al sinds de publicatie van haar invloedrijke adviestekst “Iedereen taalcompetent” (2017) voor een competentierijk curriculum. Het is een curriculum waarbij leraren hoog mikken. Echt hoog: ze willen niet alleen dat leerlingen kennis verwerven, maar die kennis ook strategisch en doelgericht kunnen inzetten. Ze willen niet alleen dat leerlingen vaardigheden verwerven, maar vanuit achtergrondkennis kunnen reflecteren op de taal- en literaire taken die ze uitvoeren. Ze willen dat leerlingen tevens een positieve talige grondhouding hebben, zelfvertrouwen in hun taal- en literaire competenties ontwikkelen en ernaar blijven streven om steeds beter te worden.

Daarvoor is samenhang in het curriculum nodig. “Werken aan de ontwikkeling van taalcompetentie naar voren schuiven als de kernopdracht van het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw betekent kiezen voor een onderwijs Nederlands waarbij én kennis én vaardigheden én attitudes een centrale rol hebben.” Competentierijk onderwijs is onderwijs waarbij kennis, vaardigheden en attitudes elkaar versterken door samen in dezelfde les aangebracht, ingezet en geïnstrueerd te worden. Samenhang draait om slimme synergieën. Verkokering, waarbij diverse vaardigheden los van elkaar worden onderwezen (vandaag luisterlesje, morgen spreektaak), waarbij kennis los van vaardigheden wordt aangebracht en attitudes te weinig worden besproken, haalt het rendement en de relevantie van onderwijs naar beneden.

“TIMMS 2023: Leraren geven in de bevraging aan dat lesactiviteiten die de ontwikkeling van het wetenschappelijk denken verbeteren minder aan bod komen in Vlaanderen dan in andere Europese landen. Het gaat dan bijvoorbeeld over experimenten uitvoeren, vragen stellen over wetenschappelijke verschijnselen of die verschijnselen verklaren aan de hand van wetenschappelijke ontwerpen.” (klasse.be)

Verkokering verarmt. Verkokering leidt tot minder doeltreffend, minder efficiënt, minder uitdagend onderwijs. Saaier onderwijs. Leerlingen die klagen dat ze weer eens “een lesje over leesstrategie X in het luchtledige” kregen (los van een concrete, complexe begrijpend-leestaak), klagen au fond over een gebrek aan een competentierijk curriculum. Leerlingen die woordenschatlijsten of namen van rivieren in hun hoofd rammen voor de toets van morgen, maar de ingestudeerde lijsten in de rest van het schooljaar niet meer zien terugkeren in functionele taken, missen een gezonde portie competentierijk curriculum. Leerlingen die schrijftaken uitvoeren door er maar op los te schrijven en hun schrijftaak inleveren om er een nietszeggend punt op te krijgen, hadden veel meer baat gehad bij een competentiegerichte aanpak van dezelfde schrijftaak, waarbij ze bewust reflecteren over succescriteria, hun eerste versie reviseren op basis van feedback, en hun kennis van tekststructuren en modelteksten gericht inzetten om een betere tekst in te leveren.

Misschien dalen de prestaties van onze leerlingen op PISA- en PIRLS-toetsen al jaren stelselmatig omdat de toetsen steeds nadrukkelijker competentiegericht zijn geworden en ons onderwijs nog volop bezig is om op dat vlak bij te benen. Een competentiegerichte versnelling is aan de orde.

Hoe geef je les op basis van hoge verwachtingen? Een leidraad vanuit Leerpunt

Dat de verwachtingen van leraren een stevige impact hebben op de leerprestaties en ontwikkeling van leerlingen, is genoegzaam geweten. Werken vanuit hoge verwachtingen klinkt ondertussen als een credo, een slogan, een mantra. De grote meerwaarde van deze leidraad is dat hij de lezer inzicht biedt in wat verwachtingen precies zijn, hoe ze inspelen op de leerprocessen van leerlingen en (vooral) hoe lesgeven vanuit hoge verwachtingen concreet vorm kan krijgen. Goed gedaan, Leerpunt!

Een verwachting wordt gedefinieerd als “de inschatting van de leerkracht over het toekomstige schoolsucces en/of de schoolse capaciteiten van een individuele leerling, gebaseerd op kennis over de huidige prestaties en het gedrag van de leerling.” (p. 11). Hoge verwachtingen hebben betekent dus niet zozeer dat de leraar gelooft dat de leerling in kwestie heel hoge punten zal halen. Het betekent wél dat de leraar gelooft dat de leerling beter kan dan wat hij/zij nu laat zien. Een hoge verwachting betekent dus ook niet dat de leerling overladen moet worden met werk en huistaken, maar vooral dat een leerling kan groeien en zich verder kan ontwikkelen op cognitief, praktisch, emotioneel, artistiek of technisch vlak. Een lage verwachting daarentegen gaat gepaard met het idee dat een leerling zich niet veel verder kan ontwikkelen.

Verwachtingen van leraren nemen soms de vorm aan van stereotiepe beelden, gebaseerd op de socio-culturele of groepsachtergrond van de leerlingen. Ze worden op diverse wijzen gecommuniceerd naar de leerlingen (verbaal en non-verbaal, subtiel en minder subtiel) en kunnen een sterke impact hebben op de wijze waarop leerlingen in de klasinteractie worden betrokken, de vragen en feedback die ze krijgen, de taken die ze krijgen, de evaluatie van hun taken… De manier waarop een leerkracht een leerling benadert, kan het zelfbeeld en de leermotivatie van die leerling beïnvloeden. En zo kunnen ‘self-fulling prophecies” werkelijkheid worden…

De leidraad zegt onomwonden: “Verwachtingen kun je niet verbergen” (p. 24). Een leraar zal ze hoe dan ook communiceren, onbedoeld of niet. Vandaar dat de leidraad 6 concrete aanbevelingen geeft om vanuit hoge verwachtingen onderwijs te geven en het geen toeval is dat het woord “bewust” meteen opduikt:

  1. Wees je als leraar bewust van je verwachtingen van leerlingen.
  2. Wees je bewust van de manieren waarop je als leraar verwachtingen communiceert naar leerlingen.
  3. Groepeer flexibel (werk dus niet altijd met dezelfde samenstelling van groepen en wees je bewust van de gevaren van vaste niveaugroepen)
  4. Stel heldere leerdoelen en communiceer die aan de leerlingen. Motiveer leerlingen daarbij om uitdagende doelen te halen (bv. via het ABC-model). Geef hen concrete feedback over de mate waarin ze in hun taakuitvoering de gestelde doelen halen en wat ze kunnen doen om hun prestatie te verbeteren.
  5. Zorg voor een positief leerklimaat, waarin leerlingen weten wat er van hen verwacht wordt en waarin fouten maken mag. Zorg ervoor dat leerlingen weten dat ze ondersteund zullen worden op een constructieve manier.
  6. Benut de kracht van het team door de teamleden samen op leerlingresultaten te laten reflecteren, hen samen doelen te laten stellen, samen te laten reflecteren over het versterken van het positieve en uitdagende schoolklimaat, en elkaars academisch optimisme te laten voeden.

Zelf lezen, deze leidraad? Ja, zeker lezen, zou ik zo zeggen:

https://leerpunt.be/leidraden/hoge-verwachtingen

Over Dirk Van Damme, Koen Jaspaert en meertaligheid: een reactie vanuit het Centrum voor Taal en Onderwijs (KU Leuven)

Deze tekst werd ondertekend door 24 medewerkers van het Centrum voor Taal en Onderwijs, Faculteit Letteren, KU Leuven – 15 januari 2025

Aanleiding

De aanleiding voor dit stuk zijn recente uitspraken van Dirk Van Damme in een interview met Het Laatste Nieuws (15 december 2024). De titel van het artikel luidt: Expert Dirk Van Damme fileert onderwijscrisis: “Grote groep kinderen is opgeofferd op altaar van meertaligheid”. In het artikel betoogt Van Damme dat ouders en schoolteams in Vlaanderen tijdens de afgelopen decennia de lat te laag gelegd hebben voor niet-Nederlandstalige kinderen. In dat verband zegt Van Damme: “In 1990 richtte de KU Leuven het Centrum voor Taal en Onderwijs op. De promotor had een specifieke visie en die was radicaal: je kon anderstalige ouders beter niet vragen met hun kinderen Nederlands te spreken, meertaligheid zou die leerlingen taalvaardiger maken dan Vlaamse kinderen.”

We weiden hier niet uit over de emoties die ons bekropen toen we dit lazen, we willen het hebben over de inhoud en zetten de puntjes op de i.

De oprichting van het Steunpunt NT2

In 1990 richtte het Departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (en dus niet de KU Leuven) het Steunpunt Nederlands als Tweede Taal op (en dus niet het Centrum voor Taal en Onderwijs) aan de KU Leuven. Koen Jaspaert, de toenmalige promotor van het Steunpunt NT2, ontwikkelde inderdaad een visie en schreef die neer in een visietekst. In tegenstelling tot wat Van Damme beweert, ging die visietekst niet over ouders. De tekst ging over een probleem en een mogelijke oplossing daarvoor. Het probleem was dat niet-Nederlandstalige leerlingen van lage socio-economische achtergrond onderpresteerden in ons Vlaams onderwijs. De oplossing die Jaspaert naar voor schoof, lag overduidelijk in het onderwijs. Het onderwijs moest een intensieve en goed doordachte taaldidactiek implementeren om de leerlingen in kwestie zo snel en effectief mogelijk schooltaal-Nederlands aan te leren. Jaspaert was in Vlaanderen de eerste die het verschil tussen thuistaal en schooltaal aan de oppervlakte bracht, en hij schoof in zijn visietekst de driefasen-woordenschatdidactiek als oplossing naar voor. Uit een corpus van schooltaalwoordenschat dat via klasopnames werd verzameld, werden veel voorkomende schooltaalwoorden geselecteerd: die moesten alle kinderen expliciet onderwezen krijgen. De eerste lesmaterialen die het Steunpunt NT2 aan basis- en secundaire scholen aanbood, werden opgebouwd rond doelwoorden waarrond systematisch drie fasen van woordenschatonderwijs (nl. “aanbod”, “semantisering” en “consolidering”) werden opgezet. Leraren in scholen met veel niet-Nederlandstalige leerlingen kregen van de pedagogische begeleiding en het Steunpunt NT2 trainingen aangeboden om de driefasendidactiek toe te passen. Lang voor Hattie op basis van zijn meta-analyses uitriep dat de leraar het grootste verschil voor leerlingen maakt, betoogde Jaspaert dat leraren het grootste verschil voor het onderwijssucces van niet-Nederlandstalige leerlingen konden – en moesten – maken.

Naar een taakgerichte didactiek

Op basis van voortschrijdend inzicht werkte Jaspaert zijn didactische visie op krachtig NT2-onderwijs verder uit. Daarbij werd hij geprikkeld door de klaservaringen van leraren die met de woordenschatdidactiek aan de slag gingen. De driefasendidactiek leidde in de praktijk vaak tot een exclusieve focus op deelelementen van taal, terwijl Jaspaert via de driefasendidactiek net de functionele taalvaardigheid (lees-, schrijf-, luister- en spreekvaardigheid) van de leerlingen wou verhogen. Jaspaert moest dus vaststellen dat leraren niet zomaar klakkeloos doen wat pedagogisch begeleiders, laat staan academici, hen vertellen. Als reactie bedde hij (samen met het team van het Steunpunt NT2) de 3-fasenwoordenschatdidactiek in een taaltaakgerichte didactiek in. Taaltaken nodigden leerlingen uit om woorden in betekenisvolle taken en boodschappen te begrijpen en produceren. Jaspaert zelf vond dat die taaltaakgerichte didactiek vooral moest inzetten op impliciete taalverwerving (dat is de manier waarop lagereschoolkinderen in Vlaanderen buitenschools Engels verwerven, namelijk door blootstelling aan functioneel taalaanbod en functioneel taalgebruik in motiverende situaties). Daarmee week Jaspaert enigszins af van de internationale visie op taakgericht onderwijs (en de huidige visie van het CTO), die aanstuurt op een krachtige synthese van betekenisvolle taaltaken en expliciete focus op deelelementen (taalkennis en -strategieën).

Visie op meertaligheid

Jaspaert had wel degelijk een visie op thuistaal en meertaligheid in de maatschappij. Hij verdedigde expliciet het recht van ouders om hun kinderen op te voeden in de taal die ze zelf verkozen en die zijzelf het sterkst beheersten. Dat is een recht dat nota bene in de Belgische grondwet is verankerd.

Van Damme beweert dat volgens Jaspaert meertaligheid niet-Nederlandstalige leerlingen taalvaardiger maakt dan “Vlaamse” leerlingen. Dat is wel een heel vrije interpretatie van de ideeën die Jaspaert over meertaligheid had. Jaspaert verwees zelf meermaals naar de Common Underlying Proficiency Hypothesis van Jim Cummins. Die stelt dat elke taalleerder die een bijkomende taal verwerft, reeds verworven taalkennis kan inzetten. Als iemand bijvoorbeeld in de moedertaal heeft geleerd dat intonatie kan gebruikt worden om vragende van mededelende zinnen te onderscheiden of dat veel kinderverhalen een voorspelbare structuur hebben, dan zal de taalleerder die kennis inzetten bij het leren van een nieuwe taal. In essentie is dat een uitgelezen voorbeeld van het inzetten van voorkennis bij het leren van nieuwe kennis, een leerprincipe dat vandaag niemand nog bestrijdt. Als sociolinguïst was Jaspaert zich ook sterk bewust van de emotionele waarde van een moedertaal: hij bepleitte dat schoolteams respect tonen voor de thuistalen van kinderen (bijvoorbeeld door hen toe te laten die thuistaal op de speelplaats te spreken), want dat kan het welbevinden van het kind op school ten goede komen (hetgeen ondertussen door internationaal empirisch onderzoek werd bevestigd).

Hoge verwachtingen voor alle leerlingen

Jaspaert heeft er nooit voor gepleit om de lat voor leerlingen lager te leggen. Jaspaert wou net dat de lat in het onderwijs voor elke leerling heel hoog werd gelegd. Het was zijn onderzoek dat blootlegde dat veel leraren in het beroepssecundair onderwijs de lat te laag legden voor de stimulering van de geletterdheid van hun leerlingen; het was als gevolg van zijn onderzoek dat het project “G-kracht” door minister Frank Vandenbroucke in het leven werd geroepen, in een poging de lat voor geletterdheidsstimulering in het beroepssecundair onderwijs hoger te leggen. Jaspaert was ook promotor van het doctoraat van Machteld Verhelst, wiens onderzoek naar woordenschatverwerving door niet-Nederlandstalige kleuters leidde tot de meest intensieve NT2-didactiek die je je kan inbeelden: Taal de hele dag. Kleuterleraren bieden de beste taalstimulering door de kwaliteit van al hun interacties – de hele dag – intensief op te voeren en kinderen 8 uur lang te voorzien van rijk taalaanbod, taalruimte en feedback. Het empirisch onderzoek heeft Jaspaert daarin gelijk gegeven, en hedendaags onderzoek (zoals dat van Peleman, Michel Vandenbroucke en Carolien Frijns) toont aan dat er op het vlak van rijke klasinteractie met kleuters nog veel winst te behalen valt. De titel van de keynote die Kris Van den Branden bij de oprichting van het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen uitsprak, was: De lat hoog voor alle leerlingen. Die basisgedachte ging terug op de kernidee van Jaspaerts didactische visie.

Betere cursussen NT2 voor niet-Nederlandstalige ouders

Jaspaert ijverde heel zijn loopbaan ook voor een krachtiger NT2-onderwijs voor volwassenen anderstaligen. Hij was de eerste die in Vlaanderen een grootscheeps onderzoek leidde naar de leerbehoeften van volwassen NT2-leerders. Hij was de eerste die de ontwikkeling van onderzoeksgebaseerde lesmethoden superviseerde voor NT2-onderwijs aan volwassenen. Het Centrum voor Taal en Onderwijs (zoals het centrum ondertussen heette) ontwierp specifieke, behoeftegerichte cursussen NT2 voor niet-Nederlandstalige ouders van schoolgaande kinderen: die cursussen waren baanbrekend omdat ze op de school van de kinderen plaatsvonden en focusten op het Nederlands dat ouders nodig hebben om met de school te communiceren en te participeren aan het schoolleven. De stad Antwerpen organiseert nog steeds deze waardevolle cursussen (onder de naam “KAAP”).

Academici en implementatie van onderwijsvernieuwing

Jaspaert moest vaststellen dat het taakgericht taalonderwijs dat hij voor ogen had niet op grote schaal geïmplementeerd geraakte in het Vlaams onderwijs. Observatie-onderzoek toonde aan dat leraren in hun lessen massaal vasthielden aan een expliciete, grotendeels op kennis van geïsoleerde woordenschat en grammatica geënte taaldidactiek. Kris Van den Branden vergaarde internationale faam als onderzoeker met het documenteren van die implementatieprocessen (o.a. in een boek gepubliceerd door Cambridge University Press in 2006). Sindsdien is uit steeds meer onderzoek gebleken dat top-down suggesties van onderzoekers slechts een beperkte en veelal indirecte invloed hebben op wat leraren in de klas doen.

Conclusie

In zijn boek “Emancipatie, excellentie en eerlijke kansen” (dat overigens veel interessante ideeën over onderwijskwaliteit bevat) zegt Van Damme letterlijk: “Ik ben geen classicus (al was het wel mijn tweede keuze toen ik op achttienjarige leeftijd mijn studiekeuze maakte), ben al helemaal geen taalkundige.” (p. 165). We hebben in dit stuk gereageerd als taalkundigen – die Jaspaerts ideeën, werk en bevlogenheid goed kennen – om de nodige nuance aan te brengen bij een aantal – in onze ogen – ongelukkige uitspraken. We pleiten algemeen voor meer nuance en minder polarisering in het Vlaamse onderwijsdebat. We pleiten voor een scherpe, op feiten gebaseerde analyse van het verleden, inclusief een erkenning van de feiten en data die we missen (bv. data over wat er echt in klassen gebeurt). We hopen dat we uit de analyse van heden en verleden lessen kunnen trekken die ons kunnen helpen om het onderwijs in Vlaanderen vooruit te stuwen. Want dat willen we uiteindelijk allemaal, dat willen we samen met Dirk Van Damme: de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen verhogen.

Ondertekend door:

Kris Van den Branden, Mariet Schiepers, Goedele Vandommele, Pandora Versteden, Monique van Boom, Ellen Smits, Alexis Vermeersch, Ine De Brouwer, Anne-Lotte Stevens, Lieve Thibaut, Kaat Buelens, Tom Verheyen, Ellen Vanantwerpen, Eléa Boudart, Saar Deroo, Jolien Wouters, Sarah Slabbaert, Bert Zurings, Annelies Jehoul, Mie Sterckx, Hannelore Hooft, Lies Strobbe, Fien De Malsche, Helena Van Nuffel (Centrum voor Taal en Onderwijs – Faculteit Letteren KU Leuven)

Wat zijn de componenten van Collective Teacher Efficacy?

Collective Teacher Efficacy (CTE) staat voor het gezamenlijke geloof van de leden van een schoolteam dat ze de leerprocessen van al hun leerlingen (ongeacht hun sociale achtergrond) positief kunnen beïnvloeden. Het is “the collective self-perception that teachers in a given school make an educational difference to their students over and above the educational impact of their homes and communities” (Schannen-Moran & Barr, 2004). CTE blijkt een sterke positieve impact te hebben op de leerprestaties van leerlingen (Hattie, 2016). CTE is meer dan de som van de individuele effectiviteit van leraren; meer zelfs, het ontstaat pas als leraren hun individualisme overstijgen en geloven dat ze samen het verschil voor al hun leerlingen kunnen maken (dus als ze echt samenwerken, samen problemen oplossen en zich samen professionaliseren).

Anderson et al. (2023) ontwikkelden een onderzoeksgebaseerd model waarin ze 5 bevorderdende factoren (“enabling conditions”) van CTE samenbrengen. In een school groeit CTE naarmate deze groeivoorwaarden aanwezig zijn:

  1. Goal consensus: Hebben de schoolteamleden een gedeelde visie en gemeenschappelijke doelen? Zijn die gezamenlijke doelen uitdagend genoeg? Hebben alle teamleden tevens het gevoel dat ze een bijdrage kunnen leveren tot het bereiken van die gezamenlijke doelen?
  2. Cohesive teacher knowledge: Hebben de schoolteamleden gezamenlijke en gedeelde kennis over evidence-informed principes van kwalitatief hoogstaand onderwijs? Zijn ze het eens over de kenmerken van krachtige didactiek?  
  3. Embedded reflective practices. Reflecteren schoolteamleden samen over de kwaliteit van hun onderwijs op basis van prestaties, materiaal en feedback van leerlingen? Leidt de reflectie op de leerprocessen van leerlingen tot initiatieven waarbij schoolteamleden zich samen professionaliseren?
  4. Supportive leadership. Dragen schoolleiders ertoe bij dat leraren zich op hun kerntaak (onderwijzen en het begeleiden van leerlingen) kunnen concentreren? Ondersteunen schoolleiders hun leraren op een constructieve manier ondersteunen bij het opnemen van die kerntaak?  
  5. Empowered teachers: Hebben leraren invloed op schoolbeslissingen en voelen ze zich eigenaar van schoolprocessen? Krijgen ze inspraak in het schoolbeleid?

De auteurs benadrukken het belang van schooleigen en teambetrokken schoolbeleid. Overheden moeten de neiging onderdrukken om top-down beleidsmaatregelen op te leggen, vooral dat soort maatregelen dat autonomie en eigenaarschap van leraren en directies wegneemt: “Lasting school change is fostered through internal normative pressure derived from a positive school climate,shared meaning, staff ownership and empowerment, and ongoing collaboration” (p. 12).

Bron?

Anderson, (2023). Collective Teacher Efficacy and its enabling conditions: A proposed framework for influencing Collective Efficacy in schools. AERA Open, Vol. 9, No. 1, pp. 1–16. DOI:https://doi.org/10.1177/23328584231175060

PIAAC-resultaten: reden tot (on)tevredenheid?

Het hangt er maar vanaf waarmee je vergelijkt.

Voor PIAAC (een internationaal vergelijkend onderzoek naar gecijferdheid, geletterdheid en het adaptief probleemoplossend vermogen van volwassenen) blijven de Vlaamse gemiddelde scores vrij stabiel. We blijven subtop (ook Nederland trouwens). Het aantal hoogscorende volwassenen is in vergelijking met 2012 zelfs significant toegenomen. Mooi. Meer zelfs, in tegenstelling tot PISA (15-jarigen) waar het aantal leerlingen dat de minimumlat niet haalt blijft stijgen (voor begrijpend lezen nu al 23,9%), blijft dat percentage in PIAAC rond 18% hangen. Ook dat stemt de onderzoekers van UGent tevreden.

Het hangt er echter maar vanaf waarmee je vergelijkt, zei ik al. Na PIAAC 2012 schreeuwden we moord en brand omdat er zomaar eventjes 800.000 laaggeletterde volwassen in het welvarende Vlaanderen bleken rond te lopen. Wetende dat er een verband is tussen laaggeletterdheid en de kans op werkloosheid, de kans om minder lang gezond en gelukkig te leven en de kans om van een sociale uitkering afhankelijk te worden, werd door de Vlaamse overheid een ambitieus, ronkend Plan Geletterdheid Verhogen ontwikkeld. Daarmee moest de laaggeletterdheid in Vlaanderen stevig teruggedrongen worden. Dat is dus niet gelukt. Plan niet geslaagd.

Wie de leeftijdsgroepen van PIAAC 2023 vergelijkt, stelt vast dat de 25-34-jarigen het sterkst scoren voor gecijferdheid en geletterdheid, gevolgd door de 35-44-jarigen. Ze doen het beter dan de 16-25-jarigen. Theoretisch kan er van alles aan de hand zijn. Zo is het mogelijk dat volwassenen tijdens de eerste fase van hun beroepsloopbaan stevig PIAAC-competenties ontwikkelen, precies omdat die op de arbeidsmarkt en in het leven van volwassenen (denk bv. aan jonge ouders) zo belangrijk zijn, en omdat de omstandigheden waarin ze kunnen verworven worden gunstig zijn. Het zou ook kunnen dat onze 15-jarige leerlingen tijdens het afgelopen decennium de PISA-toetstaken steeds lakser zijn gaan benaderen: ze houden minder lang vol als het wat moeilijker wordt, hun concentratieboog is korter, ze zijn steeds minder geïnteresseerd en gemotiveerd om goed te scoren, in vergelijking met de 25-44-jarigen. Volgens die hypothese zijn niet zozeer de competenties van de 25-44-jarigen gevoelig toegenomen, maar draait alles om de sérieux waarmee de verschillende leeftijdsgroepen de toetstaken benaderen. Het zou ook kunnen dat 15-jarige leerlingen de PISA-toetsen afleggen in een omgeving die hen niet aanzet om goed te willen presteren. Door laag te presteren uiten leerlingen hun ongenoegen met de omgeving waarin ze zich bevinden (en waarin ze zich te weinig gewaardeerd, uitgedaagd of gerespecteerd voelen), bij volwassenen is dat misschien minder het geval. Het zou uiteraard ook kunnen dat het onderwijs er steeds minder goed in slaagt om de geletterdheid van onze leerplichtige leerlingen op het beoogde peil te brengen.

We weten het niet. We beschikken simpelweg over te weinig data over wat er in klassen en op werkvloeren gebeurt om een van de bovenstaande hypothesen te falsifiëren. We varen blind. We varen laaggeletterd. En over te weinig data gesproken: op zijn onderwijsblog waarschuwt Pedro De Bruyckere (waarschijnlijk een van de weinige mensen in Vlaanderen die de moeite heeft genomen om ook het Engelstalige PIAAC-rapport door te nemen) dat de responsgraad voor PIAAC in heel veel landen (inclusief Vlaanderen en Nederland) behoorlijk laag lag, waardoor er toch wat risico over overinterpretatie van de schaarse data optreedt.

Bron: piaac.ugent.be

Over Generatieve AI, ChatGPT en wetenschappelijk schrijven. Een interview met Lieve De Wachter

Generatieve AI is een “game changer” in het schrijfonderwijs. De krant De Standaard vroeg zich onlangs zelfs af of de masterproef in het hoger onderwijs dood is. Lieve De Wachter (ILT KU Leuven) schreef samen met 3 collega’s een boek over het verantwoord gebruik van GenAI in functie van wetenschappelijk schrijven in het hoger onderwijs. Een interview met haar kan dus erg leerrijk zijn: hopelijk formuleren we goede prompts….

Is de masterproef écht dood?

Lieve De Wachter: Dat is wel meteen met de deur in huis. Ik had gehoopt dat dat de laatste vraag zou zijn. 😊 Maar goed… Als de masterproef enkel een product is met een tekst van een bepaalde lengte die een student op het einde van een academiejaar inlevert zonder de promotor ooit gesproken te hebben, dan zal het voor die begeleider niet makkelijk zijn om te weten waar en hoe die student Generatieve AI heeft ingezet. Met een beetje slechte wil zou je dus kunnen zeggen dat dat type masterproef dood is. Maar ik mag hopen dat begeleiders toch meer doen dan de laatste versie lezen; ik ga ervan uit dat ze tijdens het schrijfproces interveniëren en begeleiden, ongeacht of de student GenAI als ondersteuning inzet of niet. Zelf vind ik de masterproef nog altijd een heel interessante en veelzijdige oefening. Studenten moeten bronnen beoordelen, data analyseren en AI-uitvoer kritisch interpreteren. Zo leren ze het onderscheid tussen feitelijke en onbetrouwbare informatie kennen, wat met de huidige GenAI-instrumenten echt nog noodzakelijk is. De masterproef is trouwens niet alleen een schrijfoefening, maar vooral een grote denk- en argumentatieoefening, een kans om onderzoekstechnieken te leren kennen en toe te passen. Daarnaast moet een student zich in AI-tijden zeer bewust zijn van mogelijke risico’s als plagiaat en op de hoogte zijn van auteursrecht, copyright en eigen verantwoordelijkheid bij het gebruik van AI. Een goede masterproefbegeleider zal dat soort zaken tijdens het proces begeleiden en een student ook verder brengen dan geijkte antwoorden. Voor mij is de masterproef dus helemaal niet dood, misschien zelfs springlevend.

Op langere termijn zie ik dankzij GenAI ook veel meer mogelijkheden voor studenten om interdisciplinair te werken in hun masterproef. Veel onderzoeksdomeinen hebben eigen methodieken en onderzoeksapparaten, eigen databanken, eigen onderzoeksliteratuur. Als studenten door gerichte vragen te stellen makkelijker bij andere onderzoekspistes uitkomen, kan dat hun inzicht mogelijk verbreden. Ik zie nog veel potentieel daar.

Studenten kunnen GenAI inzetten om teksten te laten schrijven of hun eigen teksten te laten herschrijven. Vind je dat een goede zaak?

Lieve De Wachter: Als je zomaar door een simpele prompt een hele tekst kan laten schrijven en als je daarmee de opdracht perfect vervuld hebt, dan lijkt me de opdracht niet zo ideaal. Onderzoek toont aan dat studenten er vooral baat bij hebben om tijdens de ‘voorbereidende fase van het schrijven’ en tijdens de ‘revisiefase’ GenAI in te zetten. Daar heb ik op zich niet veel problemen mee. Als een student al zijn kennis over een onderwerp en alle kennis over schrijven (de specifieke genrekenmerken, stijl, structuur, woordgebruik) moet combineren om goede prompts te formuleren, dan kan die student daar veel van leren.

Kunnen alle studenten GenAI doeltreffend inzetten? Is GenAI de “grote gelijkmaker”?

Lieve De Wachter: Ah, die vraag is één van mijn stokpaardjes… In mijn eigen lespraktijk merk ik dat studenten van wie de kennis over het onderwerp beperkt is en die niet goed weten wat de kenmerken van academisch schrijven zijn, er niet in slagen om goede teksten te maken, ook niet als ze GenAI inzetten. Bovendien is ‘prompting’ -goede prompts maken- een kunst op zich. Ook daarvoor heb je veel kennis van de materie nodig, moet je opvolgvragen kunnen en willen stellen en moet je exact weten in welke stijl je moet schrijven.

GenAI kan wel voor een stuk een gelijkmaker zijn omdat veel tools momenteel gratis beschikbaar zijn. De GenAI-instrumenten kunnen in principe studenten met verschillende achtergronden en vaardigheden helpen om toegang te krijgen tot informatie en ondersteuning. Voor studenten zonder mogelijkheden van persoonlijke begeleiding (zoals tutoring of hulpbronnen) kan GenAI bovendien een virtuele coach zijn, wat kansen biedt voor meer gelijkheid. Een voorwaarde is wel dat wij als instellingen of als docenten studenten digitaal geletterd maken en blijven inzetten op kritisch denken.

Daarnaast maak ik me ook geen illusies: sommige studenten zullen altijd toegang hebben tot beter internet, tot betere hardware, tot de nieuwste en duurste tools en anderen niet. Bovendien zijn niet alle talen even goed ondersteund, wat een nadeel kan zijn voor studenten die opdrachten in niet-westerse talen moeten uitvoeren… Dat is iets waar we in het algemeen nog te weinig bij stilstaan.

Hoe kunnen docenten best reageren op GenAI?

Lieve De Wachter: Zeker niet defensief of ontkennend! GenAI is er, er is geen ontkomen aan en dat zal nog wel even zo blijven… Ik merk dat er nog steeds collega’s zijn die doen alsof GenAI niet bestaat, die hopen dat het wel zal overwaaien, die denken dat ze hun opdrachten niet hoeven aan te passen omdat studenten volgens hen geen GenAI zullen gebruiken. Dat lijkt me vrij naïef. Het minste wat wij als docenten kunnen doen, is onze leerdoelen opnieuw kritisch bekijken en vervolgens onze leeractiviteiten en onze evaluatie waar nodig aanpassen aan de nieuwe realiteit. Ik zie dat als een kans om opnieuw met een frisse blik na te denken over onze vakken. Misschien zijn sommige opdrachten niet GenAI-proof of is het nuttig om er een ander type evaluatie aan te koppelen. Dan is het nu een goed moment om daar werk van te maken, lijkt me.

Daarnaast denk ik dat we onze studenten goed moeten uitleggen wat we van hen verwachten en vind ik dat we hen digitaal geletterd moeten maken, ook op het vlak van GenAI. We moeten zelf goed weten wat de systemen kunnen en de beleidslijnen van de universiteit kennen zodat we die aan de studenten kunnen uitleggen. Ik merk dat daar vaak nog misverstanden over bestaan tussen docenten.

Wat we zeker niet moeten doen, is al onze energie in ‘detectie’ stoppen. Dat zet weinig zoden aan de dijk. Die GenAI-detectiesystemen werken allesbehalve optimaal. Vaak kan je niet echt hardmaken dat studenten GenAI gebruikt hebben tenzij ze flagrante fouten maken zoals de prompt in hun tekst laten staan of onbestaande bronnen opnemen. Als docent kan je wel alert zijn voor stijlbreuken in de tekst, maar dat is niet nieuw: ook in de periode voor GenAI namen studenten soms stukken tekst van bestaande werkstukken over en mengden die met hun eigen schrijfsels. Of papa of mama herformuleerde stukken tekst, waardoor je ook een vreemde mix kreeg. Het lijkt me dan ook beter om studenten te doordringen van het nut van ‘informatievaardigheden’, hen uit te leggen wat fraude is en hen digitaal geletterd te maken. Ik merk dat oneigenlijk gebruik van GenAI meestal aanleunt bij algemene fraudeproblemen of plagiaat en daar moeten we sowieso streng voor zijn.

Natuurlijk moet je als docent je opdrachten aanpassen aan de leerdoelen van je vak. Als het een van je leerdoelen is dat studenten zelfstandig, dus zonder gebruik van extra (digitale) hulpmiddelen, een bepaalde tekst kunnen schrijven, dan belet niets je om dat aspect ook te testen in een offline omgeving. Dat kan bij sommige opdrachten nuttig zijn, al ben ik er zelf zeker geen voorstander van om terug te keren naar pen en papier.

Hoe kunnen opleidingen best reageren op GenAI?

Lieve De Wachter: Opleidingen zouden hun curriculum kritisch onder de loep moeten nemen. Hoe is de leerlijn informatievaardigheden uitgebouwd? En de leerlijn schrijven? Welke plaats krijgt GenAI daarin? Het lijkt me belangrijk dat studenten vanaf de eerste fase goed begrijpen wat (Gen)AI is, hoe het werkt, welke richtlijnen de instelling uitstippelt, wat er van hen verwacht wordt als ze schrijven. Daar zullen opleidingen bewust aandacht aan moeten besteden. Ik denk niet dat je dat aan de individuele docent moet overlaten of moet hopen dat studenten dat uit zichzelf wel zullen terugvinden.

Conclusie: is GenAI een zegen of een troef voor wetenschappelijk schrijven?

Lieve De Wachter: Ik zou graag beweren dat het alleen een zegen is, maar ik ben niet naïef. Het stelt ons natuurlijk voor heel wat uitdagingen en we weten niet hoe het verder zal evolueren. We hebben er ook nog geen zicht op hoe GenAI ons schrijfproces precies zal veranderen en of er een generatie zit aan te komen die helemaal niet meer leert om zelf creatief na te denken. Dat hebben we allemaal niet in de hand. Er zijn daarnaast ook de grotere problemen van duurzaamheid, van bias, van privacy en auteursrecht. Dat zijn zaken die we niet kunnen negeren en waar alle betrokkenen aandacht aan moeten blijven besteden. Maar zeker: GenAI biedt troeven, ook voor wetenschappelijk schrijven. Dat zie ik in mijn dagelijkse lespraktijk en dat blijkt ook uit het beperkte onderzoek tot nu toe. Dus op dit moment is mijn motto: leer eerst wat de kenmerken van goed schrijven zijn en zet GenAI dan bewust in om een nog betere schrijver te worden.

Wijze woorden van Lieve De Wachter, en by the way, bij het schrijven van dit interview werd GenAI niet gebruikt….

Meer lezen?

De Wachter, L., Fivez, K., Van Soom, C., & De Groef, B. (2024). Wetenschappelijk schrijven in tijden van AI. Borgerhoff & Lamberigts.

Maak uzelf geen blaaskens wijs over gelijke onderwijskansen in Vlaanderen

Hoe hardnekkig is de relatie tussen de sociale achtergrond van leerlingen en hun succes in ons onderwijssysteem? Zeer hardnekkig. Meer zelfs, wie over een tijdsspanne van ongeveer 80 jaar vier geboortecohorten van Belgen met elkaar vergelijkt, zoals Kruithof en Verhaeghe (2024) dat deden, merkt dat de impact van sociale achtergrond bij de meest recente geboortecohorten (leerlingen geboren na 1975) weer sterker is geworden, na een tijdelijke daling. Een U-bocht, noemen de onderzoekers dat, en daardoor vliegen nog steeds veel leerlingen van arbeiders uit de bocht van ons onderwijssysteem.

Meer bepaald zijn kinderen van minder kansrijke en begoede ouders minder succesvol (en schrijven ze zich proportioneel minder in) in het hoger onderwijs. Daarop concentreerde deze studie zich. De toename van het aantal studenten in het hoger onderwijs die al een tijd wordt opgetekend, doet zich vooral voor bij kinderen van de middenklasse en hogere middenklasse, en veel minder bij kinderen van wat de onderzoekers de “arbeidersklasse” noemen. In de krant De Standaard (3 december) zegt onderzoeker Pieter-Paul Verhaeghe het onverbloemd:

“We moeten onszelf dus geen blaasjes wijsmaken: het zijn niet de arbeidersjongens die onze aula’s nu doen vollopen. Integendeel: de ongelijkheid in het onderwijs heeft een flinke comeback gemaakt, en zit nu terug op hetzelfde niveau als voor 1950.”  

De gevolgen zijn stevig, want op de hedendaagse arbeidsmarkt is een diploma hoger onderwijs in steeds meer sectoren een bindend toegangsticket geworden. Ook het verenigingsleven en sociale leven in het maatschappelijk leven dreigen volgens de onderzoeker steeds meer gesegregeerd te raken als we dit probleem niet opgelost krijgen.

Methodologisch is deze studie erg interessant. De U-bocht kwam immers enkel naar boven als de sociale achtergrond van ouders in de statistische analyses multidimensioneel werd benaderd. Uit de unidimensionele analyses bleek eerder een stabiel effect van “parental resources” op het onderwijssucces van hun kinderen en was de U-bocht veel minder duidelijk.

De democratiseringsgolf in ons onderwijs is dus stilgevallen, en zelfs teruggedraaid. Verhaeghe poneert dat we wel vooruitgang hebben geboekt in ons middelbaar onderwijs, maar dat de drempel is verschoven naar het hoger onderwijs. Enkel voor “arbeidersjongens” is dat niet waar: die hebben het relatief gezien ook nog steeds erg moeilijk in het secundair onderwijs.

Uiteraard roept deze studie allerlei vragen over de doeltreffendheid van het Vlaams (en Belgisch) onderwijsbeleid op: heeft de hervorming van het secundair onderwijs iets verholpen aan het watervalsysteem? Moeten we terug een veel actiever gelijke-onderwijskansenbeleid voeren? Of enkel een gerichter beleid richting arbeidersjongens? En in welk segment van het onderwijssysteem dan? Hoe hoog staat deze uitdaging op de prioriteitenlijst van de huidige Vlaamse regering?

Het kan alvast geen kwaad om de meest doeltreffende maatregelen die uit de meta-analyse van Dietrichson e.a. (2021) naar voor kwamen, nog even op te roepen. Zij stelden vast dat (a) peer-tutoring/samenwerkend leren, en (b) instructie in kleine groepen door een bekwame leraar de sterkste effecten hadden op het verhogen van gelijke onderwijskansen. De kwaliteit van de interactie tussen leraar en leerlingen, en tussen leerlingen, bleek een cruciale factor. Dat zijn alvast factoren die positief te beïnvloeden vallen.

Bron?

https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0276562424001070

Digitale competenties: een kloof bij leerlingen en leraren

De internationale Icils-studie naar de computer- en digitale vaardigheden van jongeren in Vlaanderen en de Digitale Barometerstudie (beiden recent uitgevoerd) tonen enkele opvallende tendenzen:

– Voor Icils zijn onze 14-jarigen wereldtop. Slechts een paar landen doen het beter dan Vlaanderen. Dat we wereldtop zijn, kan gezien de mediastroom rond dalende onderwijskwaliteit voor sommigen verbazingwekkend klinken. Het feit dat onze leerlingen voor deze vorm van geletterdheid zo goed scoren terwijl hun PISA-scores gestaag blijven dalen, versterkt bij mij vooral de idee dat we dringend nood hebben aan meer onderzoek naar de “task engagement” van onze leerlingen. “Engagement” (door Sinatra en collega’s ooit de “holy grail of learning” genoemd) staat voor het engagement waarmee leerlingen leertaken aanpakken: gaan ze geconcentreerd aan het werk, blijven ze geconcentreerd, doen ze moeite om de leertaak goed uit te voeren en om moeilijkheden die ze tijdens de taakuitvoering ervaren te overwinnen? Het is niet uitgesloten dat onze leerlingen voor de Icils-taken letterlijk warmer liepen en geconcentreerder aan het werk bleven dan voor de klassiekere begrijpend-leestaken van PISA. Het is ook mogelijk dat deze taken beter aansluiten bij hun interesses of vrijetijdsbezigheden. Kwalitatief onderzoek naar processen van taakuitvoering is aan de orde. (Wat overigens niet wegneemt dat er ook een grote nood is aan onderzoek dat documenteert wat er echt in klassen gebeurt als leraren pogingen doen om de geletterdheid van leerlingen te bevorderen).

– Wereldtop of niet, een sociale kloof loopt alweer door de scores van leerlingen. Kinderen die in kansarmoede opgroeien, leerlingen met schoolachterstand, leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands en leerlingen in de B-stroom (groepen die stevig overlappen overigens) doen het minder goed. De Digitale Barometerstudie 2024 wees er evenzeer op: “In 2023 zijn 4 op de 10 Belgen tussen 16 en 74 jaar (40%) nog steeds digitaal kwetsbaar, ofwel omdat ze geen gebruik maken van het internet (5%), ofwel omdat ze zwakke algemene digitale vaardigheden hebben (35%).” Van de volwassenen in Vlaanderen die geen diploma hoger secundair onderwijs haalden, blijkt liefst 70% digitaal kwetsbaar. Ons onderwijssysteem heeft op dit vlak een duidelijke missie: ervoor zorgen dat letterlijk niemand achterblijft, dat alle leerlingen de tred kunnen volgen terwijl buiten de school de digitalisering genadeloos verder raast en steeds meer domeinen van een mensenleven inpalmt en bepaalt.

– Wereldtop of niet, een opvallend hoog percentage van de ICT-coördinatoren in onze secundaire scholen (80%) rapporteert dat niet alle leraren van hun schoolteam over de nodige competenties beschikken om zelf efficiënt met ICT om te gaan, ICT te integreren in hun lessen en de digitale competenties van hun leerlingen te verhogen. De ontwikkeling van digitale competenties zit in de meeste scholen opgesloten in de klassieke computerlessen, en slechts de helft van de scholen heeft een schoolbrede visie op de integratie van ICT in het hele curriculum. De Vlaamse Digisprong pompte hardware in de schoolgebouwen, de schoolteams kochten massaal software aan, maar er is duidelijk ook nood aan een investering in de skillsware van schoolteams.  Op dit vlak moet dus stevig nagedacht worden over een doeltreffend professionaliseringsaanbod, waarmee liefst 2 vliegen in één klap kunnen worden gevangen: leid leraren op om met ICT in de klas om te gaan (en schoolteams om daarrond een visie te ontwikkelen (vlieg 1), en doe dat op zo’n manier dat alle leerlingen curriculumbrede impulsen krijgen om hun ICT-competenties te ontwikkelen, vooral die leerlingen die achterophinken (vlieg 2). En, voor alle duidelijkheid, hoe hoog ik het belang van goed taalonderwijs Nederlands ook inschat, dit red je niet door alleen maar in te zetten op “Nederlands, Nederlands, Nederlands”.

– Wereldtop of niet, ongeveer ¾ van onze leerlingen heeft het moeilijk om de betrouwbaarheid van informatie op het internet te beoordelen. In tijden van nepnieuws en desinformatie is het geen overbodige luxe om hier in alle vakken de schijnwerpers op te richten. En dat is een digitaal understatement.

Bronnen:

https://kbs-frb.be/nl/barometer-digitale-inclusie-2024https://kbs-frb.be/nl/barometer-digitale-inclusie-2024

https://www.iea.nl/publications/icils-2023-international-report