Samenwerkend leren: wanneer werkt het?

Leerlingen kunnen heel veel van mekaar leren als ze samenwerken in groepen. Maar leerlingen gewoon in groepen zetten geeft geen garantie dat er veel geleerd en hard gewerkt zal worden. Het internationale onderzoek naar groepswerk levert gelukkig heel wat interessante inzichten voor leerkrachten op: wanneer werkt samenwerkend leren het best?

  1. Geef groepen een uitdagende én interessante opdracht. De combinatie van een interessante vraag en een pittige uitdaging zet groepen aan het werk. Als de opdracht te makkelijk is of te saai, dan houden groepsleden zich al gauw met andere dingen bezig. Groepen kunnen best aan het werk gezet worden met een vraag die hen fascineert, een vraag waarop ze graag het antwoord willen weten, een taak die hen boeit en positief prikkelt. De opdracht mag best pittig zijn: ze moet leerlingen het gevoel geven dat ze het best moeilijk zouden hebben om de klus helemaal  alleen te klaren, en dat ze de hulp van de andere groepsleden dus nodig zullen hebben.
  2. Geef de groepen een opdracht die naar een duidelijk doel of product toewerkt. Het groepswerk moet een duidelijk omschrijfbaar product opleveren: bijvoorbeeld een antwoord op drie vragen, een ingevuld schema, een poster met drie milieutips, de tekst voor een rapsong, een stand voor een gezondheidsdag. Duidelijke eindproducten geven richting aan het werk van de groepen en dagen de groepsleden ook uit om doelgericht en efficiënt met hun tijd om te gaan.
  3. Geef heldere instructies:  Bij het introduceren van groepswerk is het aangewezen dat leerkrachten rustig de tijd te nemen om de opdracht duidelijk toe te lichten. Zet de leerlingen eerst in groepjes, en geef hen dan de inhoudelijke taakinstructie. Als de groepen aan het werk zijn gegaan, kunnen leerkrachten best meteen een rondje van de klas maken om te controleren of de leerlingen goed van start gaan; de groepjes die toch nog vragen hebben bij de instructie, kunnen die dan in stilte stellen.
  4.  Maak leerlingen afhankelijk van elkaar: Om te vermijden dat één of twee leerlingen in een groep van vier al het werk leveren, kan gewerkt worden met opdrachten waarbij leerlingen mekaar echt nodig hebben. Dat kan op allerlei manieren: (a) Verdeel de informatie over verschillende leden: geef elk lid van de groep een eigen stuk informatie, en laat de groepen vervolgens een opdracht uitvoeren waarvoor de informatie van alle leden moet gecombineerd worden. (b) Geef opdrachten waarbij verschillende vaardigheden en kennis nodig zijn: zet leerlingen bij mekaar die verschillende talenten hebben en geef de groep een opdracht waarbij verschillende competenties nodig zijn. Laat leerlingen bijvoorbeeld aan de hand van verschillende informatieve teksten een geïllustreerde poster of toneeltje maken rond vier milieutips om energie op school te besparen. Opdrachten voor groepen met complementaire expertise kunnen niet alleen binnen een klas opgezet worden, maar ook over klassen, leerjaren en zelfs studierichtingen heen. (c) Werk in opeenvolgende fasen: laat leerlingen in een eerste ronde in verschillende groepjes werken, en laat elk groepje expertise opbouwen rond een bepaald aspect van het probleem. Herverdeel vervolgens de groepjes zodat vertegenwoordigers van de verschillende groepen nu bijeen komen zitten en samen aan de slag gaan. (d) Zet leerlingen met verschillende ideeën, meningen of voorkennis bij mekaar: Verzamel in een eerste brainstormronde de voorkennis, meningen of spontane ideeën van leerlingen, en stel de groepjes dan zo samen dat leerlingen met heel diverse ideeën of opinies met mekaar moeten samenwerken (en bijvoorbeeld een compromis moeten uitwerken). Dat daagt leerlingen ook uit om met verschillen te leren omgaan en constructief naar oplossingen te leren zoeken.
  5. Werk met wisselende samenstellingen: Varieer de groepssamenstelling. Werk regelmatig met heterogene groepen waarbij leerlingen van verschillende vaardigheidsniveaus samenzitten. Zo kunnen de ‘sterkere’ leerlingen de anderen helpen (dat is ook voor de sterkere leerlingen interessant omdat die kunnen leren van het ‘uitlegeffect’). Maar werk op andere momenten dan weer met een homogenere groepssamenstelling, zodat alle leerlingen opdrachten kunnen uitvoeren die net boven hun niveau liggen. Laat leerlingen dus met veel verschillende leerlingen samenwerken zodat ze geprikkeld worden om te leren omgaan met diversiteit.
  6. Zorg voor een veilig klimaat: Een van de grote troeven van groepswerk is dat leerlingen zich, in vergelijking met de grote klas, vaak veiliger voelen om hun mening te uiten of hun (wilde) ideeën op tafel te leggen. Maar dat veilige klimaat moet dan ook bewaakt worden. De leerkracht kan dus best bij groepswerk een positief-stimulerende rol spelen door aan te moedigen, mee probleemoplossend te denken, open te staan voor de ideeën van de groep, en (mee) te bewaken dat alle leerlingen aan bod kunnen komen.
  7. Maak leerlingen zelf verantwoordelijk voor het welslagen van het groepsgebeuren:  Groepen die samenwerken krijgen best niet alleen een inhoudelijke taak, maar ook een sociale taak, namelijk streven naar een goede, constructieve samenwerking binnen de groep. Geschillen, en verschillen van mening, mogen er zijn, maar ze moeten op een respectvolle manier uitgepraat en bediscussieerd worden. Het is een goed idee om groepsleden een rol te geven in het groepsgebeuren: bijvoorbeeld, de voorzitter waakt erover dat iedereen aan bod komt, de mediator bemiddelt bij moeilijke geschillen, de tijdsbewaker bewaakt of de groep op tijd klaar zal zijn, de materiaalmeester zorgt ervoor dat alle materialen netjes verdeeld worden…
  8. Bespreek het proces en product van groepswerk: Leerkrachten moeten er zorg voor dragen dat er voldoende tijd over is om niet alleen het product, maar ook het proces van de groepswerken te bespreken. Hoe hebben de groepen hun werk georganiseerd? Is iedereen voldoende aan bod gekomen? Hoe zijn de conflicten binnen de groep aangepakt? Leerlingen kunnen veel leren van hoe andere groepen bepaalde taken aanpakken of van de strategieën (bijvoorbeeld voor conflictoplossing) die de leerkracht aanreikt.
  9. Vertrek van hoge verwachtingen: Leerkrachten doen er goed aan te expliciteren wat de leerlingen zullen leren dankzij het uitvoeren van het groepswerk, en ook dat zij er het volste vertrouwen in hebben dat de leerlingen de taak naar behoren zullen uitvoeren. Vertrekken van hoge verwachtingen vertrekt in de eerste plaats echter al bij de keuze van de leerkracht om groepen van leerlingen uitdagende taken te geven die ze samen mogen uitvoeren: dat is een stevig signaal dat de leerkracht vertrouwen heeft in de ‘leer-kracht’ van groepen samenwerkende leerlingen. Als groepen krachtig hebben samengewerkt, mag dat succes dan ook expliciet benoemd worden.
Advertenties