Omgaan met thuistaal op school

Acht op de tien leerlingen die op een Vlaamse school Turks of Arabisch gebruiken, lopen kans om strafstudie te krijgen. Zo bleek uit een onderzoek van drie Vlaamse universiteiten.  De onderzoekers brengen dit gegeven zelfs in verband met de zwakkere onderwijsresultaten van de leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst. Maar onderwijskoepels verdedigen hun scholen en stellen dat leerlingen op school zoveel mogelijk Nederlands moeten spreken, ook op de speelplaats, want veel Turkstalige en Arabisch-talige leerlingen spreken thuis geen woord Nederlands. Daar valt veel over te zeggen…

1. Eerst en vooral: wellicht niemand zal betwisten dat Vlaamse schoolteams hun uiterste best moeten doen om leerlingen te ondersteunen in hun verwerving van het Nederlands. Dat Nederlands hebben de leerlingen immers nodig om zichzelf volop te ontplooien op school en daarbuiten, en om hun kansen op maximale ontplooiing in hun verdere leven gaaf te houden. Hoogstaand onderwijs van, en in, het Nederlands is een wezenskenmerk van duurzaam onderwijs.

2. Toch hoeft dat niet per se te betekenen dat er geen plaats of ruimte kan zijn voor de thuistaal van leerlingen. Ten eerste kan een openheid en respect voor de thuistaal van leerlingen hun welbevinden bevorderen. Vlamingen weten meer dan wie ook dat een thuistaal een deel is van je identiteit. Wie zijn thuistaal onderdrukt of bestraft ziet, zou wel eens een wezenlijk deel van zijn identiteit afgekeurd kunnen zien. Positiever uitgedrukt, een school die de thuistaal positief benadert, kan daardoor het welbevinden van leerlingen op school bevorderen. Dat werd onlangs nog eens aangetoond in het onderzoek naar de effecten van het thuistaalproject in Gentse scholen. Internationaal onderzoek wijst bovendien uit dat welbevinden bevorderlijk is voor leren op school. Deze positieve spiraal kan dus bijvoorbeeld op de speelplaats in gang gezet worden: dat is immers de plaats waar de leerlingen uitblazen, zich ontspannen, hun emoties de vrije loop laten, en dat doen jonge mensen nog altijd het best als ze zich op hun gemak voelen, en dus bijvoorbeeld van hun thuistaal (of thuisdialect) mogen gebruik maken.

3. Er wordt wel eens beweerd dat het Nederlands bij leerlingen van een andere etnische herkomst ‘knuffelgehalte’ mist. Als leerlingen op de speelplaats Nederlands spreken, zou dat knuffelgehalte stijgen. Maar als dat gepaard gaat met het bestraffen van andere talen, dreigt Nederlands net een ‘bestraffingsgehalte’ te krijgen, eerder dan een knuffelgehalte.

4. Het argument dat leerlingen van Turkse en Marokkaanse herkomst zoveel mogelijk Nederlands moeten spreken omdat ze thuis geen woord Nederlands horen of spreken, klopt niet. Vlaams onderzoek (waaronder doctoraatsonderzoek dat ikzelf begeleidde) wijst uit dat de situatie veel genuanceerder is. Heel veel leerlingen van Turkse en Marokkaanse herkomst gebruiken thuis wel Nederlands: ze kijken ook naar Ketnet, ze spreken ook Nederlands (vooral met broers en zussen), ze gebruiken ook Nederlands om te chatten en te surfen op het internet. Precies deze leerlingen zijn vaak meertaliger dan vele van hun Nederlandstalige leeftijdsgenoten.

5. Sommige pedagogen pleiten ervoor dat niet-Nederlandstalige leerlingen ook in de les soms hun thuistaal mogen inzetten als hulp bij het leren in het Nederlands. Zo kunnen ze bijvoorbeeld tijdens groepswerk kort even overleggen in hun thuistaal over een lastige taak, een moeilijk Nederlands woord snel vertalen naar hun eigen taal, informatie opzoeken op een website in hun eigen taal, of een grammaticaregel van het Nederlands vergelijken met de regel in hun eigen taal om er beter greep op te krijgen. De thuistaal wordt dan een hulpmiddel (een steigertje) bij het leren van, en in, het Nederlands. Leerkrachten kunnen hierover heldere afspraken maken met hun leerlingen: wanneer kan het, en wanneer niet? De leerlingen betrekken bij het maken van die afspraken, kan bovendien bijdragen tot de democratische opvoeding van leerlingen, en kan ertoe leiden dat de leerlingen ‘hun’ regels beter eerbiedigen.

6. Om het in termen van duurzaam onderwijs uit te drukken: ruimte geven aan de thuistaal van de leerlingen kan verbindingen creëren, en duurzamer maken, tussen thuismilieu en schoolmilieu, tussen buitenschoolse leefwereld en binnenschoolse leefwereld, tussen kennis verworven thuis en kennis aangeboden op school, tussen leren en leven, tussen emotie en cognitie, tussen leerling en leerkracht, tussen ouders en leerkracht.

7. Nog een stap verder gaat het meertalig onderwijs: daarbij wordt een deel van de lestijden in de thuistaal van de leerlingen gegeven. De leerlingen leren dan bijvoorbeeld eerst rekenen, lezen, of de werking van een hefboom ontleden in hun eigen taal, en maken in een tweede fase de overstap naar het leren in de tweede taal. Dit model is in vele landen in het buitenland ingevoerd en uitvoerig onderzocht. Internationaal onderzoek wijst uit dat dit model enkel goed werkt als er een voldoende aantal jaren in het onderwijs in de eerste taal wordt geïnvesteerd (zodat ook die moedertaal wordt ontwikkeld op voldoende hoog, schools niveau), als er goede lesmaterialen en leerkrachten aanwezig zijn, veel steun van de ouders, en een goede afstemming van het onderwijs in de eerste taal en in de tweede taal.

8. In Vlaanderen gaat de ruimte voor andere talen vooral (of zelfs uitsluitend) naar de vreemde talen die we als vak onderwijzen (Frans en Engels vooral). Ook hiermee starten we in vergelijking met andere landen in Europa vrij laat. Veel andere landen doen al veel vroeger aan talensensibilisering (waarbij leerlingen vanaf kleuterleeftijd positieve attitudes ontwikkelen tegenover alle talen, en het leren van talen), en taalinitiatie (waarbij een vreemde taal op een speelse, kindvriendelijke manier) wordt aangeleerd.

De conclusie voelt wat vreemd aan: Vlaanderen lijkt wel een beetje bang van meertaligheid. Dat is gek voor een regio die in het hart van Europa ligt, en er zelfs de officieuze hoofdstad van is. Een regio die altijd trots is geweest op de talenkennis van haar bevolking. Een regio die met open blik in de wereld wil staan. Een regio die er veel bij te winnen heeft (op sociaal, cultureel, economisch vlak) als haar bevolking heel veel talen vlot kan spreken. Een regio die als geen ander de waarde van een moedertaal voor een mens kan inschatten. Een bruisend kruispunt van talenkennis en talentrots. I have a dream that one day this nation will rise up and live out the true meaning of its creed: haar taligheid. Haar MEERtaligheid.