Zin en onzin van voorschoolse en vroegschoolse taalstimulering

Heel wat anderstalige kinderen (van laaggeschoolde ouders) beginnen met een lagere taalvaardigheid Nederlands aan het eerste leerjaar dan hun Nederlandstalige leeftijdsgenootjes (uit middenklassegezinnen). Ze dreigen daardoor al snel “onderwijsachterstand” op te lopen. Vandaar dat door veel beleidsmakers en onderwijskundigen wordt gepleit voor taalstimulering in de kleuterklassen, en zelfs daarvoor al in de vroege kinderopvang. Op die manier kunnen de betrokken kinderen met een beter gevuld rugzakje aan hun reis door het lager onderwijs beginnen. Maar werkt die voorschoolse en vroegschoolse taalstimulering wel? Het internationale wetenschappelijk onderzoek rapporteert gemengde resultaten. Niet alles werkt blijkbaar even goed….

Er loopt doorheen het verhaal van die vroege taalstimulering eigenlijk een vreemde paradox. Omdat de taalstimulering vooral gezien wordt als een voorbereiding op een schoolloopbaan, sluipen heel wat schoolse termen en methodieken in het wereldje van de vroege taalstimulering binnen. Zo zie je in Nederlandse websites over VVE (vroeg- en voorschoolse educatie) steevast termen opduiken als “leerlijnen”, “gestructureerde leeromgeving” en “methode”. Dat leidt al snel naar een vrij schoolse aanpak waarbij woorden via een gestructureerd programma expliciet worden aangebracht als te leren leerstof. Het probleem is echter dat op deze prille leeftijd het expliciete taalleervermogen van peuters en kleuters nog helemaal niet goed ontwikkeld is. Peuters en kleuters leren geen taal door er methodisch, gestructureerd, bewust of expliciet mee bezig te zijn. Peuters en kleuters pikken taal op terwijl ze met andere dingen bezig zijn. Ze verwerven taal onbewust terwijl ze aan het spelen, ravotten, ontdekken, eten, lopen, ruzie maken, lachen zijn.  Ze leren taal door die taal te verbinden met toffe dingen die ze vastgrijpen, met sprongen die ze maken, geuren die ze ruiken, mensen die ze leuk vinden… Ze leren de taal die hun brein kan verbinden met voorwerpen, acties, gebaren, tekeningen, beelden om hen heen. De kleuter moet dus niet mee-leren met de begeleider. Neen, de begeleider moet meespelen met de kleuter; de begeleider moet mee bewegen met de kleuter; de begeleider moet praten met de kleuter over de dingen die de kleuter bezighoudt, over de mensen die de kleuter bezighoudt, over de acties waarmee de kleuter bezig is. En daarbij moet de begeleider alles wat het kind kan gebruiken om betekenis te geven aan die taal (of om zelf betekenis te produceren via taal) inschakelen: de voorkennis van het kind, de andere talen die het al spreekt, de dingen die het kind vasthoudt, de acties die het kind onderneemt. Zo werkt prille taalverwerving. Zo werkt impliciete taalverwerving.

Kinderen leren immers door (onbewust) verbindingen te maken en te zien. Verbindingen tussen de boodschappen die ze horen (en die ze zelf proberen over te brengen) en de wereld om hen heen. Verbindingen tussen nieuwe taal en taal die ze al kennen. Verbindingen tussen de boodschap, de boodschapper en zichzelf. Voor jonge kinderen zijn boodschap en boodschapper nog vaak niet gescheiden. Ze vertrouwen boodschappen als die van mensen komen die ze vertrouwen, ze vinden boodschappen leuk als die van mensen komen die ze leuk vinden. Ze binden zich makkelijker aan boodschappen als ze zich tegelijkertijd aan de boodschapper kunnen binden. Zo ontstaan duurzame verbindingen in het kinderbrein.

Aan begeleidsters van heel jonge kinderen die aan taalstimulering willen doen, zou ik dus durven zeggen: doe niet in de eerste plaats aan taalstimulering. Speel mee, doe mee, wees geïnteresseerd in het kind, en geef uiting aan je interesse door wat je zegt. En door hoe je luistert. Smeed een warme band met het kind en stimuleer het kind om nieuwe dingen te doen en te ontdekken. Praat daarover. Laat het kind daarover praten. Bouw voort op wat het kind inbrengt. En spreek normaal: gebruik rijk, natuurlijk taalaanbod. Dan komt taalverwerving vanzelf. Of beter, dan komt taalverwerving als een wervelwind. Het is misschien daarom dat ‘integrale’ taalstimuleringsprogramma’s (waarin taalverwerving geïntegreerd wordt met ontwikkeling en stimulering op heel wat andere gebieden) voor veel kleuters en peuters zo goed blijken te werken.

Voor een mooi voorbeeld van een project rond integrale, impliciete taalverwerving in de kinderopvang: zie Tatertaal

http://www.cteno.be/index.php?idMenu=114&id_project=94

Advertenties