Pijlers van een zorgbeleid op school

Ik werd door VVKSO uitgenodigd om een lezing te geven over “Werken aan zorg binnen duurzaam onderwijs”. Ik introduceerde de volgende pijlers van een duurzaam zorgbeleid op school:

  1. Het uitgangspunt van zorg op school: Kinderen en jonge mensen hebben intrinsiek veel positieve energie om te leren. Ze WILLEN leren en ze KUNNEN ook leren. In essentie gaat zorg op school over: (a) positieve energie voor leren bij elke individuele leerling opwekken, en (b) die positieve energie maximaal omzetten in succesvolle leerervaringen. Want als (b) lukt, dan is (a) terug het gevolg. Als leren succesvol is, dan komt er nieuwe positieve energie vrij. Zo blijft het wiel draaien. Zorg op school gaat dus over het voortdurende streven van een schoolteam om doorheen alle lessen en activiteiten bij elke individuele leerling positieve energie voor leren op te wekken, en die energie maximaal om te zetten in leren. De vraag is dan: hoe kan een schoolteam dat verwezenlijken?
  2. Werken aan zinvolle leerinhouden:  Een grootscheepse enquête van de Vlaamse scholierenkoepel onder 4000 leerlingen (september 2010) gaf het duidelijk aan: jonge mensen krijgen veel positieve energie voor leren als de leerinhouden zinvol en betekenisvol zijn, als ze het gevoel hebben dat ze er beter van worden en dat ze met de leerinhouden iets zinnigs kunnen doen (nu of later). Die zinvolle leerinhouden kunnen best ook meedrijven met de golf van de tijd: hedendaagse competenties zoals leren probleemoplossend denken, constructief en kritisch leren werken met nieuwe media en moderne technologieën, leren omgaan met anderen, leren autonoom denken, kennis kunnen toepassen, en leren leren zijn competenties die voor elke leerling een centrale plaats moeten innemen in het curriculum.
  3. Vertrouwen geven aan jonge mensen: Jonge mensen krijgen meer positieve energie voor leren als ze vertrouwen hebben in zichzelf en in hun leerproces. Of als iemand hen dat vertrouwen geeft. Leerkrachten spelen daarin een sleutelrol. Als leerkrachten laten blijken dat ze geloven in de “leer-kracht” van leerlingen, dan kunnen leerlingen makkelijker grenzen verleggen. Omgekeerd knappen leerlingen af op herhaalde faalervaringen en signalen dat ze iets niet (goed) kunnen. Dan gaat kostbare energie voor leren verloren. Dat blijkt heel duidelijk uit de getuigenissen van leerlingen in het recente Unicef-rapport “Iedereen gelijke onderwijskansen? Dat denken zij ervan.”
  4. Warme banden smeden met jongeren: Jongeren leren vooral van wie ze willen leren. Ze leren makkelijker van iemand die zich echt om hen bekommert, die naar hen luistert, die hen respecteert, die eens goed kan lachen, die hen helpt als dat nodig is. Een luisterend oor van een leerkracht resulteert in een… luisterend oor van een leerling.
  5. Verbindingen smeden tussen het gekende/bekende en het nieuwe: Leren is verbindingen maken tussen wat je al weet of kan, en wat je nog niet weet/kan. Dus als leerkrachten willen dat al die positieve energie van leerlingen zich omzet in succesvol leren, dan moeten ze nieuwe leerinhouden trachten vast te haken aan de voorkennis van de leerling, aan een concrete ervaring van de leerling, of aan vaardigheden die hij al heeft verworven. Zo zal het nieuwe beklijven en zich vasthaken. Zo wordt kennis duurzaam.
  6. Variatie aan werkvormen, groeperingsvormen en tempi: Niet iedereen leert op dezelfde manier, en op hetzelfde tempo. In een zorgzaam onderwijs maken leerkrachten gebruik van heel veel verschillende werkvormen, leggen ze moeilijke materie op verschillende manieren uit, en laten leerlingen op verschillende manieren met de leerstof aan het werk gaan. Zo verhoogt de kans dat verschillende leerlingen in staat zullen zijn om duurzame verbindingen te leggen tussen het gekende en het nieuwe. In de duurzame school krijgen leerlingen die wat trager leren uitgebreidere kansen om de basisstof onder de knie te krijgen: de school gaat daarbij creatief en flexibel om met groeperingsvormen, en gebruikt zowel heterogene groepen en peer-tutoring als klasoverschrijdende leergroepen en moderne technologieën om leerlingen op hun niveau en tempo te laten leren.
  7. Evaluatie dient om zorg te verfijnen, niet om meer zorgen op te wekken: Evaluatie gaat in de eerste plaats om leerlingen observeren en de vraag stellen: wat stel ik vast, en hoe kan ik deze leerling het best helpen? Hoe kan ik ervoor zorgen dat ook bij deze leerling positieve energie voor leren wordt opgewekt, en hoe ervoor zorgen dat deze leerling duurzame verbindingen tussen het reeds gekende en het nieuwe kan smeden? Welke feedback krijgt deze leerling het best om zijn leerproces vooruit te helpen? Zo kan evaluatie leiden tot beter onderwijs en tot gedifferentieerde ondersteuning. Evaluatie moet aangewend worden om te bemoedigen, eerder dan te ontmoedigen; om te ontdekken wat een leerling goed kan en dat te bevestigen, en verder te laten ontkiemen. Evaluatie moet positieve energie opwekken.
  8. Geen verarming van leerinhouden en werkvormen voor leerlingen bij wie het leren moeizaam verloopt:  In de specifieke zorg voor leerlingen bij wie het leren moeilijk gaat, hebben we soms de neiging om leerinhouden te (over)vereenvoudigen, betekenisvolle opdrachten op te splitsen in allerlei (minder motiverende) deeltaken, actief leren af te bouwen en meer te gaan uitleggen, sociaal leren af te bouwen en meer te individualiseren, contexten weg te strippen omdat ze de boel te complex maken. Maar zinvolle leerinhoud is waar leerlingen om vragen; actief en interactief leren helpt leerlingen om verbindingen tot stand te brengen; betekenisvolle contexten maken abstracte inhouden net duidelijker; uitdagingen houden het leren spannend. Remediëring mag er dus niet toe leiden dat een leerling op dieet wordt gezet; het moet verder gaan dan het simpelweg herhalen van wat we al deden. Het moet gaan om het zoeken naar die alternatieve werkvorm, die rijkere contextualisering, die betere hulp door een andere leerling, die compenserende maatregelen die bij de kwetsbare leerlingen opnieuw positieve energie voor leren opwekken en succesvolle verbindingen tot stand brengen.
  9. Leerlingen autonomie geven, en kansen om te schitteren: Differentiatie en remediëring moeten erop gericht blijven om elke leerling onafhankelijk te leren denken en handelen. Leerlingen mogen niet totaal afhankelijk gemaakt worden van de hulp die ze krijgen. Remediëren zou idealiter gepaard moeten gaan met excelleren. De school zoekt daarbij actief naar manieren om alle leerlingen (ook degenen die het moeilijk hebben) kansen te geven om positieve leerervaringen op te doen en te kunnen schitteren. Opdrachten waarbij diverse competenties worden vereist (ook muzikale, technische, praktische, artistieke of creatieve), of waarbij leerlingen van diverse studierichtingen hun kennis en vaardigheden moeten samenleggen, geven niet alleen de cognitief sterke leerlingen de kans om te schitteren, maar ook andere leerlingen.
  10. Dynamisch en flexibel blijven zoeken naar het meest opportune leertraject: Leerlingen zoeken zich een weg doorheen hun onderwijsloopbaan. Dat is geen makkelijk traject: ze weten niet altijd wat ze willen, en ze lezen niet alle wegwijzers op de schoolroute even correct. Scholen zouden leerlingen flexibele kansen moeten geven om een traject te vinden dat hen motiveert, dat hen de kans geeft hun talenten te ontwikkelen, dat hen positieve energie geeft voor het onderwijs. Het evaluatiebeleid van een school moet een breed beeld opleveren van de sterktes, interesses, mogelijkheden en beperkingen van elke leerling,  en moet een aanleiding vormen tot een open dialoog tussen ouders, leerling en schoolteam. Een dialoog die zoekt naar het meest duurzame traject waarbij het energie-leren-wiel maximaal blijft draaien.
  11. Ten slotte: we vragen soms heel vlug van leerlingen dat ze iets meteen perfect kunnen. Maar fouten maken, proberen en mislukken, vastlopen op obstakels hoort bij elk normaal leerproces. Meer zelfs, we leren er meestal het meest van. Dat geldt dus ook voor onze leerlingen. Kunnen we in ons zorgbeleid op school daarvoor zorgen?