Anderstalige nieuwkomers: hoe hun taalverwerving Nederlands op gang trekken?

Nederlands leren van nul af aan: hoe gaat dat? Welke principes kunnen leerkrachten in de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het secundair onderwijs best toepassen om de vroege taalverwerving Nederlands van de leerlingen op gang te trekken?

  1. Bied een rijk taalaanbod: Taalaanbod is de motor van vroege taalverwerving. Het taalaanbod van de leerkracht moet bij voorkeur rijk zijn: Van in den beginne spreekt de onthaalleerkracht dus best in volzinnen en gebruikt zij natuurlijke taal (en dus geen baby-talk). Tegelijkertijd probeert de onthaalleerkracht ervoor te zorgen dat dat taalaanbod begrijpelijk is door haar uitingen in te bedden in concrete contexten of vast te hangen aan bewegingen, gebaren, handelingen met voorwerpen en veel visuele ondersteuning (beeld, film, illustraties). Ook een vertaling van bepaalde termen naar andere talen kan in deze eerste fase af en toe erg handig zijn. In de eerste fase van taalverwerving zijn bewegingsactiviteiten, knutselactiviteiten, spelletjes, verkenningen van het schoolgebouw en de buurt, videoclips en wetenschappelijke proefjes van goudwaarde voor taalverwerving, als ze tenminste vergezeld gaan van taal die handelingen en fenomenen beschrijft, en interactie over wat er te beleven valt.
  2. Woorden zijn de bouwstenen van taalverwerving, maar….: In de beginfase moeten leerlingen veel woorden verwerven, maar daardoor hebben onthaalleerkrachten wel eens de neiging om een lange lijst losse woorden op de leerlingen los te laten. Als woorden de bouwstenen van taalverwerving zijn, dan zijn betekenisvolle boodschappen in concrete contexten de cement die die woorden aan mekaar lijmen. Wie op losse woorden oefent, moet liefst zo snel mogelijk na die woordenschatoefening een situatie creëren waarin de leerlingen met functionele boodschappen worden geconfronteerd waarin de woorden in verbinding met andere woorden gaan. Wie een folder van de supermarkt heeft gebruikt om fruit- en groentesoorten te benoemen, kan daarna best zo snel mogelijk een kookles organiseren, naar de markt of de winkel gaan, een rollenspel in een winkel spelen of de leerlingen laten praten over hun eetgewoonten. Losse woorden die niet snel opgaan in meer-woord-verbindingen en in betekenisvolle boodschappen blijven losse flodders in het brein van de taalleerder en verdampen heel erg snel.
  3. Stimuleer vroege taalproductie en bouw erop voort: Anderstalige nieuwkomers die onzeker of schuchter zijn, hebben recht op een korte stille periode tijdens dewelke ze weinig zeggen en vooral taalaanbod opslorpen. Toch is het belangrijk dat alle nieuwkomers snel kansen krijgen om zelf boodschappen in de nieuwe taal te produceren. Cruciaal is hoe de leerkracht hierop reageert. Als de anderstalige nieuwkomer een twee-woord-zin produceert zoals “morgen voetbal”, is dat volkomen normaal (alle taalleerders gaan door deze fase) en kan de leerkracht daarop reageren door de rijkere formulering aan te bieden en erop verder te bouwen. “Ah, moet je morgen voetballen? Mijn zoontje speelt ook voetbal en die moet overmorgen een wedstrijd spelen. En tegen wie speel je?” Dit soort reacties biedt de anderstalige nieuwkomers niet alleen voeding voor taalgroei, maar ook een nieuwe kans om in dialoog te treden.
  4. Creëer een veilig klimaat: Correctheid is geen kenmerk van de vroege taalproductie van tweedetaalleerders. Volgens het Europees Referentiekader (ERK) wint de taalproductie van taalleerders pas echt aan correctheid vanaf niveau B1. Op het basisniveau alle fouten van anderstalige nieuwkomers corrigeren en eisen dat ze correcte taal produceren kan bij een aantal leerlingen het effect hebben dat ze hun mond liever niet meer opendoen en daardoor helemaal geen oefenkansen meer krijgen. Onthaalleerkrachten doen er dus goed aan om alle uitingen die de taalleerder aanreikt te gebruiken als bouwstenen om dialoog mee te construeren.
  5. Wees spaarzaam met grammatica-onderwijs: In de allereerste fasen van taalverwerving heeft expliciet grammatica-onderwijs weinig impact. Grammatica-onderwijs werkt veel beter als de leerder in zijn hoofd al een boel taalmateriaal heeft verzameld waarop hij de grammaticaregel kan toepassen. Aandacht voor grammatica wordt ook relevanter naarmate de noodzaak aan correcte taalproductie sterker wordt. Wie in de beginfase toch al wat expliciete informatie over de grammatica van het Nederlands wil meegeven, kan zich best aan de volgende principes houden: (a) Hou het simpel: als je het niet heel simpel krijgt uitgelegd, leg het dan veel later uit; (b) Geef vooral veel voorbeeldzinnen waarin de grammaticaregel wordt toegepast; (c) Overdrijf niet met theorie: Geen borden-vullende kaders met zeven uitzonderingen er meteen bij; een eenvoudig kader met de basisregel volstaat; (d) Ga kort in op vragen van leerlingen over grammatica; (e) Besef dat één keer een regel uitleggen niet veel impact heeft; de regel zal nog heel vaak in herinnering gebracht moeten worden, maar doe dat informeel naar aanleiding van iets dat de leerlingen zeggen of schrijven; (f) Eis niet meteen correcte toepassing van de regel. Taalverwerving is een geleidelijk proces bij alle mensen.
  6. Zorg ervoor dat de nieuwkomer zich thuis voelt: Taalleren drijft op een socio-emotionele onderstroom. Veel anderstalige nieuwkomers hebben trauma’s, angsten, onzekerheid uit hun thuisland meegebracht en zullen beter tot leren komen als de schoolomgeving voor hen een nieuwe, veilige thuis is waar ze zich geaccepteerd, verwelkomd en veilig voelen. Het warme, informele contact tussen leerlingen en hun leerkracht heeft een positieve impact op vroege taalverwerving: we leren een taal beter als we het gevoel hebben dat we dankzij die taal bij een groep kunnen horen die ons waardeert en respecteert.
  7. Zorg voor interessante, uitdagende inhouden die de leerlingen echt interesseren: Alle bovenstaande principes werken veel beter als ze worden toegepast op uitdagende taken en lesinhouden die de leerlingen echt interessant vinden en waarvan ze het nut inzien. Wie de intrinsieke interesse van anderstalige nieuwkomers kan opwekken, zorgt ervoor dat ze het taalaanbod dat ze krijgen aangeboden gretiger zullen opslorpen en dat ze sterker gemotiveerd zijn om ook productief bij te dragen tot de conversatie.

M-decreet: met de “M” van “meedoen”

Vlaanderen staat op de drempel van de invoering van het M-decreet. Vaak lezen we dat leerkrachten vrezen voor een extra belasting die hun draagkracht te boven gaat. Het is dan ook van groot belang dat schoolteams voldoende ondersteuning krijgen bij de invoering van inclusief onderwijs. Van even groot belang is het besef dat de draagkracht van een school zienderogen verhoogt als inclusief onderwijs wordt beschouwd als een project van de HELE schoolgemeenschap (inclusief alle leerlingen van de school):

  • Pieter heeft motorische, fysieke en zintuiglijke beperkingen. Hij heeft begeleiding nodig bij het trappen lopen. Een van zijn sterktes is dat hij erg sociaal ingesteld is en graag klasgenoten in de buurt heeft. Na overleg met alle betrokkenen wordt een buddy-systeem ingesteld waarbij Pieter samen met een andere leerling de trap oploopt als de andere klasgenoten al vertrokken zijn. Voor de buddy’s wordt met een beurtrol gewerkt.
  • Brecht heeft nood aan visuele ondersteuning bij het lezen. Hij krijgt teksten met extra ondersteunende illustraties. Zijn leesmaatje leert Brecht om na het lezen van de tekst vragen te stellen over de illustraties.
  • Een aantal dove leerlingen kunnen samen het vak Vlaamse Gebarentaal en Dovencultuur volgen. De school organiseert voor de medeleerlingen op woensdagnamiddag vrijblijvend een beginnerscursus Vlaamse Gebarentaal.

De voorbeelden illustreren dat inclusief onderwijs aan alle leerlingen unieke kansen biedt rond het opbouwen van allerlei sleutelcompetenties, waaronder “omgaan met sociale diversiteit”. Eerder dan de andere leerlingen alleen maar te informeren over de redelijke aanpassingen voor bepaalde leerlingen, kunnen de andere leerlingen ook actief betrokken worden in het opnemen, uitvoeren en bedenken ervan. Leerlingen kunnen zo vanuit een positieve ingesteldheid, een warme betrokkenheid en persoonlijke interacties hun eigen stereotiepe beelden rond mensen met beperkingen bijschaven en nuanceren. Ze kunnen een ervaringsbasis opbouwen die hun houding en hun handelen tegenover mensen met beperkingen buiten de school, en voor de rest van hun leven, ten goede kan veranderen.

Inclusief onderwijs kan zo een krachtige motor zijn voor een meer inclusieve samenleving. In essentie draait inclusief onderwijs niet om organisatorische maatregelen, maar om de inclusie die tussen mensen wordt opgebouwd. Inclusief onderwijs gaat dus niet alleen om de mate waarin de leerlingen met beperkingen volop mogen meedoen, maar ook om de mate waarin alle andere leerlingen worden betrokken in dat meedoen. Zo verhoogt de draagkracht van inclusief onderwijs, en de slaagkracht ervan.

(De drie voorbeelden komen uit de de brochures “Met een handicap naar de school van je keuze. Redelijke aanpassingen in het onderwijs” van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (zie www. diversiteit.be) en de brochure “Klaar voor redelijke aanpassingen” van de Arteveldehogeschool. (Meirsschaut, Monsecour & Wilssens, 2015).

6 redenen om moderne technologie in de klas te integreren, en 1 goede reden om er niet alle heil van te verwachten…

De invoering van moderne technologie is om diverse redenen van belang in het onderwijs van de 21ste eeuw. Hieronder volgen alvast zes goede redenen:

  1. Het behoort tot de cruciale doelstellingen van een eigentijds onderwijs dat leerlingen doelgericht, doeltreffend, creatief en kritisch met moderne technologie kunnen omgaan. Om die sleutelcompetentie te bevorderen, moeten leerlingen veelvuldig uitgedaagd worden om bij het gebruiken van technologie hun grenzen te verleggen. En die grenzen zijn er wel duidelijk: het is niet omdat jongeren met moderne technologie opgroeien dat ze doelgericht en kritisch informatie kunnen selecteren, gebruiken en evalueren, om maar één sprekend voorbeeld te nemen.
  2. Jonge mensen werken graag met moderne technologie. Het invoeren van technologie in de klas kan een motiverend effect hebben. Dat motiverend effect kan nog verhoogd worden als leerlingen in de school kansen krijgen om met behulp van moderne technologie uitdagende taken uit te voeren die ze zelf waardevol en zinvol vinden. Ook de autonomie die het werken met moderne technologie toelaat, komt motivatie ten goede: als leerlingen bij een leertaak zelf kunnen beslissen welke route ze volgen, welke stappen ze zetten, welke ondersteuning ze inzetten en op welk tempo ze werken, kan hen dat motiveren om energie in de taak te blijven investeren, zelfs als die moeilijk is.
  3. Moderne technologie biedt ongekende mogelijkheden om (abstracte) lesinhouden concreet, aanschouwelijk en toegankelijk te maken. Via de combinatie van beeld, geluid en taal kunnen voor leerlingen krachtige verbindingen tot stand komen tussen concrete (voor)beelden en abstracte kennis, tussen dingen die ze al wisten en nieuwe kennis.
  4. Moderne technologie kan gebruikt worden om lesinhouden te presenteren. Dat geeft de leerkracht meer tijd en ruimte om zich te concentreren op de manier waarop de leerlingen de inhouden verwerken. Dankzij de integratie van moderne technologie kan er voor leerkrachten dus meer ruimte vrijkomen voor de begeleiding van leerlingen, en voor differentiatie daarbij. Dit idee vormt ook de basis van de “flipped classroom”, waarbij de leerlingen thuis achter de computer lesinhouden doornemen en de les zelf wordt gebruikt voor verwerkingsoefeningen, discussie en bespreking, projectwerk, toepassingen, vragen van de leerlingen…
  5. Moderne technologie biedt aan leerlingen heel veel kansen om hun ideeën, inzichten en uitkomsten van taken vorm te geven en aantrekkelijk te presenteren. Dat kan ook de ontwikkeling van de creativiteit van de leerlingen ten goede komen. Toewerken naar een klinkende presentatie kan bijdragen tot de motivatie van leerlingen om een taak aan te vatten en ermee door te gaan.
  6. Moderne technologie biedt leerlingen de mogelijkheid om met ontelbaar veel andere mensen (zowel medeleerlingen als experts, organisaties, instellingen) in contact te treden. Dat kan bijdragen tot de communicatievaardigheden van de leerlingen, hun vreemdetalenkennis, hun competentie om met sociale diversiteit om te gaan, hun kennis van de multiculturele wereld….

Hoe immens het potentieel van technologie in de klas ook mag zijn, het zal uiteindelijk van mensen afhangen (de leerkracht en de leerlingen) hoeveel van dat potentieel daadwerkelijk in waardevolle en succesvolle leerervaringen wordt omgezet.. Ook hier maakt de leerkracht het ultieme verschil: door boeiende, uitdagende digitale taken voor te bereiden, door het klaswerk goed te organiseren, door leerlingen gerichte en gedifferentieerde ondersteuning te geven, door hen te bevrijden uit de jungle van (des)informatie op het internet als dat nodig is, door zaken te verduidelijken die in het digitaal aanbod ondoorgrondelijk zijn, door leerlingen aan te sporen naar een eindproduct of een duidelijk doel toe te werken, door feedback te geven op de kwaliteit van hun werk, door leerlingen de kans te geven met twee achter de computer plaats te nemen en mekaar te ondersteunen…. De kwaliteit van het onderwijs en de leerwinst bij leerlingen zullen niet automatisch stijgen als alle leerlingen een tablet op hun schoolbank hebben liggen of als het aantal computers per klas wordt verdubbeld. Uiteindelijk zal het effect van het invoeren van moderne technologie op de ontwikkeling van leerlingen sterk bepaald worden door de manier waarop de leerkracht die technologie gebruikt om de interactie met de leerlingen, en tussen leerlingen, te verrijken.

De techniek van techniek op school

Een paar dingen die we kunnen leren uit het doctoraatsonderzoek van Jan Ardies (Universiteit Antwerpen) over lessen techniek op school:

  • Het is niet omdat je van iets een apart vak maakt, dat leerlingen er het nut of belang van zullen inzien. Een structuurhervorming of een aanpassing aan het lessenrooster zijn niet allesbepalend. Het gaat er uiteindelijk om wat leerkrachten ervan maken. Wie meent dat de afsplitsing van het leergebied “techniek” uit het geheel van de wereldoriëntatie in het basisonderwijs automatisch voor meer interesse en motivatie voor techniek zal zorgen, is ietsje té goedgelovig. Het onderzoek van Ardies toont aan dat de interesse voor techniek bij leerlingen zelfs kan dalen als het vak techniek niet boeiend genoeg wordt ingevuld.
  • Het is niet omdat een vak wordt geïntroduceerd, dat leerlingen meteen een zware brok theorie over zich heen moeten krijgen. Theorie over abstracte principes kan maar beklijven als de leerlingen die theorie kunnen verbinden met concrete ervaringen en praktische toepassingen. Te veel theorie demotiveert en verdampt heel vlug. Maar het is ook niet zo dat als je leerlingen zomaar allerlei praktische dingen laat doen, dat de interesse of de kennis van leerlingen automatisch zal groeien. Onderwijs is de kunst om complexe dingen boeiend en toegankelijk te maken, en om leerlingen te willen doen leren. Techniek onderwijzen is daarom een kwestie van eerst en vooral interessante vragen losweken over het gebruik van techniek. Die vragen kunnen van de leerkracht of van de leerlingen komen. Rond die interessante vragen kunnen leerlingen vervolgens aan het denken én doen gezet worden. Theorie en praktijk hebben mekaar nodig: ze kunnen mekaar, in de zoektocht naar antwoorden op interessante vragen, voortdurend verrijken, en moeten dat ook doen om theoretische inzichten te doen beklijven en praktische vaardigheden te verdiepen.
  • Het is niet omdat we techniek in 2015 onderwijzen dat ons onderwijs eigentijds is. Techniek onderwijzen kan voor jongeren een extra dimensie krijgen als ze het gevoel hebben dat ze een bijdrage kunnen leveren of eigen ideeën kunnen inbrengen. Jongeren consumeren moderne media niet zomaar, ze willen zelf een bijdrage leveren, en via die bijdrage reacties van anderen losweken. Ze willen hun eigen informatie aan beschikbare informatie toevoegen. Ze willen een verschil maken, hoe klein ook. Technologische opvoeding is uitermate geschikt om jongeren te laten aanvoelen dat ze een bijdrage kunnen leveren. Jonge mensen voelen dagelijks dat techniek een verschil in hun leven maakt. Technologische opvoeding kan hen helpen om dat verschil te begrijpen, en om via techniek een verschil in het leven van andere mensen te maken. Ook hier kunnen levensechte vragen en problemen van mensen buiten de school het startpunt zijn voor een technologisch ontwerp, en een boeiende les techniek.
  • Het is niet omdat een competentie in een vak wordt behandeld, die competentie in dat vak moet worden opgesloten. In het hedendaags onderwijs moeten we de kansen die de wetgever biedt om vakdoorbrekend te denken en handelen, met beide handen grijpen. De hedendaagse wereld heeft immers geen hokjesmensen nodig, maar mensen die verbindingen kunnen leggen tussen verschillende domeinen en competenties om in authentieke situaties te functioneren. Technologische opvoeding biedt daarvoor uitstekende springplanken: wie een clevere gadget op zonne-energie wil ontwerpen (zoals de leerlingen die meededen aan de Solar Olympics), moet in de natuurwetenschappen duiken om te begrijpen hoe een cel op zonne-energie werkt, kan uitgedaagd worden om die gadget aan andere leerlingen of de buitenwereld voor te stellen (taal), kan via wiskundige berekeningen de kracht van de cel of de winstmarge op verkoop van de cel berekenen (economie!), en leert tegelijkertijd samenwerken met anderen en probleemoplossend denken….

De manier waarop techniek gegeven wordt, maakt een cruciaal verschil volgens Jan Ardies. Maar dat weten heel veel leerkrachten al heel lang….

Vaart met taalvaardigheid in het hoger onderwijs?

De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren heeft een advies overgemaakt aan de Ministers van Onderwijs en Cultuur van Vlaanderen en Nederland, waarin ze de overheid vraagt om de hogescholen en universiteiten te ondersteunen in het vormgeven van een structureel taalbeleid. Daarvoor ziet de Raad minstens drie goede redenen:

  1. In de 21ste eeuwse informatie- en communicatiemaatschappij wordt van afgestudeerden van het hoger onderwijs een hoog niveau van taalcompetenties vereist. Afgestudeerden moeten onder andere vlot en kritisch met informatie kunnen omgaan, verbanden kunnen leggen tussen informatie uit diverse bronnen, reflecteren op de inhoud van teksten, en op basis daarvan beslissingen kunnen nemen, antwoorden op vragen vinden, en oplossingen voor problemen voorstellen. Afgestudeerden moeten bovendien vlot en helder kunnen communiceren, zowel mondeling als schriftelijk. In zowat alle beroepssectoren waar afgestudeerden terechtkomen, en ook in het maatschappelijk leven is het kunnen omgaan met, en helder verspreiden van informatie, een cruciale sleutelcompetentie geworden. Onderzoek in Vlaanderen en Nederland geeft echter aan dat veel eerstejaarsstudenten het lastig hebben met het kritisch verwerken van informatie en met helder communiceren. Niet spellingfouten vormen het grootste probleem in de teksten die studenten schrijven, maar het gebrek aan een heldere structuur en het gebruik van een ongepast (vaak te informeel) register.
  2. Voor de meeste docenten hoger onderwijs is taal een cruciaal instrument om doeltreffend les te geven. Studenten moeten kunnen omgaan met de academische taal in colleges en syllabi om tot leren te komen. Vaak is er echter een kloof tussen de academische taalvaardigheid van studenten en de eisen die door de onderwijsgevenden worden gesteld. Binnen een structureel taalbeleid wordt dit probleem langs twee zijden aangepakt. Met docenten wordt gewerkt aan de helderheid van hun taalgebruik en aan een sterker bewustzijn van de complexe taal die experten (vaak onbewust) produceren; met studenten wordt gewerkt aan de verhoging van hun academische taalvaardigheid. Op die manier kan de effectiviteit van het onderwijs, en dus ook de output ervan, danig verhogen. In een structureel taalbeleid worden daarom zoveel mogelijk docenten (ongeacht welk vak ze geven) betrokken. Vele instellingen hoger onderwijs timmeren nu al aan de weg, al stelt de Raad vast dat vele pogingen voorlopig nog blijven hangen in een remediërende aanpak waarbij via toetsen taalproblemen van studenten worden vastgesteld en via extra-curriculaire remediëringsinspanningen de student timmert aan de verhoging van zijn taalvaardigheid. Het effect op leren en onderwijs kan echter danig verhogen als het taalbeleid door het docententeam wordt gedragen, en er ook binnen de reguliere cursussen (zowel in de contactmomenten als in de geschreven materialen) bewuster wordt omgegaan met taal als onderwijsmedium. Ook het schrijven van scripties, verslagen, bachelorpapers en essays is een belangrijk aandachtspunt in dit verband: instellingen die hun studenten procesmatig begeleiden (vanaf het eerste jaar) om beter gestructureerde teksten te schrijven (bv. via het geven van feedback op draftversies) oogsten daarvan de vruchten tegen het moment dat de student aan het schrijven van een eindproef (bv. meesterproef) toekomt. Voor instellingen die dat niet doen, is de meesterproef vaak het moment waarop, dan pas, wordt vastgesteld dat de schrijfcompetenties van de student niet ‘op niveau’ zijn.
  3. De toekomstige leraren die straks aan taalbeleid binnen het secundair en basisonderwijs moeten werken, en die daar de taalvaardigheid van hun leerlingen zullen trachten te bevorderen, worden opgeleid in het hoger onderwijs. Voor hen is het van het grootste belang dat zij maximale kansen krijgen om hun schrijf-, spreek-, lees- en luistercompetenties te ontwikkelen. Ook hier hoopt de Raad dat alle docenten van het hoger onderwijs via taalgericht, interactief vakonderwijs aan studenten kansen bieden om taalcompetenter te worden, en dat niet alle last op de docenten van taal- of communicatievakken terechtkomt.

Wat in het basis- en secundair onderwijs al stevig is aangezet, moet dus in het hoger onderwijs een logisch vervolg krijgen. Taalbeleid is een must op alle onderwijsniveaus. We mogen er niet langer zomaar van uitgaan dat studenten wel op hun eentje de taalcompetenties zullen ontwikkelen die het hoger onderwijs zelf, en de afnemende maatschappij, van hen vraagt.

De Raad formuleert in haar advies ook concrete voorstellen waarmee een overheid aan de slag kan om het hoger onderwijs in haar taalbeleid te ondersteunen: creëer een kennisbank, verspreid voorbeelden van (goede) praktijken, organiseer uitwisselingen tussen docententeams, verspreid interessante tools en scenario’s, ondersteun de formulering van te behalen taalcompetenties aan het eind van specifieke opleidingen, organiseer studiedagen, ondersteun teams bij het uitrollen en verankeren van taalbeleid in hun interne kwaliteitszorg.

De taalvaardigheidstrein dendert aan een hoge snelheid door de 21ste eeuw. Overheden kunnen dus maar beter vaart maken, zodat ze deze trein niet missen.

Het advies van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren lezen?

http://taalunieversum.org/publicaties/vaart-met-taalvaardigheid

Hoe belangrijk vinden leerkrachten, leerlingen en ouders de 21ste eeuwse sleutelcompetenties?

Kritisch met informatie omgaan, creatief denken, samenwerken met anderen, probleemoplossend denken, leren leren….: het zijn volgens vele onderwijsexperts de sleutelcompetenties die jongeren in het onderwijs van de 21ste eeuw moeten verwerven. Maar wat denken leerkrachten, leerlingen en ouders daarover? Zowel in Vlaanderen als in Nederland blijkt het draagvlak voor de sleutelcompetenties stevig te zijn.

In haar masterscriptie deed Lisa Colpaert (KU Leuven) een online bevraging naar het belang van de sleutelcompetenties in het Vlaamse curriculum. In totaal reageerden 424 leerkrachten van diverse studierichtingen van het secundair onderwijs, 490 leerlingen van de derde graad secundair onderwijs en 182 recent afgestudeerden. Zij moesten aangeven hoe belangrijk ze het vonden dat bepaalde competenties in het onderwijs moeten worden onderwezen; dat deden ze op een schaal van 1 (niet belangrijk) tot 5 (uiterst belangrijk). De gemiddelde scores lagen erg hoog..

Sleutelcompetentie leerlingen leerkrachten afgestudeerden
Taal en informatie doen werken 4,02 4,36 4,24
Kennis doen werken 4,13 4,43 4,4
Moderne technologie doen werken 4,6 4,27 4,38
Verbeelding doen werken 3,87 3,81 4,01
Sociale relaties doen werken 4,18 4,48 4,45
Je leer-kracht doen werken 4,03 4,44 4,20
Je eigen leven doen werken 3,96 4,09 3,99
Het leven op deze planeet doen werken 3,7 3,87 3,39
TOTAAL 4,06 4,22 4,13

De drie groepen gaven ook een score op de mate waarin deze competenties momenteel al worden onderwezen in het huidige onderwijs. Die scores lagen systematisch ongeveer een punt (en dus signifcant) lager, wat suggereert dat er al wel degelijk aan deze competenties wordt gewerkt, maar dat er in de toekomst nog een tandje mag worden bijgestoken.

In Nederland wordt momenteel de hele bevolking betrokken in het nadenken over het curriculum van de toekomst. De actie “Onderwijs2032” werd in november 2014 op televisie gelanceerd door Staatssecretaris Dekker: aan alle burgers van het land werd gevraagd om te reageren op de vraag wat de kinderen van de 21ste eeuw op school moeten leren. Dat leverde meer dan 17000 reacties op uit alle lagen van de bevolking. Een expertengroep heeft ondertussen op basis van al die reacties drie hoofddoelen van onderwijs geïdentificeerd die de Nederlanders kennelijk cruciaal vinden: “Hoe kun je op school voorbereid worden op (nog niet bestaande) beroepen?”, “Hoe kun je je ontwikkelen tot actieve, verantwoordelijke en sociale burger?” en “Wat kun je op school leren om je capaciteiten, talenten en interesses te ontdekken en ontwikkelen?”. Onder die drie categorieën worden vervolgens een resem sleutelcompetenties opgesomd die opvallend veel gelijkenissen vertonen met de sleutelcompetenties die in de visietekst duurzaam onderwijs voorkomen en door Lisa Colpaert werden bevraagd: met digitale technologie leren werken, leren samenwerken, probleemoplossend denken, creatief denken, levenslang leren, eigen keuzes maken en je leven aansturen, leven in een geglobaliseerde wereld… Deze sleutelcompetenties worden dus blijkbaar door erg veel mensen essentieel geacht voor het functioneren van mensen in de 21te eeuwe samenleving, op de arbeidsmarkt, en voor ieders persoonlijke, levenslange ontwikkeling.

Maar is er wel ruimte en tijd om aan die sleutelcompetenties te werken? Het programma is nu al zo overladen volgens vele leerkrachten. De conclusie is duidelijk: als de sleutelcompetenties zo cruciaal zijn, dan moet er ook in Vlaanderen een fundamentele blik op het curriculum worden geworpen, moeten leerplannen worden ontvet, en moet er ruimte worden gecreëerd om vakdoelstellingen en cruciale vakoverstijgende doelstellingen te integreren. Dan moet er tijd komen om leerlingen vakkennis op een diepgaande wijze te laten verwerven, in plaats van oppervlakkig en vluchtig. Want als puntje bij paaltje, gaan de sleutelcompetenties daarover. Ze gaan over een diepgaander niveau van kennisverwerving, ze gaan over meer kunnen doen met de kennis die wordt aangeboden. Meer in termen van problemen oplossen, kennis toepassen in authentieke, sociale situaties, kennis gebruiken om je leven en het leven op deze planeet te doen werken, leren en tegelijk leren leren, leren en er sterker uitkomen als mens.

http://www.onsonderwijs2032.nl

http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/onderwijs-2032

De invloed van ouders op schoolprestaties

Dat ouders een invloed hebben op het schoolsucces van leerlingen werd al in vele studies aangetoond. Maar hoe werkt dat dan precies? Welke aspecten van oudergedrag en -participatie zijn dan cruciaal? In een recente meta-analyse van Castro en anderen werden 37 recente studies onder de loep gelegd in een poging om nog een tip van de sluier op te lichten.

De factoren met de sterkste effecten op de onderwijsprestaties van de kinderen waren de volgende:

  • Verwachtingen van ouders: dit was de factor met het sterkste effect. Het gaat hier over de verwachtingen die de ouders hebben en uiten rond het hoogste niveau van onderwijssucces dat hun kind volgens hen kan halen.
  • Communiceren met je kind over school: dit was de factor met het tweede sterkste effect. Hier gaat het om de mate waarin ouders praten met hun kinderen over hoe het op school gaat, en in die gesprekken interesse tonen, zorgen delen…
  • Lezen met kinderen: dit was de factor met het derde sterkste effect. Hier gaat het vooral om de frequentie waarmee de ouders samen met de kinderen lezen (bv. door voor te lezen) en de mate waarin de ouders leesgewoonten bij het kind bevorderen.
  • Opvoedingsstijl van de ouders: dit was de factor die qua sterkte op de 4de plaats belandde. Hier gaat het om de mate waarin de ouders duidelijke regels opstellen voor het maken van huiswerk en het leren van lessen, en de mate waarin ouders in het algemeen een helpende, ondersteunende attitude aannemen.

In dit onderzoek bleken andere factoren een veel kleiner (en in sommige studies zelfs negatief) effect op het onderwijssucces van de kinderen te hebben. Dat bleek met name voor:

  • Huiswerk begeleiden: deze factor had een zwak effect. Hier gaat het dus om de mate waarin de ouders het huiswerk van het kind superviseren en actief begeleiden.
  • Schoolactiviteiten bijwonen: ook deze factor scoorde zwak. Hier gaat het om de mate waarin de ouders fysiek op de school aanwezig zijn en activiteiten op school bijwonen of mee vormgeven.

In het lijstje van factoren met sterke effecten komen een aantal bekenden (bv. hoge verwachtingen) voor. Bovendien zou het wel eens kunnen dat de factoren mekaar versterken. Bijvoorbeeld, ouders die hoge verwachtingen hebben en die ook frequent uiten in hun gesprekken met hun kinderen over het schoolleven, lijken dus een sterk positief effect te kunnen uitoefenen op het onderwijssucces, en wellicht op de eigen ambities en verwachtingen van de leerlingen zelf (een factor die in Hattie’s meta-analyses een bijzonder sterk effect op onderwijssucces had).

Dat veelvuldig lezen een sterk effect heeft op onderwijssucces is ook geweten, maar dit onderzoek toont nog maar eens aan dat veel voorlezen op prille leeftijd, en blijven stimuleren dat leerlingen ook op latere leeftijd lezen (bv. tijdens vakanties) erg bevorderlijk kan zijn voor schoolsucces. Het verdient dus aanbeveling om met alle onderwijs- en vrijetijdspartners te blijven zoeken naar creatieve, motiverende manieren om lezen voor het plezier buiten de lessen te blijven stimuleren.

Ten slotte kan het voor sommigen verrassend overkomen dat actieve huiswerkbegeleiding niet dé factor is die het verschil maakt. Schoolteams moeten goed communiceren met ouders over de rol en functie van huiswerk. Huiswerk kan net de functie hebben om leerlingen zelfstandig leerstof te doen verwerken of actief te laten inoefenen, maar dan is het net belangrijk dat leerlingen tonen wat ze zelfstandig kunnen, en wat niet. Pas dan immers kan een leerkracht de dag nadien een evaluatie maken van de prestatie van het kind en de ondersteuning die het nog nodig heeft. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat een ouder een kind nooit mag helpen als het kind erom vraagt, maar voor een leerkracht kan het dan net verhelderend zijn dat een ouder (bv. via een korte opmerking of code) signaleert dat het kind nog hulp nodig had. In het licht van gelijke onderwijskansen is het evenzeer belangrijk dat de prestaties van kinderen niet afhankelijk worden van de kwaliteit van huiswerkbegeleiding door ouders, want op die manier dreigt de kloof tussen kinderen van laagopgeleide en hoogopgeleide ouders net te vergroten…. Wie huiswerk geeft, heeft dus zelf huiswerk, namelijk vooraf bedenken wat de functie van dat huiswerk is en wat de rol van ouders daarbij zou moeten zijn.

Meer lezen?

María Castro, Eva Expósito-Casas, Esther López-Martín, Luis Lizasoain, Enrique Navarro-Asencio, & José Luis Gaviria (2015). Parental involvement on student academic achievement:A meta-analysis. Educational Research Review 14, 33–46.

Zie ook de blog van Pedro De Bruyckere:

https://xyofeinstein.wordpress.com/2015/05/21/wat-effect-hebben-helpende-ouders-op-leren-hoge-verwachten-meest-effect-helpen-met-huiswerk-weinig/

Weg met de zwart-wittelevisie

De 16-jarige Alice mocht vorige week op tv in gesprek gaan met minister van onderwijs Hilde Crevits. Aanleiding was een blogbericht dat Alice schreef (zie de link onderaan dit bericht). Daarin vroeg ze zich luidop af of alle energie die ze stak in het studeren voor toetsen en examens wel iets opleverde. Veel kennis die ze in haar hoofd propte, was ze meteen na de toets alweer vergeten, en haar eigen honger naar kennis en diepere inzichten werd niet gestild in de nochtans uitdagende studierichting (Latijn-Moderne Talen) waarin ze zit. Op tv vroeg Alice zich af of er niet wat meer ruimte in het curriculum moet komen voor de toepassing van al die theoretische kennis. Ze sloeg de nagel op de kop, en Crevits kon haar alleen maar gelijk geven.

We hebben aan het eind van de vorige eeuw veel zwart-witdiscussies gevoerd over onderwijs. Kennis of vaardigheden? Directe instructie of inductief leren? Expliciet of impliciet taalonderwijs? De literatuur over onderwijs en leren leert ons dat het niet gaat om “of-of”, en dat de zaken veel genuanceerder liggen. Het gaat zelfs niet om een simpele “en-en”, waarbij kennis en vaardigheden in een soort van serieschakeling na mekaar geplaatst worden. Duurzaam leren wordt bevorderd door het slimme ineenschuiven van theorie en toepassing, van kennis en vaardigheden, van directe instructie en inductief leren, en dat zowel binnen één les als over verschillende lessen heen. Veel leerkrachten weten dat intuïtief en passen het principe ook al jarenlang toe. Ze geven een streep theorie en doordesemen die directe instructie met sprekende voorbeelden van concrete toepassingen, ze geven hun leerlingen meteen na de directe instructie de kans om de aangereikte (vaak theoretische) informatie toe te passen en tot leven te zien komen in een concrete casus, en gebruiken die oefening dan meteen om de theorie verder uit te diepen. Ze geven leerlingen praktische oefeningen die theoretische vragen uitlokken. Puzzelstukken worden in mekaar geschoven en maken samen een rijker beeld. Dat is niet “en-en”, dat is “in-in”. Dat is geen serieschakeling, dat is synergie. Expliciete instructie over taal ingebed in een functionele taaltaak; een voorbeeld uit het leven van de leerlingen gegrepen in een theoretische uitleg; een klassikale bespreking in de afronding van een uitdagend groepswerk; een theoretische uitleg van een leerkracht dat een duo tijdens een praktische oefening weer uit het slop helpt; een huiswerk dat vraagt om een concrete levensechte toepassing die tijdens het volgende contactmoment theoretisch wordt geïnterpreteerd. Toepassingen maken theorie begrijpelijker én zinvoller; toepassingen maken duidelijk waarom theorie ertoe doet; toepassingen maken duidelijk hoe de theoretische aannames werken en in mekaar klikken. En theorie maakt duidelijk wat er achter de concrete toepassing zit; theorie helpt leerlingen om de transfer van de ene toepassing naar de andere te ‘zien’. Als toepassing en theorie zo goed in mekaar klikken dat ze mekaar verrijken, dan is de kans groot dat er bij leerlingen ook een klik ontstaat. Als de energie van Alice in dergelijke synergieën wordt geïnvesteerd, dan wordt de kans op duurzaam leren gevoelig verhoogd.

De zwart-wittelevisies zijn allemaal naar het containerpark verdwenen. Nu is het dringend de beurt aan de zwart-witdiscussies over onderwijs.

Het blogbericht van Alice (16) lezen?

http://charliemag.be/wereld/leren/

Een hartverwarmende les basiseducatie

Vanmorgen observeerde ik een les Nederlands als tweede taal in de Basiseducatie voor een groep van traaglerenden die op het allerprilste basisniveau Nederlands leren. De lesgever vroeg aan de cursisten om samen met haar de straat op te gaan om haar boodschappen te doen. Ze had namelijk nog geen brood voor vanmiddag, geen pilletjes tegen de hoofdpijn meer, en geen geld om dat alles te betalen. Onder haar begeleiding (en die van een tweede lesgever) volgden de cursisten schriftelijke weginstructies die hen eerst naar de bank leidden. Daar noteerden een aantal cursisten de openingsuren, terwijl een paar anderen samen met de lesgever geld gingen afhalen. Voor een vrouw van Indiase afkomst was het de allereerste keer dat ze een bankautomaat bediende…. Iets verderop vroegen twee andere cursisten aan de verantwoordelijke van een toeristische dienst of ze een foto van alle cursisten wou nemen; de lesgever oefende kort met de 2 cursisten vooraleer ze het ‘echt’ gingen vragen. En dan naar de bakker, waar de openingsuren opnieuw genoteerd werden, en weer andere cursisten brood en snoep kochten (opnieuw na korte inoefening van een dialoogje met de bakker). Vervolgens naar de apotheker waar de cursisten pilletjes tegen de hoofdpijn vroegen (en liefst de goedkoopste), en verrast werden door de vraag van de apotheker of de vrouw die de pilletjes moest innemen toch niet zwanger was…. Onderweg babbelden de cursisten met de lesgever over wat ze zagen op straat, en postte één cursist de kaart die de lesgever naar haar mama wou sturen voor de nakende moederdag op 10 mei. Ook voor die cursiste was het de allereerste keer dat ze iets in een Vlaamse brievenbus stopte, waardoor ze in eerste instantie de rode brievenbus niet eens zag staan.

De les was bijzonder goed opgebouwd. Vooraleer ze de straat opgingen, had de lesgeefster de cursisten reeds in het schoolgebouw laten rondlopen en hen daar allerlei (weg)instructies laten uitvoeren. Oefenen in een veilige omgeving dus. Dat zorgde voor veel herhaling, want heel wat cursisten moesten in de gang van de school korte opdrachtjes uitvoeren waarbij begrippen als ‘links’, ‘rechts’, ‘achter’, ‘ga rechtdoor’, ‘neem de eerste….’ voortdurend vielen. De anderen keken toe, moedigden aan en konden niet nalaten om af en toe te helpen. Al die begrippen en uitdrukkingen kwamen kort daarna in het klaslokaal op vrij spectaculaire wijze terug, toen de lesgeefster de weg van thuis naar het schoolgebouw van een van de cursisten via Google Street View in beeld bracht. Hilarisch werd het toen de cursiste haar eigen huis herkende (en haar frituur!) en ze aangaf dat ze op de derde verdieping woonde (‘Is dat je slaapkamer dan?’ vroeg de lesgeefster terwijl ze onder buldergelach van alle cursisten naar een raampje wees). De cursiste gaf vervolgens aan hoe ze precies van thuis uit naar de school liep (‘rechtdoor… nu rechts….): Google Street View volgde gedwee en visueel ondersteunend.

Kralen van nuttige taal regen zich aaneen en kwamen telkens weer terug de kop opsteken. Na de boodschappenwandeling, die voor erg veel ingeoefende én onverwachte taalleerkansen zorgde, overliep de lesgever in de klas de opdrachten opnieuw. Daarbij liet ze belangrijke zinnen en vragen die de cursisten hadden gebruikt (Mag ik een zakje? Wil je een foto van ons nemen/ dat inpakken/…. alstublieft?) opnieuw de revue passeren. En als beloning kregen de cursisten uiteraard een snoepje van de bakker.

Gedurfd? Absoluut! Dit waren immers cursisten die nog volop bezig zijn met het verwerven van de allereerste bouwstenen van een functionele taalvaardigheid Nederlands, en die heus nog niet in staat waren om deze opdrachten zelfstandig uit te voeren. Maar dit waren cursisten die van begin tot eind super-betrokken waren, gretig luisterden naar het voorbeeld en de raad en de ‘vertalingen’ van de lesgever, en probeerden om die na te zeggen en te gebruiken voor echte doeleinden. Dit waren mensen die de echte wereld van het Nederlands over zich heen lieten komen, en veel meer dan alleen maar taal leerden. Er zullen nog veel kralen van taal, en nog veel herhaalde ontmoetingen met dezelfde uitdrukkingen nodig zijn om dit echt te laten inslijpen, maar dat dit taalverwerving heeft bevorderd kon je zo aflezen uit het verschil tussen start en einde van deze voormiddag. Bijzonder tekenend was het vertrouwen waarmee één mannelijke cursist tijdens de nabespreking rechtstond om aan iedereen te vertellen wat hij een uur vroeger zelf had geleerd, namelijk dat je aan de bankautomaat je biljetten zelf kon kiezen. Hij liep naar het digitaal bord waarop de lesgever het bancontact-scherm had geprojecteerd, en wees met autoriteit naar de juiste knoppen die je moest indrukken om 2 biljetten van 10 euro in plaats van 1 biljet van 20 euro te krijgen. Waarop haar vrouwelijke partner-cursist (die voor de eerste keer voor een automaat had gestaan) tegen de hele groep benadrukte dat je op de knop ‘afhalen’ moest drukken als je je geld wou hebben en niet op de knop ‘terug’. Waarmee meteen ook gezegd is dat de lesgever op erg slimme wijze moderne media in haar hele les integreerde: de foto’s die ze met haar tablet tijdens de wandeling had gemaakt, gingen ook van hand tot hand…

Ik ben naar huis gelopen met een warm gevoel. Dit was op en top basis-educatie. Dit was werken aan integratie. Dit was taal, en veel meer dan dat… Dit was wijs onderwijs….

(met dank aan Saar Deroo voor de lekkere “cuberdones” :-))

Hoe versterk je 5000 scholen?

How to change 5000 schools, dat is de titel van een boek van Ben Levin, waarin hij verslag uitbrengt van een grootscheeps, jarenlang project in Ontario (Canada) met als doel de onderwijskwaliteit van de basis- en secundaire scholen in de hele regio te verhogen. In het basisonderwijs werd ingezet op het verhogen van de geletterdheid en wiskundevaardigheden van de leerlingen, in het secundair onderwijs op het terugdringen van ongekwalificeerde uitstroom. Met vereende inspanningen werd er veel succes geboekt, en dat succes werd via wetenschappelijk onderzoek gedocumenteerd.

In zijn conclusies stipt Levin 4 beslissende pijlers aan om het succes van het project te verklaren:

  1. Focus op een beperkt aantal scherpe doelen op leerlingniveau die cruciaal zijn en die voor ouders, de gemeenschap, de leerkrachten begrijpelijk zijn. Wie het onderwijs wil verbeteren, kan dus best starten bij het scherpstellen van wat bij de leerlingen moet bereikt worden. Wat moeten de leerlingen beter kunnen? Waar moeten ze beter in worden? Hoeveel vooruitgang willen we dat hoeveel procent van de leerlingen voor die cruciale vaardigheden maken? Het aantal doelen mag niet te groot zijn, want dan wordt de opdracht voor de betrokken scholen een onhaalbare kaart, en dat demotiveert schoolteams in plaats van hen energie te geven. Anderzijds moeten de doelen zo cruciaal zijn dat een schoolteam er doorheen het hele onderwijs aan kunt werken, en er ook samen (met alle leerkrachten en met de ouders) aan moet Leg geen doelen zomaar van bovenaf op, werk alleen met doelen die ook door de leerkrachten en ouders volmondig gedragen worden.
  2. Steek moeite, tijd, energie en middelen in de deskundigheid van de mensen (“skill”) die het moeten doen. In het onderwijs zijn dat in de eerste plaats de leerkrachten. Investeer dus primair in de deskundigheidsbevordering en het welbevinden van leerkrachten. Creëer kansen tot nascholing, tot leren-op-de-werkplek, tot samenwerking tussen teamleden en co-teaching. Laat leerkrachten de autonomie om te beslissen hoe zij in hun eigen context aan de doelen zullen werken. Geef leerkrachten tijd om lessen samen voor te bereiden en na te bespreken, ideeën uit te wisselen en mekaar te inspireren. Investeer middelen en energie in de samenwerking en communicatie tussen ouders en leerkrachten, en help ouders om ook hun steentje bij te dragen. Tijd is een belangrijk gegeven: elke serieuze verbetering van leerlingresultaten vraagt een serieuze, doorgedreven inspanning. Ondersteun de deskundigheidsbevordering van leerkrachten ook via uitwisseling tussen leerkrachten van verschillende scholen, materiaalontwikkeling, en het uitbouwen van een formatief evaluatiebeleid op de school.
  3. Versterk de motivatie van mensen (“will”) door vanuit een positieve insteek te werken: Mensen krijgen energie als ze samen toewerken naar een zinvol doel dat ze belangrijk vinden. Het heeft dus weinig zin om schoolteams, ouders of leerlingen met de vinger te wijzen. Het gaat er vooral om positieve uitdagingen voor de toekomst te formuleren en daarop te focussen. Het gaat erom die positieve energie te onderhouden door goed te communiceren over de kleine overwinningen die onderweg worden behaald, en door kleine mislukkingen vooral te gebruiken als ervaringen om uit te leren. Vertrekken vanuit hoge verwachtingen is cruciaal: een school is de plaats bij uitstek waar mensen moeten kunnen geloven dat leerlingen én leerkrachten een ongelooflijke groeikracht hebben, en dat als iedereen samen aan hetzelfde zeel trekt, er heel veel mogelijk wordt.
  4. Werk aan de steun van de politiek en de bredere gemeenschap. Scholen kunnen de problemen van de wereld niet oplossen. Ze kunnen een belangrijke bijdrage leveren tot de verbetering van het lot van hun leerlingen, maar dat zal beter gaan als ze ondersteund worden door het beleid (politiek), en door ouders en de bredere gemeenschap, en als er ook flankerend maatregelen worden genomen (bv. rond huisvesting, hulpverlening, armoedebestrijding, jobcreatie…) die het lot van ouders en leerlingen, en de omstandigheden waarin leerlingen opgroeien verbeteren. Scholen kunnen ook meer bereiken als individuen of groepen in de gemeenschap buiten de schooluren kansen voor informeel leren creëren.

Een duidelijke boodschap, maar minstens even interessant zijn de maatregelen die niet goed werken volgens Levin: maatregelen die vaak door beleidsmakers (op lokaal, regionaal of nationaal vlak) worden genomen en waarvan vaak veel te veel wordt verwacht of waarvan sommige zelfs meer kwaad dan goed doen:

  • Ga ervan uit dat één enkele maatregel een grote verbetering kan teweegbrengen op een heel korte tijd.
  • Ga ervan uit dat een paar sterke figuren een school of onderwijssysteem op hun eentje kunnen verbeteren, gewoon door hun charisma, vastberadenheid of macht.
  • Geloof dat het simplistisch invoeren van randmaatregelen zoals het bestraffen van scholen die het slecht doen succes zal afdwingen.
  • Begin met maatregelen op beleidsniveau. Ook al zijn zulke maatregelen nodig om verbeteringen van het onderwijs in de klas te ondersteunen, toch zullen beleidsmaatregelen an sich niet het verhoopte effect teweegbrengen.
  • Ga ervan uit dat het invoeren van een nieuw curriculum of nieuwe eindtermen automatisch voor de onderwijsverbetering zullen zorgen. Goede curricula, heldere doelen, goede materialen zijn absoluut noodzakelijk, maar alles draait uiteindelijk om wat leerkrachten ermee doen.
  • Ga ervan uit dat een verantwoordingssysteem met gestandaardiseerde testen voor onderwijsverbetering zal zorgen. Verbetering zal alleen maar ontstaan als schoolteams weten wat ze met de resultaten van testen kunnen doen om hun onderwijs te verbeteren.

Meer lezen?

Levin, B. (2012). How to change 5000 schools. A practical and positive approach for leading change at every level. Cambridge, MA: Harvard Education Press.