Leraren zijn ook leerders. Ze proberen voortdurend hun onderwijs te verbeteren. Ze trachten hun onderwijs beter te doen werken voor hun leerlingen of proberen hun band met de leerlingen te versterken.
Vaak wordt tegen leerkrachten gezegd wat ze aan hun praktijk moeten veranderen. Vele vernieuwingen worden hen van ‘bovenaf’ aangeboden. Maar dragen die vernieuwingen bij tot de professionalisering van leerkrachten? Inspireren ze de zoekende leerkracht? Het onderzoek naar vernieuwing in het onderwijs geeft aan dat leraren meer geneigd zijn om vernieuwingen op te nemen als een aantal voorwaarden zijn vervuld. Die voorwaarden vatten we hieronder samen in een overzichtelijke figuur.
– Interesse: staat voor de intrinsieke motivatie van leerkrachten om zich te professionaliseren. Een vernieuwing slaat meer aan als ze aansluit bij de zorgen, problemen en vragen van de leerkracht. De leraar moet het gevoel hebben dat de vernieuwing een antwoord is op zijn eigen vragen, in plaats van vragen (en bijhorende) antwoorden opgedrongen te krijgen.
– Verbindingen: Leraren die zich professionaliseren, houden er niet van alles overboord te gooien. Ze moeten kunnen behouden wat al goed loopt en nieuwe ideeën daarin kunnen inpassen. Vernieuwingen die echt duurzaam zijn, verlopen meestal geleidelijk in een opeenvolging van kleine stappen, eerder dan met grote revoluties.
– Competentie: de leraar die een nieuw idee verkent of uitprobeert, mag niet het gevoel krijgen dat anderen zijn competentie in vraag stellen. Meer zelfs, de leraar moet sterk het gevoel hebben dat hij dankzij de vernieuwing zijn eigen competentie echt kan uitbreiden. Directies moeten leraren ruimte laten tot uitproberen en experimenteren. Tegelijk moet de zoekende leerkracht ook ergens terecht kunnen als hij vastloopt of met vragen blijft zitten. Zo lopen vernieuwingen vaak beter als een kerngroep binnen het team het voortouw neemt: die kerngroep verzamelt kennis en praktijkervaring, en kan vervolgens andere leerkrachten ondersteunen om hun competentie te verhogen.
– Relatie: Leraren gaan zich sterker professionaliseren als ze dat samen doen: als ze samen met hun collega’s kunnen overleggen, hun collega’s kunnen observeren, hun lessen kunnen nabespreken of samen voorbereiden. Ook de hulp van experts en nascholers is vaak erg welkom: leraren leren erg veel van iemand die hen observeert (of op video opneemt) en nadien met hen reflecteert over de kwaliteit van de les (of bepaalde aspecten ervan). Volgens Michael Fullan ligt de sleutel tot meer onderwijskwaliteit in een verhoogde samenwerking tussen leerkrachten. Schoolteams zouden moeten uitgroeien tot professionele leergemeenschappen. Samenwerkend leren werkt dus niet alleen voor leerlingen.
– Autonomie: Toch mag de leerkracht in dat groepsgebeuren niet het gevoel verliezen dat hij controle heeft over zijn eigen proces van professionalisering. Leerkrachten die zich professionaliseren of hun praktijk vernieuwen, moeten zelf kunnen beslissen hoe snel ze daarin willen gaan, welke stappen ze achtereenvolgens willen zetten. Niet alle leerkrachten gaan dus even snel.
Ten slotte: leraren leraren verdienen in hun zoektocht naar professionalisering voldoende ondersteuning. Het is dus maar te hopen dat in het loopbaandebat voldoende aandacht wordt besteed aan de aanvangsbegeleiding van jonge leerkrachten, en het creëren van ruimte voor schoolteams om samen hun professionaliseringsproces in handen te nemen.

