Leerlingen en literatuur: het belang van dialogisch onderwijs

Wat een mooi boek heeft Elke D’hoker (Faculteit Letteren KU Leuven) over literatuuronderwijs geschreven! Op basis van een uitgebreide review van de theoretische en onderzoeksliteratuur pleit D’hoker voor dialogisch literatuuronderwijs, dat de volgende basiskenmerken vertoont:

1. Intensieve, diepgaande dialoog die de “meerlagigheid” van literaire teksten weerspiegelt: Leerlingen krijgen voluit de kans, en worden uitgedaagd, om hun leeservaring en interpretatie van de gelezen tekst te verwoorden. Leerlingen luisteren met respect naar elkaars interpretaties en gaan erover met de leerkracht in dialoog. Er hoeft geen consensus te ontstaan over “dé enige juiste interpretatie”. Dat idee is immers in strijd met de basisbedoeling van de literaire tekst (namelijk “meerlagig” en “meerstemmig” te zijn). De dialoog kan eventueel in een eerste fase in kleine groepjes gevoerd worden, om nadien uit te monden in een klassikale bespreking.

2. Leerkrachten en leerlingen stellen vragen bij de tekst: De dialoog wordt gevoed door vragen over de literaire tekst. Eerder dan de vragen door het handboek te laten dicteren, krijgen leerlingen de kans om zelf vragen te stellen bij de tekst. Dat kunnen vragen zijn over passages die ze niet goed begrijpen (inhoudelijk of taalkundig), maar evenzeer over bijvoorbeeld de morele keuzes die personages maken of de context waarin het verhaal zich afspeelt. Janssen (2009) spreekt in dit verband over een “hamvraag” die leerlingen zich stellen: dat is een vraag die na het lezen onbeantwoord bleef, die op verschillende manieren kan beantwoord worden én die belangrijk is voor het verhaal.

3. Verdieping van de dialoog: Het uitwisselen van persoonlijke tekstervaringen vormt niet het eindpunt van de klasdialoog. De leerkracht daagt leerlingen uit om hun interpretaties te schragen met argumenten uit de tekst. De interpretaties moeten dus in overeenstemming blijven met de tekst. De leerkracht kan de leerlingen ook uitdagen om hun ervaringen en interpretaties scherper of concreter te verwoorden, en kan hen daartoe een geëigend begrippenapparaat aanbieden.

4. Analyse bouwt verder op uitwisseling: Om de dialoog over de tekst verder uit te diepen, kan de leraar expliciete informatie aanbieden, bijvoorbeeld over de auteur, stilistische kenmerken van de tekst, of de context waarin de tekst ontstond. In plaats van zelf de kennis door te geven, kan de leraar er ook voor kiezen om de leerlingen in expertgroepen te verdelen: die voeren dan een analyse uit rond bepaalde aspecten van de tekst en rapporteren daarna aan de rest van de klas. Kennis opbouwen van literaire termen of stromingen is geen doel op zich; kennis staat ten dienste van diepgaande lectuur en tekstbeleving.

5. Diepgang gaat boven volledigheid: Een vaak gehoord bezwaar tegen de dialogische methode is dat ze meer tijd vraagt dan traditionele vormen van literatuuronderwijs. Het gevolg kan zijn dat leraren moeilijke keuzes moeten maken met betrekking tot de auteurs, teksten en stromingen die ze behandelen. Exhaustiviteit leidt echter niet tot hogere kwaliteit. De tijd die geïnvesteerd wordt in diepgaande dialoog over literaire teksten is volgens D’hoker meer dan gerechtvaardigd:

“De positieve effecten van de dialogische literatuurdidactiek op de leesmotivatie, betrokkenheid en literaire competentie van de leerlingen compenseren ruimschoots eventuele lacunes in literaire kennis” (D’hoker, 2022, p.169)

6. Leesbevordering wordt systematisch nagestreefd: Last but certainly not least, dialogisch literatuuronderwijs heeft niet alleen tot doel om de literaire kennis en vaardigheden van de leerlingen te verhogen, maar tegelijkertijd om hun motivatie om literaire teksten te lezen (ook buiten de lessen), te verhogen. Het is dus erg belangrijk dat dialogisch literatuuronderwijs wordt opgebouwd rond teksten waarmee de leerlingen aanknopingspunten vinden en resulteert in deugddoende succeservaringen.

In haar boek pleit D’hoker voor het opwaarderen van het kortverhaal. Fragmenten (bv. uit oude, canonieke teksten) lenen zich niet goed tot dialogisch literatuuronderwijs. Precies omdat het fragment – letterlijk – uit haar context is gerukt, wordt het bijzonder lastig voor leerlingen om tot een volwaardige tekstinterpretatie te komen en worden de poten onder de dialoogbank gezaagd. Korte verhalen bieden in dit opzicht een zeer interessante oplossing. Ze zijn wel volledig leesbaar en nodigen dus uit – ook door hun geringere lengte – tot volwaardige persoonlijke beleving en interpretatie. Ze lenen zich tegelijkertijd ook tot diepgaande analyse: ze bieden de leraar de mogelijkheid om informatie te verstrekken over literaire stromingen, de auteur of de context waarin de tekst ontstond.

Als uitsmijter – en wellicht ten overvloede – benadrukt D’hoker dat literatuuronderwijs voor alle leerlingen een meerwaarde heeft en een volwaardige plaats in het curriculum verdient: literatuuronderwijs draagt niet alleen bij tot de leesvaardigheid van leerlingen, maar tevens tot hun sociale vorming, identiteitsvorming, culturele vorming, kritische zin en persoonlijke ontwikkeling van leerlingen (en daarmee is het lijstje zelfs niet exhaustief). Opwaarderen dus!

Zelf lezen?

D’hoker, E. (2022). Leerlingen en literatuur. Hoe vaardige lezers vormen? Tielt: Lannoo Campus.

Advertentie

Zet het geschiedenisonderwijs een stap terug in de tijd?

Om met een boutade te starten: in het hedendaagse geschiedenisonderwijs wordt geen canon gedoceerd, maar wordt diepgaand gereflecteerd op het ontstaan, het gebruik én misbruik van canons in het verleden. In hun lijvige pamflet stellen Jo Tollebeek, Marc Boone en Karel Van Nieuwenhuyse (met de steun van veel vooraanstaande historici aan de Vlaamse universiteiten) zich erg kritisch op ten opzichte van het initiatief van de Vlaamse regering om vanaf 2023 top down een Canon van Vlaanderen in het geschiedenisonderwijs te introduceren. Zo dreigt het geschiedenisonderwijs vanuit pedagogisch/didactisch oogpunt een stap terug in de tijd te zetten. Het 19de– en 20ste-eeuwse geschiedenisonderwijs was immers in zeer grote mate canoniek. Het behelsde vooral expliciet onderwijs over zogenaamd “grote” momenten in de geschiedenis en verlangde van leerlingen dat ze die konden reproduceren.

In het 21ste-eeuwse geschiedenisonderwijs wordt de lat hoger gelegd. De wijze waarop geschiedenis tot stand komt en gehanteerd wordt door mensen en instituten (inclusief gezagvoerenden) wordt onderwerp van onderbouwde en rationele exploratie:

“Het huidige geschiedenisonderwijs heeft, mede onder invloed van de ontwikkelingen in de geschiedwetenschap zelf, hogere ambities. Het wil de leerlingen historisch leren denken: hen inzicht verschaffen in de betekenis en het verloop van historische processen en hun kritische blik ten aanzien van de in de samenleving circulerende beelden (en mythes) van het verleden aanscherpen.”   (Tollebeek, Boone & Van Nieuwenhuyse, 2022, p. 54)

Het klinkt dus wat contradictorisch als de Vlaamse regering betoogt dat het invoeren van een canon de kwaliteit van het onderwijs zou verhogen. Historische bronnen en geschiedschrijving dienen net kritisch onderzocht te worden op hun betrouwbaarheid, de context waarin ze zijn ontstaan, de nobele en veel minder nobele doeleinden waarvoor ze zijn gebruikt. Leerlingen moeten het besef opbouwen dat een beeld van het verleden dat op grote schaal wordt uitgedragen een doel in het heden dient: de strijd om het verleden is nooit gestreden, “de” geschiedenis is een verhaal dat geweven wordt rond wat er echt gebeurde. Ja, een gezamenlijke geschiedenis heeft een gemeenschapsvormende waarde voor mensen, maar wiens gemeenschap is dat dan en wie schreef die gezamenlijke geschiedenis? Een historisch referentiekader opbouwen – een van dé cruciale doelstellingen van het hedendaags geschiedenisonderwijs – vereist close reading, very close reading. Niet alleen de glanzende zijde van de potscherf wordt bewonderend bekeken, ook de achter- en scherpe zijkanten worden onder de loep gelegd. Misschien is dat wel de reden waarom goed geschreven historische werken (of ze nu over Congo, Bourgondiërs of migratie in België gaan) zo populair zijn: we zijn nieuwsgierig naar meer dan de officiële lezing van een historisch verhaal, in de 21ste eeuw willen we het volledige verhaal. Het hedendaags geschiedenisonderwijs draait om multiperspectiviteit, en dat is een pak diepgaander dan reproductie-onderwijs.

“Kan de Canon dan nog een gids zijn? In elk geval zal hij de leerlingen niet de ambities van het historisch denken bijbrengen: hij zal hen niet leren verschillende perspectieven te combineren, hij zal hun kritische zin bij historische mythevorming niet aanscherpen, hij zal hen niet doen beseffen hoezeer geschiedenis altijd discussie is – met empirische bewijzen en rationele argumenten, maar ook met interpretaties en representaties, met metaforische voorstellen om de voorbije werkelijkheid ‘te zien als’ (een herfsttij of een koude oorlog). Hij zal de interesse in het verleden bij vele leerlingen ook niet stimuleren: voor hen zal de Canon een geschiedenis presenteren die hen vreemd blijft. De lat ligt, kortom, niet hoog genoeg.” (Tollebeek, Boone & Van Nieuwenhuyse, 2022, p. 57)

Dat hoeft dus geenszins te betekenen dat de geschiedenis van Vlaanderen niet zou onderwezen worden. Nee, het draait er alleen om hoe zij wordt onderwezen…

Bron?

Jo Tollebeek, Marc Boone, & Karel Van Nieuwenhuyse (2022). Een canon van Vlaanderen? Motieven en bezwaren. KVAB Standpunten 78. https://kvab.be/nl/standpunten/een-canon-van-vlaanderen

Hoe bestrijd je desinformatie in de klas? Een nieuwe brochure van de Europese Commissie

Het lijkt zo stilaan een van dé hoofdopdrachten van de hedendaagse school: leerlingen de competenties aanleren om op een efficiënte, kritische, verantwoordelijke manier om te gaan met de overvloed aan (des)informatie die op hen afkomt. In een nieuwe brochure stelt de Europese Commissie onomwonden: “Promoting digital literacy and tackling disinformation in classrooms and schools has never been as important as is the case today.”

De brochure leidt helaas zelf een beetje aan overvloed aan informatie; ik licht er daarom een paar belangrijke punten uit.

– Leerlingen moeten zich op school ontwikkelen tot “digital citizens”. Dat concept wordt breed gedefinieerd. “Digital citizens” zijn mensen die (a) de competenties bezitten om veilig, effectief, kritisch en verantwoordelijk deel te nemen aan online interactie; (b) de voordelen en mogelijkheden van online omgevingen kunnen benutten en tegelijk weerbaar zijn tegen de gevaren ervan; (c) moderne technologieën kunnen gebruiken om hun actief burgerschap en sociaal verkeer te versterken, samen te werken met anderen en hun creativiteit in te zetten voor persoonlijke, sociale en commerciële doelen; (d) er zich bewust van zijn dat mensenrechten (zoals het recht op vrije meningsuiting, privacy, eerbied en gelijke behandeling) ook van toepassing zijn op online omgevingen.

– Werken aan de competenties van digital citizens kan op alle leeftijden (dus vanaf het basisonderwijs) en in alle vakken. Het wordt best vastgehangen aan concrete inhouden van diverse vakken en aan controversiële onderwerpen waarrond er veel desinformatie wordt verspreid. Activerende werkvormen waarin leerlingen zelf informatie checken, beoordelen, presenteren en bediscussiëren spelen daarin een prominente rol, maar de leraar is van cruciaal belang om leerlingen tijdens die activiteiten instructie te geven, nieuwe inzichten te laten opdoen, te doen leren uit de vallen waarin ze trappen, en de digitale competenties van de leerlingen te beoordelen. De leraar analyseert best ook met leerlingen waarom sommige mensen of instituten desinformatie verspreiden.

– Wat is het verschil tussen “misinformation”, “disinformation” en “malinformation”? (Quizvraag :-)) “Misinformation” is informatie waarvan kan vastgesteld worden dat die vals is, maar waarbij de zender niet de intentie heeft om te misleiden. “Disinformation” is informatie waarvan kan vastgesteld worden dat die vals is en waarbij de zender wel de intentie heeft om te misleiden. “Malinformation” is informatie die feitelijk klopt, maar die met slechte bedoelingen wordt misbruikt.

– Maak van leerlingen echte fact-checkers. Leerlingen moeten leren om bij informatie die ze te verwerken krijgen vragen te stellen als: (1) Wie verspreidde deze informatie, en met welke bedoeling? (2) Welke emoties worden door de zender bespeeld?  (3) Wat is de bron van de informatie, en is die te vertrouwen? (4) Hoe kunnen we verifiëren of de informatie in de bron correct is? (5) Welke impact heeft de informatie op mij, en welke waarde heeft ze voor mij? (6) Hoe ga ik communiceren over de waarde en betrouwbaarheid van deze informatie?

– Wat is het verschil tussen debunking en pre-bunking? (nog een quizvraag :-)) “Debunking” houdt in dat valse informatie wordt ontmaskerd op basis van betrouwbare feiten of bronnen. “Prebunking” betekent dat leerlingen op voorhand kennis opdoen over een bepaald onderwerp en op basis daarvan valse informatie kunnen herkennen. Dat is overigens een goede oefening in de klas: nadat leerlingen basiskennis hebben opgedaan over een onderwerp analyseren ze zelf hoe de waarheid geweld wordt aangedaan in een informatiebron over datzelfde onderwerp of proberen ze zelf desinformatie over dat onderwerp te produceren.

Breed evalueren van digitale competenties: Een kennistest kan in dit verband enkel helpen om vast te stellen of leerlingen bepaalde basiskennis bezitten (bv. over welke technieken bij het verspreiden van desinformatie worden gebruikt). Om te beoordelen of leerlingen zich ontwikkelen tot “digitaal competente burgers” zal echter een veel bredere evaluatie nodig zijn waarbij leerlingen onder andere worden geobserveerd tijdens de uitvoering van authentieke taken, portfolio’s aanleggen, vragenlijsten invullen over hun attitudes met betrekking tot desinformatie, of hun standpunt over de betrouwbaarheid van bepaalde informatie verdedigen. Ook het evalueren is teamwerk, en mag dus niet op de schouders van één leraar vallen.

Professionaliseer leraren: Het is van groot belang dat leraren voldoende kansen en impulsen krijgen om zich rond dit onderwerp zelf bij te scholen en te professionaliseren. Het loont ook om leraren van hetzelfde team tijd en ruimte te geven om hierrond samen te werken, te overleggen, te participeren in vakoverstijgende projecten en goede praktijken uit te wisselen.

Bron?

https://education.ec.europa.eu/news/guidelines-for-teachers-and-educators-on-tackling-disinformation-and-promoting-digital-literacy-through-education-and-training

De 5 D’s van goede feedback

In tal van meta-analyses van onderwijsgericht onderzoek blijkt feedback een van de krachtigste hefbomen die leraren in handen hebben om de leerprocessen van hun leerlingen te bevorderen. Dat betekent echter niet dat alle feedback even effectief is, noch dat het geven van meer feedback simpelweg leidt tot meer impact op leren. Hieronder vat ik een aantal cruciale lessen die we kunnen leren uit het uitgebreide onderzoek naar effectieve feedback samen in de vorm van 5 D’s.

Welke zijn de 5 D’s van goede feedback?  

Effectieve feedback is:

Doelgericht

Daadkrachtig

    Duidelijk

    – GeDoseerd

    Diplomatisch

    Doelgerichte feedback?

    Feedback werkt beter als die gelinkt wordt aan heldere doelen die de leerlingen met hun werk/taak/opdracht moeten proberen te bereiken. Het is dus aangewezen om van bij de aanvang van de taak duidelijk te maken welke de succescriteria zijn waaraan een goede taakuitvoering voldoet. Op die manier varen de leerlingen niet blind: ze kunnen zelf richting geven aan hun werk en zichzelf monitoren. Als de feedback van de leraar bewust verwijst naar die doelen/succescriteria, dan is die feedback voor de leerling beter aanvaardbaar en hebben de leerlingen ook sterker het gevoel dat de feedback hen kan helpen om de doelen te bereiken. Feedback kan zo de leerling inzicht bieden in welke doelen/criteria al wel zijn behaald en welke nog niet.

    Daadkrachtige feedback?

    Effectieve feedback helpt de leerling om de huidige taakprestatie te verbeteren. Ze is erop gericht de leerling iets te laten doen: namelijk de taakuitvoering op een bepaalde manier aan te passen of aan te vullen zodat de doelen beter bereikt worden. Natuurlijk mag een leraar positieve feedback geven over de aspecten van de taakuitvoering die al goed zijn uitgevoerd, maar feedback heeft een sterkere impact op leren als de leerling (a) inzicht verwerft in welke aspecten van de taakuitvoering beter kunnen, en (b) zo nodig, informatie krijgt over hoe dat dan beter kan. Feedback is dus geen eindpunt: het sluit de taakuitvoering niet af, integendeel. Dit aspect zegt dus ook veel over de timing van effectieve feedback: die komt bij voorkeur op een moment dat de leerling iets met de feedback kan doen en ook nog gemotiveerd is om er iets mee te doen.

    Uit de kenmerken “doelgerichte” en “daadkrachtige” feedback vloeit voort dat feedback die gericht op de taakuitvoering (de huidige kwaliteit ervan, de processen en strategieën die de leerling toepast en/of de mate van zelfregulering van de leerling tijdens de taakuitvoering) effectiever is dan feedback die louter gericht is op de persoon van de taakuitvoerder (“Wauw, Joren, wat ben je toch een goede schrijver!”)

    Duidelijke feedback?

    Met vage, algemene uitspraken over de kwaliteit van een taakuitvoering (“Slordig”, “Magnifiek”, “Kan beter!”) kan de leerling weinig aanvangen. Dergelijke feedback bevat te weinig informatie over welke aspecten van de taakuitvoering beter kunnen of beter moeten. Effectieve feedback is concreet: ze slaat op zeer specifieke kenmerken van de taakuitvoering of op een van de specifieke criteria die moeten vervuld worden. Duidelijk betekent ook: verwoord in heldere termen. Leraren vermijden dus best ontoegankelijk jargon of overdreven abstract taalgebruik. Feedback werkt maar als de leerling de feedback begrijpt.

    Gedoseerde feedback?

    Trop is te veel. Een blad vol rode doorhalingen en commentaren kan ontmoedigend werken. Het zelfbeeld van de leerling wordt bedreigd en bovendien kan de leerling het gevoel krijgen dat er zoveel moet herwerkt worden dat er geen beginnen aan is. Om dat te vermijden, kunnen leraren ervoor kiezen om op een paar aspecten van de taakuitvoering feedback te geven, bijvoorbeeld aspecten waarover de leerlingen al onderwijs hebben gekregen, aspecten die duidelijk in de doelen naar voor werden geschoven omdat ze zo taak-essentieel zijn, of aspecten waarvan de leraar vindt dat de leerlingen ze ondertussen onder de knie moeten hebben. Doseren kan ook door de feedback in opeenvolgende schijfjes te geven: tijdens een eerste ronde geeft de leraar bijvoorbeeld enkel feedback op de inhoud van de schrijfopdracht die de leerlingen uitvoeren, om pas in een volgende ronde (ook) te focussen op de taalcorrectheid en de vormelijke afwerking van het schrijfproduct.

    Diplomatische feedback?

    Feedback die de leerling of de taakuitvoering afbreekt, heeft minder impact op leerprocessen dan constructief bedoelde/gegeven feedback. Leraren die effectieve feedback geven, zijn geduldig: ze luisteren naar de leerling, herhalen indien nodig, en moedigen aan. Ze stralen het geloof uit dat de leerling iets positiefs met de feedback kan aanvangen. Ze zetten de leerling aan om zelf iets met de feedback te doen, maar geven suggesties en hints, of modelleren zelfs, als dat uiteindelijk toch niet blijkt te lukken. Diplomatische feedback houdt rekening met het ontwikkelingsniveau en het welbevinden van de leerling. Zulke leraren weten diep in hun binnenste dat fouten maken normaal is, meer zelfs, dat fouten “hot spots for learning” zijn.   

    Samen vormen de 5 D’s een hanDvol goede raad. Samen leiden ze tot de 5de letter van het alfabet, de E van Effectieve Feedback.


    Betere leermiddelen? Kan de Kwaliteitsalliantie een bijdrage leveren?

    Er gonst al geruime tijd kritiek op de handboeken en leermiddelen die door commerciële uitgeverijen worden verkocht. De leerling verwordt tot een invuller, de leraar tot een uitvoerder. De vonk verdwijnt uit het creatief- constructieve proces dat “onderwijzen” heet en het creatief-constructieve proces dat “leren” heet. De leraar zakt weg in een pluchen zetel van comfort met een knisperende zak voorgekauwde chips en zoekt tussen de plooien van de zetel amechtig naar het laatste restje autonomie. De leerling onderlijnt, vinkt af, duidt aan, kleurt zich suf en ziet zijn taalproductie teruggedraaid tot het stadium van de eenwoordzin.

    Karikatuur? Misschien, maar dat een kwaliteitsalliantie van uitgevers, gebruikers (waaronder ouderverenigingen), onderwijsonderzoekers (waaronder ikzelf), lerarenopleiders en onderwijskoepels onder leiding van Luc De Man uitgebreid overleg pleegde over een resem kwaliteitscriteria waaraan alle leermiddelen voortaan moeten worden afgetoetst én die partners bovendien het engagement aangingen om de kwaliteit van de leermiddelen samen te monitoren, spreekt boekdelen. Uitgeverijen hebben met de criterialijst een middel tot zelfregulering in de hand: tijdens het gehele productieproces kunnen de criteria de leidraad vormen voor de ontwikkeling van een product dat leraren uiteindelijk helpt om boeiende, uitdagende, leerrijke onderwijsactiviteiten te ontwerpen die goed zijn voor alle leerlingen. Ja, de leraar is de architect van onderwijsprocessen, niet de handboekenschrijver. De methodemaker levert de tekentafel en het potlood, niet de tekening zelf. De methode van de toekomst beschrijft geen perfect uitgestippelde route die door een weids landschap loopt (“Het pad niet verlaten!”), maar hopelijk een set van routes die de leraar vrijelijk mag betreden en combineren, gegidst door wandelknooppunten die door de methodenmaker van deskundig commentaar worden voorzien. Schoolteams kunnen de criteria gebruiken bij de selectie van een methode en kunnen uitgeverijen vragen om gedetailleerd te beschrijven en beargumenteren in welke mate hun product aan alle, of welbepaalde criteria beantwoordt. Schoolteams hanteren de criteria als baken voor onderwijskwaliteit, als toetssteen voor hun eigen pedagogisch project. Partners kunnen uitgeverijen wijzen op fouten in methodes, of hen aanzetten en inspireren om beter te doen.

    Het werk van de Kwaliteitsalliantie is dus niet af. Het is maar net begonnen. Dat is het engagement dat de partners aangaan. Dat ze allen voor hoge onderwijskwaliteit gaan, en in de methodes en leermiddelen de hoogst mogelijke kwaliteit zoeken. Meer zelfs, die hoogste onderwijskwaliteit eisen. Dat is de constructieve dialoog waartoe het werk van de kwaliteitsalliantie aanleiding kan geven. Of dat zal gebeuren, zal de toekomst uitwijzen. En de leerling: die wordt er hopelijk beter van. Die krijgt daardoor hopelijk minder saai onderwijs, minder afstompende taken, meer kansen tot uitgebreid denken en redeneren. Meer verwondering. Meer leerplezier.

    De link naar het volledige rapport:

    https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/51520

    Shortlist van kernindicatoren

    Zijn de doelen (eindtermen / leerplandoelen) in het door externen aangeboden leermiddel traceerbaar / aantoonbaar? (indicator 1.1)

    Wordt het inhoudsniveau (het juiste kennisniveau) duidelijk vertaald naar de doelgroep en wordt het gedragsniveau geoperationaliseerd zoals vermeld in de eindterm / het leer-plandoel? (indicator 1.5)

    Krijgen de leraren (in voorkomend geval ook leerlingen en ouders) achtergrondinformatie bij het concept van de methode (gebaseerd op de gemaakte didactische keuzes)? (indicator 2.2)

    Houdt het leermiddel rekening met recente ontwikkelingen van de inhouden en de (vak)didactische aanpak waarvan de effectiviteit is aangetoond?’ (indicator 2.8)

    Zijn er kansen om in gevarieerde contexten en gevarieerde opdrachten de beoogde doelen te oefenen? (indicator 2.41)

    Is het leermiddel voor iedere gebruiker toegankelijk en aangepast om makkelijk en efficiënt te gebruiken? (indicator 3.1)

    Is het leermiddel een illustratie van respect voor een diverse samenleving (indicator 3.10)?

    Miniemeninstituut Leuven wint European Innovative Teaching Award

    Met het project “Futureskills21” werd het Leuvense Miniemeninstituut onlangs bekroond als een van de laureaten van de European Innovative Teaching Award 2022. De jury bestempelt het project als “shaping the future of education”, met een sterke nadruk op leerlingen die samen leren over internationale grenzen heen. Diederik Roelandts en Dirk Staf, bezielers van het project, geven meer tekst en uitleg bij hun bekroning.

    Wat houdt het project Futureskills21 precies in?

    Dirk en Diederik: Futureskills21 is een Europees samenwerkingspartnerschap binnen het Erasmus+-programma, dat veranderingen in onderwijs beoogt door grensoverstijgende samenwerking. Ons uitgangspunt was de verwerving van de 21ste -eeuwse vaardigheden of sleutelcompetenties. Met Futureskills21 wilden we vooral leraren (onszelf inbegrepen) en directies in 9 landen versterken in de zoektocht naar goede vakoverschrijdende lessen en projecten. Hiervoor vergeleken we lesinhouden en evaluatiemethodes en brachten goede praktijkvoorbeelden onder in een online-platform (www.tracknteach.eu).

    Kunnen jullie een concreet voorbeeld geven van een project dat werd opgezet?

    Dirk en Diederik: Futureskills21 liep meer dan drie jaar. Leraren en leerlingen uit 9 landen werkten samen tijdens projectmeetings in Nederland (Tilburg), Liechtenstein (Gamprin), Luxemburg (Esch-sur-Alzette) en ook 2 weken online (wat een bezoek aan Duitsland (Deggendorf) had moeten worden). In elk land werkten we aan deelprojecten rond competentieverwerving met een grote klemtoon op zelfsturing en initiatief nemen bij de leerlingen. De Nederlandse leerlingen namen hierbij het voortouw met de organisatie van teambuildingactiviteiten en de leerlingen van onze school trokken de ICT-kaart door educatieve apps aan de lerarengroep voor te stellen. Tijdens de fysieke en online-samenwerking zijn zo heel wat mooie lessen en projecten ontstaan én (transversale) competenties aangescherpt. Het eindproduct van onze samenwerking is onze toolbox, het Tracknteach-platform geworden.

    Op de website vinden we inderdaad mooie voorbeelden. Leerlingen die samen een app ontwerpen om je fitheid te bepalen, leerlingen die een escape room ontwikkelen over de Europese Unie… De jury noemt het project “Inclusive”, “Sustainable” en “Enriching”? Vanwaar die adjectieven?

    Dirk en Diederik: “The New European Bauhaus 2021-2027” is een initiatief van de Europese Commissie dat ons allemaal oproept om samen te bouwen aan een duurzamere en inclusievere toekomst die tegelijk mooi is voor “ogen, hoofd en ziel”. Dit kunnen we samen bereiken via ervaringen die verrijkend zijn (geïnspireerd door kunst en cultuur en meer zijn dan enkel functioneel), duurzaam (in harmonie met de natuur, het milieu en onze planeet) en inclusief (inzettend op dialoog tussen culturen, disciplines, gender en leeftijd). Een hele mond vol, dat is waar, maar tot onze aangename verbazing zag de jury in Futureskills21 precies deze adjectieven terugkomen: verrijkend door de cross-disciplinaire aanpak (met aandacht voor outdoor learning, kunst, talen en ict), duurzaam door onze bewuste keuze om papierloos te werken én voor onze verplaatsingen onder de 800 km te kiezen voor trein en carpooling en inclusief (door te werken met jongeren uit 9 landen (ook uit kansengroepen), ongeacht leeftijd en religie). Zo bereikten we rechtstreeks 200 leerlingen, 40 leraren en directieleden.

    De jury was lovend over Tracknteach, als onderdeel van Futureskills21: wat houdt dat precies in?

    Dirk en Diederik: Tracknteach is uiteindelijk veel meer geworden dan de toolbox die we initieel voor ogen hadden. Een verzameling van goede praktijkvoorbeelden voor vakoverschrijdend lesgeven en evalueren van 10 partners uit 9 landen was slechts een begin. Door ons af te vragen hoe dit “samenwerkingsportfolio” er moest gaan uitzien, stelden we ons essentiële vragen over inhoud en structuur. Als je dan getalenteerde leerling-programmeurs en gedreven collega’s op school hebt rondlopen, is de stap snel gezet om te gaan samenwerken rond de structuur van een databank, om samen na te denken over de manier waarop de databank kan geraadpleegd worden of over het design. In kaart brengen van goede praktijkvoorbeelden heeft uiteindelijk geleid tot een samenwerking rond de essentie van wat onderwijs in de toekomst zou moeten worden. Voor wie ook een Erasmusproject overweegt: “bezint eer ge begint”!    

    Kunnen andere scholen met dit project aan de slag? Moet er aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan?

    Dirk en Diederik: Iedereen kan een account aanmaken en met TracknTeach aan de slag gaan. Verwacht daarbij geen databank die pasklare antwoorden zal geven op concrete vragen rond specifieke leerinhouden of lesdoelen. Daar bestaan andere platformen voor. Ons platform is vooral een analysetool en zal inspirerend werken voor diegenen die zoeken naar goede vakoverschrijdende lessen of projecten voor diep leren. Zo hebben we zelf ook ervaren, bij het invoeren van eigen activiteiten, dat je op een héél gestructureerde manier over de opbouw en uitwerking van je eigen lesactiviteiten gaat nadenken. Enkele collega’s in bevriende lerarenopleidingen hebben daarom ook al hun interesse in TnT getoond.

    Hoe zien jullie de toekomst van dit project? Welke wilde plannen hebben jullie nog?

    Dirk en Diederik: We willen het platform nu definitief lanceren. Daarbij zijn we nog op zoek naar mensen die ons redactieteam versterken. Alle nieuwe voorbeelden worden eerst grondig nagelezen en geanalyseerd volgens relevante criteria alvorens zichtbaar gemaakt te worden voor alle andere gebruikers… een hele klus dus. Ondertussen zijn we ook volop bezig aan de ontwikkeling van een platform dat moet toelaten de competenties van jongeren in kaart te brengen. We gebruiken met opzet hier het woord leerling niet. Ons vervolgproject zet namelijk in op een veel ruimere doelgroep. We hebben de ambitie om buiten het onderwijs ook andere spelers een stem te geven via de portrettering van hun competenties. Waarom zou een sportcoach, een leider van een jeugdbeweging of een werkgever geen waardevolle bijdrage kunnen leveren bij het in kaart brengen van sleutelcompetenties?

    Waar kunnen geïnteresseerde scholen meer informatie vinden over dit bekroonde project?

    op https://www.futureskills21.eu en via enkele nuttige links:

    https://innovative-teaching-award.ec.europa.eu/projects/futureskills21_en

    https://www.tracknteach.eu/

    https://www.futureskills21.euhttps://miniemeninstituut.be/internationalisering/

    “Grej of the Day”, of hoe feitenkennis cool en beklijvend voor leerlingen wordt

    Het idee komt van de Zweedse leraar Micael Hermansson. Het idee is simpel.

    1. Op dag 1 (tegen het einde van de schooldag) geef je leerlingen een teaser. Dat kan een vraag zijn (Waarom eten ijsberen geen pinguïns?) of een korte, raadselachtige uitspraak (“He had a wonderful dream”). De bedoeling is dat de leerlingen aan het denken worden gezet en zich thuis afvragen waarover de teaser zou kunnen gaan.

    2. Op dag 2 (aan het begin van de volgende schooldag dus) geeft de leraar een “micro-les” van 8 minuten over de teaser. Belangrijk is dat het gaat om feitenkennis met een zeker “WauW”-effect: een opzienbarend feit, of (nog beter) een beklijvend verhaal dat aan de teaser kan worden verbonden.

    3. De leerlingen krijgen de opdracht om wat ze onthouden hebben van de micro-les thuis door te vertellen. Ze kunnen er ook over schrijven (aan hun correspondentieklas) of het doorvertellen aan andere leerlingen.

    Hermansson heeft ondertussen tienduizenden volgers op Facebook, en Grej of the Day is uitgegroeid tot een internationaal omarmd idee. Voor leraren is er al heel wat inspirerend materiaal. Het idee strookt met basisinzichten vanuit de cognitieve psychologie over wat leren van feitenkennis beklijvend en duurzaam maakt: het triggeren van nieuwsgierigheid en het oproepen van voorkennis in stap 1, het doorgeven van interessante informatie en de beklijvende kracht van verhalen in stap 2, het belang van “retrieval” (het terug ophalen en herhalen van feitenkennis) in stap 3.

    Hermansson geeft aan dat het idee nog rijker wordt als leerlingen – in een spontane stap 4 – zelf elementen beginnen toe te voegen aan de micro-les omdat ze zo gebeten zijn door het onderwerp. Zoals de leerling die thuis vertelde over Nelson Mandela en prompt van zijn vader een T-shirt met “Free Nelson Mandela” kreeg om de volgende dag mee naar school te nemen. Of leerlingen die verbanden beginnen zien tussen het weetje over ijsberen en eerder opgedane kennis over Noord- en Zuidpool (weet je het antwoord ondertussen?). Slimme leraren kiezen teasers waarvan ze op voorhand weten dat er interessante verbindingen zijn te maken met eerder onderwezen lesstof.

    Hermanssons besluit is al zo simpel als zijn basisidee: “It’s cool when school is cool”.  

    Elke LERAAR een LEesbevordeRAAR! Open brief aan alle leerkrachten in Vlaanderen en Brussel

    Kris Van den Branden, Hilde Van Keer, Peter Van Damme, Gino Bombeke, Emmelien Merchie en Mariet Schiepers

    Beste leraar,

    Wij hopen dat u met veel frisse moed en enthousiasme aan het nieuwe schooljaar bent begonnen. Wat u doet, elke dag weer, is letterlijk van levensbelang voor elk van uw leerlingen. U onderwijst, voedt op, bevordert kennis, vaardigheden en attitudes vanuit uw grote professionele deskundigheid en zorgzame ingesteldheid. Er wordt veel van u gevraagd en u doet nog meer.

    Toch hebben wij een verzoek voor u: wij hopen dat u – welk vak u ook geeft, in welk leerjaar of welke klas u ook lesgeeft – aandacht zal hebben voor de leescompetenties van uw leerlingen. Vandaag halen 19% van de 15-jarigen in het Nederlandstalig onderwijs niet het minimale niveau van leesvaardigheid. Dat is schrikbarend hoog. Nochtans is een goede begrijpend-leesvaardigheid cruciaal voor de slaagkansen van alle jonge mensen op de schoolbanken, op de arbeidsmarkt en in hun hele verdere leven. Leerlingen die op hun 18 jaar niet goed genoeg begrijpend kunnen lezen (en dus “laaggeletterd” zijn), lopen significant meer kans om in de werkloosheid te belanden, van een sociale uitkering afhankelijk te worden, minder vlot levenslang te leren, en minder lang gezond en gelukkig te leven. Informatie kunnen halen uit teksten is een levensbelangrijke competentie van de 21ste eeuw.

    Denk alstublieft niet te snel: “ik ben geen taalleerkracht, ik kan niets bijdragen.” Alle leraren, van kleuterleraren tot leraren lastechnieken, kunnen bijdragen tot de leescompetenties en leesmotivatie van hun leerlingen. Want op ieder niveau en in ieder vak werken leraren met teksten. Of het nu om handboekteksten, verhalen, krantenberichten, blogs, grafieken, handleidingen van machines, internetpagina’s, stroomschema’s of berichten op sociale media gaat: in elk vak verwerken leerlingen al lezend informatie. In ieder vak kunnen leraren hun leerlingen dus helpen om aandachtiger te lezen, kritisch na te denken over de betrouwbaarheid van informatie, te verwoorden wat er in de tekst staat of over een gelezen tekst te schrijven. In ieder vak en in ieder leerjaar kunnen leraren kiezen voor interessant en rijk tekstmateriaal en er een intensieve gedachtewisseling over opzetten. In ieder vak kunnen leraren leerlingen aansporen om teksten op het internet minder oppervlakkig te benaderen. In ieder vak kunnen leraren delen met hun leerlingen wat zijzelf graag lezen. In iedere school kunnen leraren van taalvakken samenwerken met de andere leraren van hun team om hun leesimpulsen nog beter op elkaar af te stemmen.

    Iedere school kan een leesbeleid voeren dat leerlingen positief stimuleert om binnen én buiten de lessen meer te lezen. In iedere school kunnen leerlingen aangespoord worden om zelf tekstmateriaal aan te brengen. In iedere school kunnen netwerken met bibliotheken, cultuurorganisaties, vrijetijdsbestedingen, kinderopvangcentra en ouderverenigingen opgezet worden om lezen ook buiten de school verder te stimuleren. In iedere school kunnen leerlingen rijkelijk voorgelezen worden, kansen krijgen tot vrij lezen, en spannende dingen doen met de fictie én non-fictie die ze lezen.  

    Leerlingen die beter lezen, lezen liever. Leerlingen die liever lezen, lezen meer en met een grotere betrokkenheid. Leerlingen die beter lezen, leren beter. In alle vakken. Voor het leven. Een leven lang.

    Beste leraar, wat u ook doet, hoe klein u ook denkt dat uw eigen bijdrage tot de leescompetenties van uw leerlingen is, u maakt een verschil. Een levensbelangrijk verschil. Elke LERAAR een LEesbevordeRAAR. Wij wensen u een fantastisch en leesrijk schooljaar!

    Kris Van den Branden is verbonden aan de Faculteit Letteren van de KU Leuven; Peter Van Damme en Gino Bombeke zijn verbonden aan de Educatieve Master Talen van de KU Leuven; Mariet Schiepers is verbonden aan het Centrum voor Taal en Onderwijs van de KU Leuven; Hilde Van Keer en Emmelien Merchie zijn verbonden aan de Universiteit Gent.

    20 jaar GOK-decreet: de lat hoog genoeg voor alle leerlingen?

    “De lat hoog voor iedereen” was de titel van een conferentie die het toenmalige Steunpunt GOK in september 2008 organiseerde. De centrale boodschap van die conferentie resoneert sterk met een aantal vaststellingen in het syntheserapport dat Juchtmans e.a. in 2020 voor het Steunpunt Onderwijsonderzoek (SONO) schreven. In dat rapport wordt gereflecteerd op twee onderzoeken waarin wordt geanalyseerd hoe basis- en secundaire scholen in Vlaanderen hun gelijke-onderwijskansenbeleid vormgeven.

    In de meerderheid van de scholen gaat het GOK-beleid tegenwoordig op in het zorgbeleid. Die ontwikkeling kwam in een stroomversnelling nadat vanaf het schooljaar 2012-13 de “GOK-uren” werden vervangen door SES-lestijden die integraal deel uitmaken van de reguliere omkadering en de verplichting voor scholen wegviel om een apart GOK-aanwendingsplan te schrijven. Het is de directeur die finaal beslist over de aanwending van de extra SES-lestijden, maar in de meeste scholen hebben leraren veel inspraak en wordt de aanwending ook gedragen door het lerarenteam, ondersteund door de pedagogische begeleidingsdiensten. Het merendeel van de extra lestijden wordt in de meeste scholen aangewend om klasinterne differentiatie en buitenklas-remediëring mogelijk te maken. Klasinterne differentiatie krijgt vaak vorm door het inzetten van extra leerkrachten in de klas of het organiseren van co-teaching. In sommige scholen worden klasoverstijgende groepen met flexibele leerwegen gecreëerd of worden klassen gesplitst voor bepaalde vakken (bv. om niveaugroepen te creëren) om zodoende leerlinggerichter te werken. Remediëring buiten de klas is ook een gangbare praktijk, maar wordt vooral aangewend bij specifieke doelgroepen voor wie de brede basiszorg ontoereikend blijkt. In het secundair onderwijs blijken de middelen vaker algemeen ingezet te worden, eerder dan ten bate van specifieke doelgroepen.

    De onderzoekers wijzen erop dat sommige scholen in het basisonderwijs hun (SES-)lestijden inzetten om leerlingen voor te bereiden op 1B of een soort van ‘tracking’ via homogene niveaugroepen te organiseren. Dat druist volgens de onderzoekers echter in tegen de regelgeving die het behalen van de eindtermen als norm vooropstelt. Hier stoten we op een trend die ook in internationaal onderzoek rond “equity in education” al herhaaldelijk werd opgemerkt: de lat wordt voor sommige leerlingen met een bepaald (achtergrond)profiel te laag gelegd (soms vanuit een zorg om het welbevinden van de leerlingen), waardoor op langere termijn de ontwikkelingskansen van de leerlingen benadeeld worden en het “plus est en vous” principe niet sterk genoeg wordt nagestreefd. In de openingstoespraak die ikzelf op de Steunpunt GOK-conferentie van 2008 gaf, had ik het daarom over “maximale ontwikkelingskansen voor alle leerlingen”: haal het allerbeste en het allermeeste uit al je leerlingen! Internationaal onderzoek toont steevast dat dat begint bij geloof in leerlingen en hoge verwachtingen. Die hebben op hun beurt een systematische, dagelijkse impact op het soort opdrachten dat aan leerlingen wordt gegeven, de vragen die aan hen worden gesteld, de teksten die ze te lezen en verwerken krijgen, de kansen tot taalproductie en hoger-orde-denken die ze in alle vakken krijgen, en dus de leer-kansen die ze krijgen. Onderwijs moet voor elke leerling (geen renkele uitgezonderd) knetteren van de rijke impulsen tot leren. De GOK van onderwijs is dat er rijk wordt ingezet op het leerpotentieel van iedere leerling.

    Het syntheserapport van Juchtmans e.a. bevat twee opvallende aanbevelingen. Ten eerste wordt aanbevolen om scholen met veel SES-leerlingen maar een fragiel schoolbeleid intensief te ondersteunen. En ten tweede pleiten de onderzoekers voor het opzetten van meer schooloverstijgende samenwerkingsverbanden: scholen zouden bij elkaar inspiratie kunnen vinden om hun extra lestijden effectiever in te zetten en zouden expertise en professionaliseringsinspanningen (en zelfs middelen) rond maximale, gelijke onderwijskansen kunnen delen met elkaar. Scholen leren met andere woorden nog te weinig van elkaar, en te veel naast elkaar.

     Bron?

    Naar een talenonderwijs in topvorm? Een bevraging van 1000 Vlaamse taalleerkrachten

    Toegegeven, als het Vlaams Talenplatform een bevraging onder talenleerkrachten opzet die op vrijwillige basis deelnemen, dan weten de meeste lezers wat ze in het rapport mogen verwachten. Ja, de respondenten pleiten voor een verhoging van het aantal lesuren voor talen, voor het werken in kleinere lesgroepen en voor meer kansen tot professionalisering die praktijkgericht aansluiten bij de noden van taalleerkrachten in de 21ste eeuw. En ja, ze pleiten eensgezind voor een sterke campagne waarin het imago van talenkennis en talenonderwijs opgevijzeld wordt. Ook toegegeven, de steekproef van het Vlaams Talenplatform is scheefgetrokken met een oververtegenwoordiging van leraren Frans en Nederlands in het aso, en dus moeten de resultaten met de nodige omzichtigheid behandeld worden (zoals de auteurs zelf aangeven).

    Toch bevat deze survey ook een aantal resultaten die verder gaan dan het makkelijk voorspelbare. Zo staan de 1029 respondenten sterk op hun pedagogische autonomie en vallen ze voor ondersteuning (of het nu om de uitwisseling van lesmaterialen, aanvangsbegeleiding of professionalisering gaat) vooral op elkaar terug. Iets was Schleicher in zijn boek “World” Class ook al opmerkte op basis van het OESO-onderzoek: voor leraren is de meest waardevolle professionalisering praktijkgericht en gebeurt die samen met collega’s op de eigen school. Dit wordt ook bevestigd in de antwoorden over de impact van professionaliseringsvormen: workshops op school en het consulteren van websites als Klascement (die kant-en-klare materialen aanbieden) hebben volgens de respondenten meer impact op de klaspraktijk dan professionalisering door pedagogische begeleidingsdiensten, hogescholen en universiteiten. Veel respondenten klagen over te weinig ruimte om zich te professionaliseren (en wensen vooral vakdidactische, praktijkgerichte initiatieven gegeven door ervaren leerkrachten) en financiële obstakels. En opvallend, ook al is elk schoolteam verplicht om een taalbeleid op school te ontwerpen en implementeren, toch vormen nascholingen over talenbeleid een blinde vlek.

    Wat ook opvalt: de talenleerkracht ziet een toenemend aantal taken op zich afkomen en mist de tijd en ruimte om die allemaal waar te maken. De talenleerkrachten vragen ambitieuze doelen op het vlak van taalvaardigheid en -kennis, maar tevens voldoende tijd en ruimte om die waar te maken. Als professionalisering structureel in de opdracht van de taalleerkracht wordt ingebed, dan zouden de respondenten die vooral gebruiken voor overleg met de collega’s.

    Wat evaluatie betreft, is het idee van brede evaluatie duidelijk dominant. Volgens 90% van de respondenten zijn zowel geïntegreerde opdrachten als afzonderlijke evaluaties van kennis en vaardigheden nodig om taalbeheersing te evalueren.

    Een belangrijke kanttekening bij al het voorgaande: de ene taalleerkracht is de andere niet. Enkel bij de leraren Frans is er een meerderheid (meer dan 50%) die vindt dat er in de beginfase meer gewicht aan taalkennis moet gegeven worden en pas later meer gewicht aan vaardigheden; bij de andere talen is die meerderheid er niet. Evenzeer zien de noden van een startende leerkracht er helemaal anders uit dan die van een ervaren rot, en hebben leraren klassieke talen andere professionaliseringsnoden dan leraren Engels in het bso. De respondenten in deze survey trekken in een aantal gevallen weliswaar aan hetzelfde zeel, maar scheer hen dus niet allemaal over dezelfde kam. En om met een positieve noot te eindigen: volgens de overgrote meerderheid is een richting Moderne Talen in de derde graad doorstroomfinaliteit een grote troef. Uitspelen, die troefkaart!

    Rapport zelf lezen?

    http://www.vlaamstalenplatform.be/