Waarom dragen duiven geen schoenen? Over de kunst van vragen stellen

Eergisteren zat ik op een uitwisseling tussen lerarenopleiders. Het ging over ‘onderzoeksvaardigheden’ van jongeren in het secundair onderwijs. In de derde graad moeten veel jongeren een kleinschalig onderzoek opzetten, vertrekkend van een goede onderzoeksvraag. Een van de lerarenopleiders zei tijdens de uitwisseling: ‘Dat kunnen ze niet, hé, een onderzoeksvraag stellen. Dat vinden ze zo moeilijk!’ Algemene instemming. Alle kopjes beginnen te knikken.

Pas toen ik ’s avonds naar huis liep, bedacht ik me wat een vreemd moment dat was. Ik dacht: hoe kan het toch dat jongeren van 16 geen onderzoeksvragen kunnen stellen? Ze konden het toch allemaal zo goed toen ze drie jaar waren. Toen gingen ze door de befaamde ‘waarom-fase’. Ze stelden toen zoveel vragen dat hun ouders er horendol van werden. Niet allemaal ‘waarom-vragen’, maar ook ‘hoe’, ‘wanneer’, en ‘wat-vragen’.  Je moet maar even een paar websites en opvoedkundige werken met authentieke voorbeelden raadplegen, en je komt meteen tot de conclusie dat kleuters tussen 3 en 5 ontzettend goed zijn in vragen stellen. Excuseer, onderzoeksvragen. ‘Waarom dragen duiven geen schoenen?’, ‘Waarom glijdt de trein niet uit?’ ‘Waarom vallen de blaadjes van de bomen?’, ‘Waarom mors je?’ (bij het inschenken van de melk uit een kan).  Kijk even terug naar de vragen, en stel met mij vast dat ELK van deze kleutervragen in de derde graad van het secundair onderwijs aanleiding zou kunnen geven tot een fascinerend onderzoeksproject.

Verleren jongeren de kunst van het vragen stellen? Feit is dat vragen in het onderwijs vaak aan het einde van klassieke onderwijsprocessen bengelen. Leerlingen krijgen leerstof uitgelegd, oefenen daarop, studeren de stof thuis in, en krijgen dan vragen. Maar in natuurlijke leerprocessen zijn vragen net het startpunt. Ons brein houdt niet op met vragen stellen: we gieten die niet allemaal in woorden, maar we stellen ze wel. Jonge kinderen stellen vragen als: Wat is die andere van plan? Wat zit er achter dat kastdeurtje? Zou dat lekker zijn? Zou ik op die stoel kunnen klimmen? En niet alleen jonge kinderen doen dat, ook jongeren en ouderen  blijven vragen stellen: hoe krijg ik die tabel kleiner in mijn WORD-document? Waarom kijkt die zo naar mij? Waarom brandt mijn halogeenspot (in mijn plafond) niet meer?

Vragen zetten ons brein aan tot leren. Vragen stuwen ons intellect vooruit. Vragen sturen ons ook vooruit in een welbepaalde richting. Dat is het verschil tussen een onderwerp (doe een presentatie over de Eerste Wereldoorlog) en een vraag (Waarom mengden de Amerikanen zich in WO1?) Een onderwerp is voor leerlingen als een inktvis: zijn armen waaieren alle kanten uit, en als de leerling niet oplet, komen er steeds meer armen bij, en raakt hij helemaal verstrikt in het kluwen. Een vraag daarentegen is als een rat die de beste weg wil vinden van haar hol naar het kippeneten.. Een vraag is dwingend: het zet het brein aan tot doelgericht, intentioneel zoeken, en dwingt het brein om te focussen. Alle informatie die niet helpt om de vraag te beantwoorden moet even aan de kant; alle andere informatie moet kritisch en doorgedreven worden onderzocht. Moet er een ander lampje in mijn halogeenspot? Is het de zekering? De socket? De lusterklem? Vragen zetten onze geest aan het werk: ons brein zoekt de vier muren en de drie dimensies van haar eigen mentale ruimte af op zoek naar geschikte antwoorden, probeert die uit, en als die niet voldoen, begint het brein te peuteren in het onbekende. Het nieuwe. Trial en error. Proberen en fouten maken. En leren uit tijdelijke fouten. En gaandeweg een weg vinden naar iets dat ons dichter bij het antwoord brengt. Leren. Het zou wel eens kunnen dat de genetische missie van ons brein vragen stellen is. Vragen die ons brein doet investeren in haar eigen vooruitgang.

Moeten vragen, zoals in natuurlijke leerprocessen, dan niet vaker vooraan komen in een onderwijsproces? Helemaal aan het begin van het leerproces? En waarom zouden we wachten tot de derde graad van het secundair onderwijs om leerlingen onderzoeksvragen te laten stellen? Lap, weer twee vragen…

 

Klaar voor de 21ste eeuw?

Volgens Dirk Van Damme, onderwijsexpert bij de OESO, is het onderwijs in Vlaanderen niet klaar voor de 21ste eeuw. Hij drukt er vooral op dat leerkrachten van de 21ste eeuw minder individualistisch, en meer collectief moeten denken.  ‘Het moderne leraarschap gaat over een collectieve verantwoordelijkheid, over team-teaching, met de collega’s samen denken en samen werken,’ zo zegt hij in een interview met De Standaard.

Het punt werd al eerder gemaakt door andere experts. Leerkrachtenteams hebben samen een gigantische expertise, die veel groter is dan de som van de expertise van alle individuele teamleden. Maar veel leerkrachten zitten wellicht niet te popelen om (nog) meer rond de vergadertafel te zitten, zeker niet als dat geen rechtstreekse link heeft met hun eigen klashouden. Het hart en de ziel van leerkrachten zit in hun klas. Mijn  ervaring als nascholer en lerarenopleider leert mij dan ook dat het bovenvermelde ‘collectief denken’ wel eens het meest spontaan tot ontwikkeling zou kunnen komen als leerkrachten meer samen les gaan geven. Dat kan op allerlei manieren: niet alleen door het waardevolle “team-teaching” dat door Dirk van Damme wordt vermeld, en waarbij 2 leerkrachten samen voor de klas staan, maar ook door bijvoorbeeld lessen van 2 of 3 vakken kortstondig aan mekaar te ‘klikken’: daarbij geven de leerkrachten van drie verschillende vakken (elk in hun vak) gedurende 1 of 2 lesuren les over een gedeeld onderwerp (waarbij datzelfde onderwerp dan bijvoorbeeld vanuit een geschiedkundige, economische en taalkundige blik wordt benaderd).

Door experts wordt vaak benadrukt dat schoolteams samen beleid moeten maken. Maar als ‘beleid’ een ‘ver-van-mijn-klas-gebeuren’ wordt, dreigt ‘samen beleid maken’ veel leerkrachten af te schrikken en te demotiveren. Als beleid maken betekent dat er eerst veel moet worden nagedacht en opgeschreven vooraleer er gedaan kan worden, dreigt ‘samen beleid maken’ een papieren en tijdrovende operatie te blijven. Hoogerwerf, een beleidswetenschapper, definieert beleid als “het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en in een bepaalde tijdsvolgorde.” Dat kan heel klasnabij gerealiseerd worden, bijvoorbeeld als leerkrachten in hun lessen samen – en gecoördineerd – streven naar het bereiken van hun vakdoelstellingen en de vakoverschrijdende doelstellingen. Dan kan ‘samen denken’ uit ‘samen doen’ voortvloeien (in plaats van omgekeerd). Samen les geven geeft immers spontaan aanleiding tot samen nadenken over doelstellingen, werkvormen, differentiatie, onderwijslijnen, en evaluatie.  

Dat valt ook te lezen in de fraaie brochure “Het Go! en het secundair onderwijs van de toekomst”. Volgens GO! hebben we in Vlaanderen uitstekend onderwijs, maar zullen we toch een tandje moeten bijsteken om helemaal klaar te zijn voor de 21ste eeuw. De brochure verwijst een aantal keer expliciet naar de principes van duurzaam onderwijs. Zo moeten volgens de auteurs de eindtermen herbekeken worden in het licht van de maatschappelijke veranderingen, en moet er voldoende nadruk gelegd worden op een aantal competenties die voor het 21ste eeuwse leven van cruciaal belang zijn. Leerlingen moeten onder andere:

 – kennis en vaardigheden kunnen inzetten om complexe problemen op te lossen in uiteenlopende contexten;

– hun verbeelding kunnen inzetten;

– in staat zijn respectvol met anderen samen te werken;

– digitaal geletterd zijn en zich uit de slag kunnen trekken met digitale middelen en multimedia;

– over een grote ‘leer-kracht’ beschikken;

De belangrijkste uitdaging voor het GO! bestaat erin dat alle scholen aantrekkelijke scholen moeten zijn. Aantrekkelijke scholen bieden volgens de brochure “duurzaam onderwijs d.w.z. onderwijs waar alle energie van schoolleiders, leerkrachten en leerlingen wordt omgezet in leren en ontwikkeling en waar het verlies aan leerenergie beperkt wordt (bv. spijbelen, ongekwalificeerde uitstroom, burn-out).” (p. 6) Dat is een nobel doel, en een stevige ambitie, die ongetwijfeld vereist dat leerkrachten veel samen doen, en van daaruit samen nadenken over hoe zij er – samen- voor kunnen zorgen dat alle leerlingen, ongeacht hun sociale achtergrond, zich maximaal kunnen ontplooien in het onderwijs van de 21ste eeuw.

Download de brochure van GO!

http://www.g-o.be/sites/portaal_nieuw/subsites/Visieenstandpunten/schoolvanmijndromen/Documents/GO!_Het%20GO!%20en%20SO%20van%20de%20toekomst_DEF.pdf

 

Is de splitsing van Wereldoriëntatie een goede zaak?

De Vlaamse regering heeft beslist om het leergebied Wereldoriëntatie (in het basisonderwijs) te splitsen in twee leergebieden: ‘Mens en maatschappij’ en ‘Wetenschappen en techniek’. De onderwijskoepels en de christelijke onderwijsvakbond vinden dat een slecht idee omdat kinderen de realiteit “geïntegreerd” en “als één geheel” benaderen. Aan het einde van dit stukje zal ik ook mijn twijfels uiten over de wenselijkheid van de splitsing, maar mijn redenering loopt toch ietwat anders dan die van de koepels en vakbond…

Als kinderen de realiteit als één geheel benaderen, dan zouden we de opsplitsing in leergebieden in het basisonderwijs eigenlijk helemaal moeten afschaffen. Dan is het niet helemaal logisch dat er wordt gewerkt met aparte lesmomenten, methodes én leerplannen “Nederlands”, “wiskunde”, “muzische vorming”, “bewegingsopvoeding” en “wereldoriëntatie”. De “geïntegreerde” benadering wordt dus blijkbaar niet consequent doorgetrokken. Het bestaan van aparte lesmomenten,  leerplannen en rapportcijfers voor de bovenstaande leergebieden geeft aan dat leerkrachten en onderwijskoepels het in het basisonderwijs nodig en nuttig vinden om op bepaalde delen van de wereld in te zoomen en die van naderbij te ontleden.

Waarom splitsen we op en zoomen we in? Is het goed dat we dat doen? Voor een aantal kerncompetenties toont wetenschappelijk onderzoek aan dat het inderdaad goed is dat we dat (tijdelijk) doen. Lezen is daar een heel goed voorbeeld van. Kleuters ontwikkelen tijdens hun eerste zes levensjaren allerhande basisnoties en inzichten over geschreven taal. Dat doen ze geïntegreerd, terwijl ze de realiteit “als één geheel” ervaren: ze leren allerlei dingen over klanken en lettertjes en  over de functies van geschreven taal terwijl  ze aan het spelen zijn, pakjes uitpakken (mijn naam!), liedjes zingen en versjes opdreunen (rijm), van prentenboeken genieten, hongerig over straat lopen (de M van MCDonalds!)…  Maar om ervoor te zorgen dat alle kinderen het mechanisme van leren lezen onder de knie krijgen en echt goed inzien hoe geschreven taal werkt, zoomen we tijdens het eerste en tweede leerjaar heel erg in op het “technisch leren lezen”. Dat is geen doel op zich, en ook een tijdelijke fase, want de uiteindelijke bedoeling is dat de kinderen die technische vaardigheid terug “integreren” in echt begrijpend lezen. Die aanpak blijkt voor nagenoeg alle kinderen (zonder dyslexie) goed te werken. Hier is dus sprake van een drieluik:

  1. Contextualiseren (geïntegreerd leren vanuit de echte realiteit) komt eerst;
  2. De-contextualiseren (inzoomen op een deelaspect) volgt daarop en bouwt daarop verder;
  3. Re-contextualiseren is het uiteindelijke doel (terug toepassen in echte, authentieke taken waarbij de realiteit als één geheel wordt benaderd, en de deelcompetentie geïntegreerd toegepast met andere competenties).

Eenzelfde mechanisme volgen we binnen het wiskunde-onderwijs, waar het onder de knie krijgen van allerlei deelbewerkingen (staartdelingen, procenten berekenen, oppervlaktes berekenen) geen doel op zich is, maar moet uitmonden in het oplossen van complexe wereldse problemen (hoeveel euro moeten mijn ouders extra betalen als het lekkend kraantje op ons toilet gedurende zes maanden elke drie seconden een druppel water verspilt? En hoe zouden we dat kraantje dan kunnen repareren?).

Het grote gevaar van het zomaar opsplitsen van het leergebied Wereldoriëntatie en dus het apart installeren van leergebieden als “Mens en Maatschappij” en “Wetenschappen en techniek” is dat fasen 1 (contextualisering) en 3 (re-contextualisering) ernstig bedreigd worden.  Als die aparte leergebieden van het begin tot het einde van het basisonderwijs worden ingericht en geëvalueerd, dan dreigen twee cruciale fasen van leerontwikkeling stiefmoederlijk behandeld te worden. En dat is niet alleen een potentieel slechte zaak voor het duurzaam leren dat hieruit kan voortvloeien, maar ook voor de motivatie van de kinderen. Fase 2 (het inzoomen, het de-contextualiseren) is immers niet altijd de meest boeiende, leuke, spannende, fascinerende fase (kijk maar naar lezen). Je moet door fase 2 om terug tot aan de echt boeiende (authentieke, geïntegreerde) ervaringen van fase 3 te geraken, en dan pas blijkt dat het ook echt de moeite waard is geweest om je erdoor te worstelen. Motivatie is in dit verhaal tamelijk cruciaal, want daar is het de overheid nu precies om te doen: ze wil meer interesse voor wetenschappen en technologie opwekken. Dat doel kan wellicht beter bereikt worden door met de bovenstaande drie fasen  te werken, en er vooral voor te zorgen dat het inzoomen op wetenschappelijke, technologische, of maatschappeijke deelaspecten van de werkelijkheid goed wordt ingebed in boeiende, spannende, fascinerende, geïntegreerde wereldorïenterende ervaringen.

Ik kom dus uit bij een ander voorstel: geef leerkrachten de autonomie om zelf drieluiken uit te werken die met “Mens en Maatschappij” en “Wetenschappen en techniek” hebben te maken. Consulteer hen en vraag hen hoe ze denken dat het best te kunnen doen; vraag ‘good practices’ op en verspreid die via Klascement en andere kanalen. Investeer in een bottom-up beweging waarbij leerkrachten basisonderwijs aantonen hoe je rond “Wetenschappen en techniek” en “Mens en maatschappij” kunt starten van een boeiende oriëntatie van de wereld, van daaruit gevat kunt inzoomen op (bijvoorbeeld) een technologisch procedé, en van daaruit weer kunt zoeken naar boeiende toepassingen van die technologische kennis op nieuwe casusssen. Laat leerkrachten illustreren hoe ze op die manier kinderen warm kunnen maken voor wetenschappen, techniek en andere deeldomeinen van de werkelijkheid. Organiseer intervisies, nascholingen, uitwisselingen voor en door leerkrachten en creëer hierrond een positieve golf die van onderuit opborrelt en aanzwelt.

Mag ik nog even doordraven? Wie deze redenering helemaal wil doordenken, komt uit bij het feit dat als we toch met aparte activiteiten “Nederlands”, “wiskunde”, en “muzische vorming” blijven werken in het basisonderwijs, die eigenlijk ook goed omringd zouden moeten zijn door echte, geïntegreerde opdrachten in fase 1 en 3. In dit verband is het mij overigens een raadsel hoe je een leergebied “Mens en maatschappij” zou kunnen uitwerken zonder daarin taal te integreren (om maar één sprekend voorbeeld te geven). Voor én na het inzoomen op Nederlands, wiskunde of beweging, mogen de kinderen de wereld dan echt geïntegreerd benaderen, en dagen we hen uit om samen opdrachten uit te voeren waarbij taal, rekenen, muzische vorming, en het huidige wereldoriëntatie-onderwijs kunnen samenvloeien. Als het basisonderwijs dat kan realiseren, denk ik dat het veel duurzamer wordt (en wellicht ook veel motiverender)….

Nog een P.S.: vanuit een geïntegreerde optiek is “Wereldoriëntatie” een slechte naam voor een deeldomein. Het héle (geïntegreerde) basisonderwijs is immers één groot proces van wereldoriëntatie.

WO1 herdenken op school: zoeken naar duurzame verbindingen

Wist u dat de Britse regering 5,3 miljoen pond vrijmaakt om Britse leerlingen van het secundair onderwijs de kans te geven om de Vlaamse slagvelden van de Eerste Wereldoorlog te bezoeken?  Het initiatief roept voor Vlaamse scholen een uitdagende vraag op: hoe slagen we erin als schoolteam om een van de meest ingrijpende periodes in de 20ste eeuw op een 21ste-eeuwse manier te behandelen? Hieronder gebruik ik de principes van duurzaam onderwijs om een aantal mogelijke antwoorden te bedenken:

–  Creëer voor de leerlingen een persoonlijke, directe ervaring met het oorlogsleed: De inspanning van de Britten is begrijpelijk. Zelf door de loopgraven lopen (met je laarzen door de modder), voor een kerkhof vol met witte kruisjes staan terwijl een schrale wind je ribben doet rammelen, onder de Menenpoort lopen: zo ontstaan rake, directe, en wellicht blijvende verbindingen tussen de vage noties over WO1 waarmee je als Britse jongere de plas overstak en de indringende beelden, geuren, sensaties die je lijf belagen. Leren is verbinden. Leerprocessen zijn duurzamer als rijkere verbindingen tot stand komen. Vlaamse scholen krijgen in 2014 een ongezien aantal kansen om hun leerlingen directe ervaringen met het oorlogsleed te laten opdoen: het aanbod aan documentaires, tentoonstellingen, videoclips, tv- en radioprogramma’s, beleefparcours, extra lesmateriaal, internetfora, boeken en artikels zal immens zijn (zie bijvoorbeeld http://www.faronet.be). Al dat materiaal biedt aan scholen niet alleen de kans om leerlingen de oorlog te doen aanvoelen, maar ook om hen zelf de kans te geven feiten, data, meningen en verhalen te verzamelen, zelf informatie kritisch te leren benaderen (wie schreef dit stuk en waarom?), zelf dingen op te zoeken, gretig gebruikmakend van de multimediale bronnen die ter beschikking worden gesteld. Zo wordt WO1 voor schoolteams ook dé aanleiding om het over de verlevendiging en de her-bronning van het geschiedenisonderwijs te hebben, en over de integratie van multimedia in alle vakken.

–  Zoek het niet te ver: Hoe gruwelijk en cruciaal de strijd in het westen van Vlaanderen ook was, de herdenking hoeft zich niet te beperken tot die regio. De oorlog speelde zich immers in heel België af: leerlingen kunnen bijvoorbeeld exploreren wat de oorlog in hun eigen gemeente aanrichtte en er een (mini-)tentoonstelling over opzetten (samen met de gemeentediensten), ze kunnen op zoek gaan (zelfs in hun eigen familie en kennissenkring) naar kinderen of kleinkinderen van mensen die WO1 meemaakten en er getuigenissen verhalen, foto’s, herinneringen over opdiepen. Die ze dan weer op hun eigen persoonlijke, creatieve, aangrijpende manier kunnen verwerken. Zo wordt de oorlog levensechter, nabijer, indringender, tastbaarder en dus leer-baarder voor leerlingen.

–  Ga verder dan de loutere kennis van feiten: WO1 is een mooi voorbeeld van een periode die veel feitenkennis oplevert, maar die – net daardoor – ontzettend veel voeding geeft voor hoger-orde-denken, zeker als bepaalde feiten in WO1 worden verbonden met gelijkaardige feiten en patronen in andere periodes. Zo is WO1 ontzettend goed geschikt om leerlingen het verschil tussen een aanleiding en een oorzaak aan te leren. De moord op Franz Ferdinand van Habsburg was de aanleiding tot de oorlog, maar niet de oorzaak. Wat was de oorzaak dan wel? Kunnen de leerlingen datzelfde verschil tussen oorzaak en aanleiding toepassen op de Egyptische Revolutie van 2011? Door het leggen van zulke verbanden ontstaan diepere inzichten, want inzichten zijn in essentie verbindingen die het brein tussen losstaande feitenkennis tot stand brengt. Hieronder nog een paar vragen ter inspiratie om voorbij de loutere feitenkennis te gaan en leerlingen tot diepere inzichten te brengen:

  • Waarom mengden de Verenigde Staten van Amerika zich pas in 1917 in de oorlog, en waarom precies dan? (En zie je gelijkaardige patronen in de oorlog in Irak?)
  • Klopt het dat de afhandeling van WO1 de kiem bevatte van WO2? En wat kan je daaruit leren rond het straffen van misdadigers, of zelfs het straffen van pesters op school?
  • Hoe werd er in WO1 propaganda gevoerd? Hoe zou ze nu worden gevoerd? Was WO1 anders verlopen als er toen al internet was geweest?
  • Moesten Belgen op de vlucht? Waar gingen ze naartoe? Hoe ging het met hen? Is hun situatie vergelijkbaar met de Syrische vluchtelingen van 2013?
  • Bestaat er op elk van de bovenstaande vragen eigenlijk wel een eenduidig antwoord? Op welke bronnen kunnen we vertrouwen en hoe betrouwbaar zijn die bronnen dan wel? Zijn de meningen over het antwoord op die vragen in de loop van de afgelopen 100 jaar erg geëvolueerd, en hoe komt dat dan?
  • Als we weten welke factoren WO1 veroorzaakte, hoe groot is de kans dan dat er opnieuw een oorlog op ons grondgebied wordt uitgevochten?

 – Maak de klik tussen vakken: De herdenking van WO1 creëert ongeziene kansen om een  ‘klik’ tussen vakken te maken en leerkrachten van verschillende vakken (al was het maar voor een mini-project van een paar uur) samen te laten werken. Er liggen dus ongeziene kansen om lessen geschiedenis te koppelen aan taallessen (de taalstrijd), chemielessen (mosterdgas), aardrijkskundelessen, lessen maatschappelijke vorming, en technologische opvoeding. Evenzeer ontstaan kansen om leerlingen hun ervaringen, opinies, kennis, en gevoelens rond de oorlog op een eigenzinnige, creatieve manier te laten uiten.

Voor schoolteams kan 2014 dus een echt doorbraakjaar worden: met de herdenking van WO1 als aanleiding kan binnen een schoolteam een her-denking ontstaan van de methoden die de school hanteert om de leerlingen tot kritisch denken aan te zetten, tot diepere inzichten te brengen, de gruwel van elke oorlog in te zien en van daaruit mee na te denken over bijdragen aan een meer vredevolle samenleving, verbanden tussen inzichten uit diverse vakken te zien en die inzichten toe te passen op nieuwe casussen. Een doorbraak dus naar duurzamer onderwijs.

Bezoek ook eens de website van FARO, het Vlaams Steunpunt voor Cultureel Erfgoed dat heel wat tips biedt voor activiteiten rond de herdenking van de Grote Oorlog:

http://www.faronet.be/100jaar-groote-oorlog

 

Wanneer hebben nascholingen voor leerkrachten duurzame effecten?

Net zoals alle andere beroepsgroepen volgen leerkrachten nascholingen om hun professionele deskundigheid uit te breiden en up-to-date te houden. Maar niet elke nascholingscursus is even effectief. Sommige nascholingen vallen ronduit tegen, bij andere nascholingen zijn de deelnemende leerkrachten tijdens de vorming zeer enthousiast over de gedreven spreker, maar blijft er van dat effect de dag nadien niet veel meer over. Er is dan wel ‘scholing’ geweest, maar geen ‘na’.

De uiteindelijke ambitie van de meeste nascholers is een bijdrage te leveren tot een hogere onderwijskwaliteit en zelfs tot betere leerprestaties van de leerlingen. Dat is ook de verwachting (of hoop) van veel leerkrachten die naar nascholingen trekken. Maar welk soort nascholing maakt echt een verschil? We beschikken over nogal wat onderzoek dat daarover uitspraken toelaat (bv. Timperley e.a., 2007; Van Veen e.a, 2010; zie ook Bellens & De Fraine, 2013 voor een goede samenvatting):

–          Effectieve nascholingen bestaan uit meerdere momenten. Het zijn trajecten, eerder dan ‘single shots’. Leerkrachten moeten de tijd en ruimte krijgen om kennis te maken met  nieuwe visies, modellen en praktijken; om die uit te proberen in hun klas; om daarop feedback te krijgen en zelf te reflecteren; en daar weer terug de klas in te trekken om zo gaandeweg stenen te verleggen.  Professionalisering is een proces, eerder dan het product van één bijzonder geslaagde sessie.

–          Effectieve nascholingen sluiten aan bij een concrete zorg die de leerkracht zelf heeft, waardoor hij/zij intrinsiek gemotiveerd is om de nascholing bij te wonen. Die zorg heeft idealiter met ‘leren’ te maken. De leerkracht wil iets bijleren omdat hij wil dat zijn leerlingen beter tot leren (of het leren van iets bepaalds) kunnen komen. Effectieve nascholingen hebben een concreet leerdoel voor ogen.

–          Heel veel effectieve nascholingen (of reeksen) bevatten drie componenten: a) een bewustwording van het belang van de inhoud van de nascholing en hoe die kan inspelen op de zorg die de leerkracht heeft; b) een kenniscomponent waarbij de leerkracht informatie krijgt over wetenschappelijk onderzoek (wat werkt?) en theoretische kaders en principes achter een nieuwe of gewenste praktijk; c) ondersteuning van de deelnemende leerkracht bij het omzetten van die kennis naar de klaspraktijk. Idealiter wordt de leerkracht ook ondersteund tijdens het proces van uitproberen: dat kan door observatie- en-feedback-sessies, door reflectie en uitwisseling na een gegeven les, door modelleren (de coach geeft een les),  door het bekijken van video-opnames, of het samen voorbereiden van lessen…

–          Leerkrachten kunnen sterk profiteren van uitwisseling met andere leerkrachten (binnen dezelfde school of in andere scholen) die met gelijkaardige uitdagingen worden geconfronteerd, en/of dezelfde alternatieven aan het uitproberen zijn. Dit zijn vaak heel erg lonende momenten, omdat leerkrachten zo oplossingen krijgen aangereikt die ze zelf niet hadden bedacht. Tevens kunnen ze zorgen, twijfels, visies en allerhande ervaringen uitwisselen, en samen zoeken naar oplossingen voor lastige problemen.

–          Van essentieel belang is dat de leerkracht zich gesteund voelt in zijn eigen team en door zijn directie bij het uitproberen van nieuwe inzichten. De nascholingsreeks zal meer effect hebben indien de inhoud aansluit bij een zorg die het schoolteam deelt, en waarrond een team gezamenlijk beleid tracht te voeren. Zo ontstaan veel meer kansen tot uitwisseling en transfer naar vele klassen, gezamenlijk overleg en gedeelde visievorming, en kansen om bij mekaar eens stoom af te blazen en ideeën te verzamelen….

–          Effectieve nascholingsreeksen maken de nascholer overbodig. Ze werken toe naar de autonomie en zelfregulering van de deelnemende leerkrachten of teams. Ze zorgen ervoor dat een kernteam of bepaalde leerkrachten het verdere vernieuwingsproces kunnen blijven ondersteunen, en desgevallend de rol van interne coach kunnen overnemen.

–          Effectieve nascholingsreeksen hebben de morele, praktische en inhoudelijke steun van de directie.

Verder lezen?

Bellens, K. & De Fraine, B. (2013). Wat werkt? Kenmerken van effectief basisonderwijs. Leuven: ACCO.

Timperley, H., Wilson, A., Barrar, H., & Fung, I. (2007). Teacher professional learning and development: Best evidence synthesis iteration. Wellington, New Zealand: Ministry of Education.

Van Veen, K., Zwart, R., Meirink, J., & Verloop, N. (2010). Professionele ontwikkeling van leraren: een reviewstudie naar effectieve kenmerken van professionaliseringsinterventies van leraren (PROO Rapport Nr. 441-080353). Leiden: Universiteit Leiden.

Van den Branden, K. (2009). Diffusion of innovations. In M. Long & C. Doughty (Eds.), The Handbook of Language Teaching (pp. 659-672).  Oxford: Blackwell Publishers.

PISA-resultaten: een uitdaging voor het Vlaams onderwijs?

De bekendmaking van de PISA-resultaten lokte alweer de meest uiteenlopende reacties en conclusies uit. Zelfs reacties en conclusies die weinig met de PISA-metingen te maken hebben. Ik pik er vier opvallende conclusies uit, en leg ze tegenover mijn lezing van het beschikbare rapport van de Universiteit Gent (die de PISA-studie in Vlaanderen uitvoerde).

  1. We moeten weer investeren in kennis. We hebben tijdens de afgelopen jaren te veel aandacht aan ‘kunnen’ en ‘vaardigheden’ gespendeerd.
  2.  We hebben al zoveel geïnvesteerd in de ‘zwakke leerlingen’, PISA toont aan dat we dringend meer op de middengroep en de topleerlingen moeten focussen.
  3. Zie je wel, de hervorming van het secundair onderwijs is broodnodig (want we boeren achteruit).
  4. Zie je wel, de hervorming is niet nodig, we doen het nog steeds uitstekend (vergeleken met veel andere Europese landen)

Vooraleer ik deze spraakmakende conclusies bespreek, moet ik iets anders opmerken:  wellicht de meest positieve en verheugende vaststelling in het PISA-rapport wordt bijna door niemand becommentarieerd. Pedro De Bruyckere (in De Morgen) zag ze gelukkig wel: de meeste van onze leerlingen voelen zich erg goed op school. Ze hebben sterk het gevoel ‘erbij te horen’, en liefst 88% van de leerlingen vindt dat ze nuttige dingen leren op school. Dat is een dikke pluim voor onze schoolteams, en die werd op slechts weinige leerkrachthoeden gestoken. Dank u, Pedro, dank u leerkrachten. En dan nu naar de bovenvermelde, negatievere conclusies.

Moeten we meer investeren in kennis?  Vreemde conclusie, want PISA meet eigenlijk  geen kennis. PISA tracht te meten wat leerlingen met kennis kunnen doen. Tussen “kennis hebben” en “kennis efficiënt gebruiken” gaapt een wijde kloof. Het is het verschil tussen weten dat een auto vijf versnellingen heeft  en minder verbruikt bij laag toerental (kennis) en efficiënt schakelen in complexe verkeerssituaties om veilig én energiezuinig te rijden (kennis gebruiken). Het is het verschil tussen weten dat een kwadraat het product is van een getal vermenigvuldigd met zichzelf (kennis) en kunnen beslissen of je een kwadraatsbewerking moet uitvoeren, en op welke term je dat moet doen, om te kunnen bepalen hoe een verpleegster ervoor kan zorgen dat haar druppelteller dubbel zo snel dubbel zoveel dosis geneesmiddel kan toedienen aan een patiënt. PISA legt aan studenten complexe vraagstukken rond druppeltellers voor.

Het is in dit verband uitermate interessant dat onze Vlaamse jongeren het voor wiskundige geletterdheid net lastig krijgen als ze zwaar moeten doordenken en reflecteren op bewerkingen die ze moeten uitvoeren om complexe problemen op te lossen.  Voor de subschaal ‘interpreteren’ hebben we relatief meer leerlingen onder het gewenste niveau 2. Terwijl we voor de algemene wiskundige geletterdheid beter scoren dan Finland, Nederland en Canada, halen die landen ons allemaal in voor diezelfde subschaal ‘interpreteren’. Ook voor de subschaal ‘Onzekerheid’, waar interpreteren van complexe data evenzeer essentieel is, doen onze Vlaamse leerlingen het in vergelijking met bijvoorbeeld “getallenleer” veel minder goed. In hetzelfde bedje: onze Vlaamse leerlingen melden in de PISA-vragenlijsten dat ze het lastig hebben met het oplossen van complexe problemen en dat niet graag doen:

“Minder dan de helft van de leerlingen geeft aan te zoeken naar verklaringen (42%), gemakkelijk verbanden te leggen tussen feiten (43%) of in staat te zijn een heleboel informatie te verwerken (47%). Overheen de OESO-landen liggen de percentages op respectievelijk 61%, 57%,57% en 53%.” (bron: zie het rapport in de link onderaan)

Hier ligt een opvallende gelijkenis met de Vlaamse periodieke peilingen van begrijpend lezen: ook daaruit blijkt telkens dat onze jongeren veel beter zijn in het beantwoorden van vraagjes waarop het antwoord letterlijk in de tekst is te vinden dan op het doordenken over informatie die verspreid zit over verschillende teksten. Hier wijst PISA dus op een échte uitdaging: ons Vlaams onderwijs moet verder blijven investeren in de duurzame competentie van leerlingen om kennis te gebruiken om authentieke, complexe problemen op te lossen. Dat is dus (ten overvloede) iets helemaal anders dan leerlingen nog meer kennis in hun hoofden doen verzamelen: het draait om kennis diepgaander, effectiever, en levensechter leren inzetten.

Moeten we meer investeren in de sterkere leerlingen? Sommige commentatoren vinden het erg hoopgevend dat de kloof tussen de zwakste presteerders en de sterkste presteerders in gemiddelde  punten verkleint, maar zien daarin wel een negatieve relatie met de zorgwekkende vaststelling dat we minder toppresteerders overhouden. Het een gaat ten koste van het ander. Maar dat is de cijfers dubbel geweld aandoen: ten eerste, de kloof tussen sterke presteerders en zwakke presteerders blijft erg groot, de invloed van sociale achtergrond en migratieachtergrond op de Vlaamse PISA-prestaties blijft schrikbarend sterk. Een onverminderd blijven investeren in gelijke onderwijskansen is dus broodnodig, en moet deel uitmaken van een ondersteuningsprogramma dat onze leerkrachten helpt om efficiënter met verschillen tussen leerlingen om te gaan. Dat moet ervoor zorgen dat de dalende trend (die bij iedereen, bij hoog, laag en midden zit) overal wordt stopgezet. Het is (ten tweede) geen “of-of”-verhaal : de aandacht voor gelijke onderwijskansen (voor de “zwakkere” presteerders) hoeft absoluut niet ten koste te gaan van de aandacht voor de middengroep en de sterke presteerders. De commentatoren die dat beweren en PISA daarvoor gebruiken, vergeten blijkbaar dat PISA zelf het tegenbewijs levert: er zijn namelijk tal van landen die hoog scoren  qua gemiddelde EN tegelijkertijd veel beter dan Vlaanderen scoren op het vlak van sociale gelijkheid.  Aandacht voor alle leerlingen kan dus wel. En het moet.

Is de hervorming van het secundair onderwijs nodig?  De argumenten die de PISA-meting voor of contra onderwijshervorming oplevert, lijken me erg onrechtstreeks. De kern van de zaak is dat (als we willen dat de Vlaamse jeugd goed blijft scoren op deze metingen) alle leerlingen in rijke leeromgevingen moeten kunnen bouwen aan hun wiskundige geletterdheid, wetenschappelijke geletterdheid, leesvaardigheid en probleemoplossend vermogen.  Maar dat brengt mij eerder bij de  leerkracht dan bij de grote structuur. Meer dan structuren, zijn het leerkrachten die er in hun dagelijkse praktijk, en doorheen het curriculum, voor kunnen zorgen dat voor alle leerlingen de lat hoog ligt en de ondersteuning aangepast en gedifferentieerd kan zijn. Mijn aanvoelen is dat (om in PISA-termen te blijven) de toren hier toch wat scheef staat: er gaat zoveel aandacht naar de hervorming van structuren, terwijl die wellicht veel meer naar de vorming, de navorming, en het welbevinden van onze leerkrachten moet gaan. Een uitstekende leerkracht geeft nog steeds uitstekend les in de meest wankele onderwijsstructuur; een onvoldoende gevormde leerkracht geeft zelfs in de meest optimale onderwijsstructuur onvoldoende goed les.  Het zijn leerkrachten die jongeren kunnen vormen om kennis efficiënt, doordacht en wijs in te zetten. Het zijn leerkrachten die ervoor hebben gezorgd dat jongeren zich goed voelen op school. Ten overvloede: de leerkracht maakt het verschil. Het zijn dus leerkrachten die de beste initiële opleiding, startbegeleiding, werkomstandigheden, navormingsmogelijkheden en loopbaanperspectieven verdienen. PISA is een snel opbrandende lont. Leerkrachten zijn het echte vuur.

Download zelf het rapport van de Universiteit Gent:

http://www.pisa.ugent.be/uploads/assets/102/1386081987967-PISA2012_brochure2_031213[1].pdf

Gelijke onderwijskansen bevorderen? 10 aanbevelingen van de OESO

Hoe gelijke onderwijskansen bevorderen? Hoe de sociale kloof in schoolprestaties overbruggen en ongekwalificeerde uitstroom van sociaal kwetsbare leerlingen tegengaan? Op basis van haar eigen PISA-data  en een resem analyses van ander internationaal onderzoek publiceerde de OESO het rapport “Equity and Quality in Education: Supporting disadvantaged students” (2012). De titel spreekt boekdelen. Het analysewerk van de OESO levert 10 aanbevelingen op voor het verkleinen van de sociale kloof in ons onderwijs én het verhogen van de algehele kwaliteit ervan: 5 op het niveau van de school, en 5 op het niveau van het onderwijssysteem.

Aanbevelingen op schoolniveau

1. Versterk het schoolleiderschap van scholen met een sociaal kwetsbare leerlingpopulatie

Directies van scholen met veel sociaal kwetsbare leerlingen zouden de kans moeten krijgen om gerichte navormingen en trainingsprogramma’s te volgen over de specifieke uitdagingen waarmee deze scholen geconfronteerd worden. Netwerken van directies van deze scholen moeten opgezet worden, zodat er veel uitwisseling tot stand kan komen.

2. Creëer een veilig schoolklimaat en een stimulerende leeromgeving

Kansarme leerlingen moeten kunnen leren in een zeer kansrijke omgeving. Goede, warme relaties tussen leerkrachten en leerlingen zijn cruciaal. Een leerlingenmonitoraat dat leerlingen persoonlijk opvolgt en begeleidt in hun ontwikkeling kan een verschil maken. Het evaluatiesysteem moet breed, permanent, en diagnostisch uitgebouwd zijn.  Bruggen tussen school en buitenwereld (bv. door werkplekleren, buitenschools leren, stages e.d.) kunnen het leren zinvoller, rijker en interessanter maken. Mentoren van leerlingen kunnen ook van buiten de school komen (bv. afgestudeerden uit dezelfde sociale gemeenschap)

3. Ondersteun de leerkrachten in deze scholen

Op deze scholen is het volgens de OESO noodzakelijk dat leerkrachten veel kansen tot nascholing krijgen aangeboden en alle beginnende leraren een startersbegeleiding krijgen. Het is volgens de OESO zelfs wenselijk dat overwogen wordt om deze leerkrachten extra te betalen of andere ‘incentives’ te geven om ervoor te zorgen dat het typische leerkrachtenverloop in deze scholen ingeperkt wordt en er kan gewerkt worden aan onderwijskwaliteit op een stabiele, duurzame manier.

4. Waarborg onderwijs van hoge kwaliteit

Hoge leerkrachtverwachtingen zijn cruciaal. De leeromgeving mag niet verarmen. Een leerlinggerichte manier van lesgeven moet gecombineerd worden met een brede evaluatie van leerlingcompetenties, zodat gedifferentieerd kan worden ingespeeld op de mate waarin leerlingen die nieuwe competenties oppikken.

5. Haal de banden aan met ouders en gemeenschap

De ouders van sociaal kwetsbare leerlingen hebben het vaak moeilijk (om allerlei redenen) om de schoolloopbaan van hun kinderen actief op te volgen. De school moet proberen om ouders direct en laagdrempelig te benaderen, buurtbewoners en leden van dezelfde sociale gemeenschap betrekken in het schoolleven en hen mee inschakelen om bepaalde ouders te bereiken.

Aanbevelingen op systeemniveau

1. Schaf zittenblijven af

Volgens de OESO is zittenblijven “costly and ineffective in raising educational outcomes”. Alternatieve aanpakken moeten focussen op differentiatie binnen de klas en preventie van leerproblemen. Schoolteams moeten zittenblijven fundamenteel in vraag stellen, maar ze moeten door de overheid ook voldoende ondersteund worden om dit waar te maken. Scholen moeten dus voldoende middelen krijgen om die gedifferentieerde ondersteuning aan leerlingen te bieden.

2. Stel studiekeuze uit tot de hogere graden van het secundair onderwijs

Een vroege opsplitsing van het onderwijsaanbod in allerlei studierichtingen levert vaak studierichtingen op waarbinnen leerlingen van sociaal kwetsbare gezinnen samenstromen en de verwachtingen van leerkrachten al snel dalen.  Een brede algemene vorming voorkomt een systeem waarbij leerlingen te snel op basis van niveau worden gesegregeerd en er ‘zwakke’ richtingen ontstaan.  In het hoger secundair onderwijs waar verschillende studierichtingen recht kunnen doen aan de interesses van leerlingen, moeten leerlingen flexibel keuzes kunnen maken, zodat ze toch nog relatief makkelijk naar andere richtingen kunnen overspringen indien nodig.

3. Probeer segregatie van schoolbevolkingen tegen te gaan

De OESO is geen absolute voorstander van de volledig vrije schoolkeuze.  De schoolkeuze van de ouders zou geïntegreerd moeten worden in een systeem dat evenwichtige schoolpopulaties tot stand brengt en zware segregatie van bepaalde leerlinggroepen tegengaat. Scholen moeten aan sociaal kwetsbare ouders meer en betere informatie bieden over het onderwijssysteem en de opties die ze hebben.

4. Geef scholen met een bepaalde leerlinginstroom een aangepaste financiering

Scholen moeten een gedifferentieerde financiering krijgen al naargelang de kenmerken van de leerlinginstroom. De overheid moet ook voldoende financiële middelen  investeren in de participatie van ELK kind in het kleuteronderwijs.

5.  Creëer diverse trajecten die tot afstuderen leiden

Op het niveau van de tweede en derde graad secundair onderwijs moeten diverse trajecten tot een diploma kunnen leiden (bv. ook trajecten met meer werkplekleren en bedrijfsstages). Het beroepssecundair onderwijs moet versterkt en verrijkt worden, en vlotte overgangen tussen de verschillende studierichtingen moeten gewaarborgd zijn. Op dit niveau kunnen individuele leerlingbegeleiding, monitoring en coaching een groot verschil maken, dus daarin moet de overheid voldoende middelen investeren.  Middelen die zichzelf nadien dubbel en dik terugbetalen.

Download zelf het OESO-rapport:

http://www.oecd.org/edu/school/50293148.pdf

Studiekeuze: van waterval naar rivierdelta

Het doctoraat van Carl Lamote (KU Leuven) toont aan dat veel leerlingen die in het secundair onderwijs een B-attest krijgen en van studierichting veranderen, beter af zijn dan leerlingen die het jaar in dezelfde richting overdoen. “Waterval beter dan zittenblijven”, kopte de krant De Standaard prompt. Dat woord “waterval” zint velen echter niet: een keuze voor een andere richting mag geen “val” zijn, want een val duidt niet alleen op een neerwaartse beweging, maar een val is ook passief, het is iets wat je overkomt en waar je zelf geen vat op hebt. In een uitstekend, duurzaam onderwijssysteem willen leerkrachten, ouders en leerlingen dat studiekeuze een ander soort proces is:

–          een positief, opwaarts gericht proces: een studierichting kiezen is recht veren, en met veel goesting, positieve energie, nieuwsgierigheid en motivatie aan iets nieuws beginnen;

–          een actief proces: een studierichting kiezen is iets waarin de leerling zelf zeer actief is, zelf keuzes kan maken, daarover in dialoog kan gaan met andere rechtstreeks betrokkenen (ouders en leerkrachten), en beslissingskracht heeft.

De ultieme ambitie van studiekeuze-processen is dat elke leerling ‘zijn’ of ‘haar’ plaats in het grote onderwijsaanbod vindt. Dat is een plaats waarin (a) de positieve energie-voor-leren en de leergierigheid die leerlingen van nature hebben maximaal behouden kan blijven, (b) waarin zij cruciale competenties voor hun toekomstig leven kunnen ontwikkelen,  en (c) hun talenten kunnen ontplooien alsook de beperkingen die ze hebben (en die de kwaliteit van hun leven  bedreigen) leren overwinnen.  Het succes van een schoolloopbaan is grotendeels afhankelijk van de mate waarin leerlingen ‘hun’ plaats in het grote onderwijsaanbod vinden.

Om positieve keuzes te kunnen maken, moeten leerlingen opties hebben. Dat impliceert dat hun basisvorming (basisvorming en eerste graad secundair onderwijs) breed is en leerlingen de kans biedt zichzelf onder andere op cognitief, sociaal, technologisch, fysiek, artistiek/creatief vlak te ontwikkelen én te leren kennen. Wie zich breed kan ontwikkelen, ontdekt immers veel makkelijker waar hij/zij goed in is (en minder goed),  geraakt en gemotiveerd door wordt, talent voor heeft…. In een basisvorming die te eenzijdig cognitief gericht is (in haar aanbod, didactiek en evaluatie) dreigen leerlingen die wat minder snel en minder goed cognitief uit de voeten kunnen dan de meerderheid van de klasgenoten, zonder positieve opties over te blijven. Positieve studiekeuzes kunnen maken stoelt dus op een gevarieerd curriculum en op een brede evaluatie die uitmondt in een “brede-waaier-profiel” van een leerling.

Om positieve keuzes te kunnen maken, moeten leerlingen en hun ouders de opties ook kennen. Daarom moet maximaal geïnvesteerd worden in het informeren van ouders en leerlingen over het (vaak ingewikkelde) onderwijsaanbod,  zodat de optimale match tussen het brede-waaier-profiel van de leerling en de brede waaier aan studierichtingen in samenspraak met de klassenraad kan gemaakt worden. Klassenraden kunnen schitterend werk verrichten. Omdat jongeren jong zijn, en omdat iedereen die te dicht op de eigen navel zit te staren het grotere plaatje uit het oog dreigt te verliezen, is het aangewezen dat leerlingen onderbouwd advies krijgen van klassenraden, en daarover, samen met hun ouders, kunnen overleggen. Studiekeuze is dialoog.

Om positieve keuzes te kunnen maken, moeten opties flexibel openstaan.  Wie faalt in een bepaalde richting, of zich toch verkeken heeft op het aanbod in een bepaalde studierichting, of het nog niet heel goed weet, moet vlot – en idealiter niet alleen op het einde van een schooljaar – een andere (positieve) keuze kunnen maken. Dat zal makkelijker, en haalbaarder worden, als studierichtingen niet te drastisch van mekaar verschillen. Studierichtingen mogen gemarkeerd zijn qua specialisatie, maar wellicht is het goed – ook in het licht van de algehele persoonlijkheidsontwikkeling van leerlingen – dat alle studierichtingen een algemene vorming én een toegepaste, technische/praktische component bevatten, en allemaal een breed palet aan competenties bevorderen. Zo kan voorkomen worden dat te veel deuren te snel dichtgaan. Zo wordt veranderen van studierichting minder een kwestie van 50 meter diep vallen als een weerloze waterdruppel, en veel meer een haalbare kikkersprong (een opwaartse/voorwaartse kikkersprong). Zo kan ook voorkomen worden dat bepaalde competenties te eenzijdig worden geassocieerd met schoolloopbanen die gekenmerkt worden door faalervaringen. Ook het aanwezig zijn van een breed palet aan studierichtingen op dezelfde school of campus kan flexibele overgangen en korte kikkersprongen bevorderen,  en eenzijdige beeldvorming tegengaan.

Als studiekeuze een positief-zoekend, dynamisch, voortdurend, actief proces is, is het waterval-beeld dus inderdaad niet het meest passende. Wie niet van kikkers houdt maar toch in water-termen wil blijven denken, komt bij de rivierdelta terecht. Zulke delta’s ontstaan vaak doordat water actief, naarstig zoekt naar een bedding die haar het best ligt. Als de ene rivierarm verstopt raakt en de voorwaartse beweging van het water (richting monding: de zee!) tot stilstand dreigt te komen, zoekt het water een nieuwe arm op. Zo ontstaat een wijdvertakt – maar verbonden –  stelsel van stromend water.

Image  

Over zittenblijven, het belang van de leerkracht, en grillige leerlijnen…

Het vorige bericht op deze blog (“5 ideeën van ouders over onderwijs die niet kloppen”) werd sinds gisteren meer dan 10.000 maal gelezen. Een aantal lezers namen zelfs de moeite om te reageren. Fijn, want uit debat wordt wijsheid geboren. Ik reageer dus graag op de reacties, die vooral over zittenblijven en de rol van de leerkracht gingen. Vooreerst dit: mijn uitgangspunt is dat onderwijs ernaar moet streven om bij elke leerling (a) de positieve energie-voor-leren die de leerling van nature heeft maximaal te behouden en aan te wakkeren, (b) de eigen talenten en capaciteiten van die leerling maximaal tot ontplooiing te doen komen, en (c) de ontwikkeling van hedendaagse , 21ste-eeuwse competenties maximaal te bevorderen. Onderwijs wordt duurzamer naarmate die drie dingen beter lukken (zie de Visietekst Duurzaam Onderwijs).

Alle schoolteams hebben die ambitie. Zittenblijven is een beslissing die vanuit die ambitie door schoolteams wordt genomen. De beslissing tot zittenblijven kan om diverse redenen worden genomen, maar het meest voorkomende argument in binnen- en buitenland (zie bv. de Eurydice-studie van 2011, de analyses van Jimerson en Anderson, en de studie van Juchtmans e.a., 2011) is dat een schoolteam vindt dat een leerling onvoldoende vooruitgang heeft gemaakt en onvoldoende klaar is voor het volgende leerjaar.  Daar valt veel over te zeggen:

1.  Zulke beslissingen worden vaker genomen in onderwijssystemen en scholen waar teams ervan uitgaan dat alle kinderen bepaalde vaardigheden op hetzelfde welbepaald tempo moeten verwerven. Leerprocessen worden dan uitgetekend als een gestaag oplopende, rechte lijn. Op punt x (midden tweede leerjaar) moet je A kunnen, en op punt y (einde tweede leerjaar) moet je B kunnen. Als je B dan niet kan, moet je terug passeren langs punt y (en daarvoor moet je het hele tweede leerjaar overdoen). Het probleem met die redenering is echter dat zowat alle cruciale dingen die kinderen op een school moeten leren (bv. begrijpend lezen, vraagstukken oplossen) complexe vaardigheden en competenties zijn, en die hebben 2 kenmerken: (a) het leerproces loopt niet rechtlijnig, maar in grillige op-en-neer-paden en (b) niet iedereen passeert hetzelfde station op hetzelfde moment. Kijk naar uw eigen kinderen: de ene leerde lopen na 10 maanden, de andere pas zeven maanden later. Maar allebei hebben ze leren lopen, en allebei met veel vallen en opstaan. Kijk naar de onderstaande grafiek uit het doctoraat van Lieve Verheyden (KU Leuven): elke lijn is een leerling van het derde leerjaar die 6 maal een cartoon zonder woorden in een samenhangend, duidelijk verhaal tracht neer te schrijven. De hoogte van de lijn geeft aan hoe begrijpelijk het geschreven verhaal was voor een lezer die de cartoon niet zag.

Picture1

Schrijfvaardig worden verloopt voor elk kind in deze grafiek met ‘ups’ and ‘downs’. Geen enkele individuele lijn loopt gestaag omhoog, alleen de lijn van het gemiddelde. De ‘downs’ zijn superbelangrijk. Wij leren lopen door te vallen. En daaruit te leren. Fouten (‘downs’) geven ons immers superbelangrijke informatie. En als we die zelf niet snappen, kan iemand ons feedback geven en ons aantonen wat er mis gaat en hoe we het beter kunnen doen: goed voor je kijken, stuur vasthouden en blijven trappen… en dan lukt het op den duur wel met dat fietsen!

2. Zorgen maken leerkrachten zich dus over de leerlingen bij wie de lijnen te weinig naar boven lopen en te lang beneden blijven hangen. Die leerlingen hebben ondersteuning nodig. Meer ondersteuning dan andere kinderen. Andere ondersteuning dan ze eerst kregen, want die eerste ondersteuning werkte onvoldoende. Meteen begrijpt u dat als zittenblijven niet meer is dan hetzelfde jaar overdoen,  de kans op beter leren (en duurzamer leren) voor veel leerlingen redelijk klein is. Het kind heeft niet “meer- van-hetzelfde” nodig, maar “beter-van-iets- anders”. Dat heet differentiatie. Onderwijssystemen die zelden of nooit een kind laten zittenblijven (bv. een aantal Scandinavische systemen) investeren veel energie in het aanbieden van gedifferentieerde steun aan kinderen op maat van hun leerbehoeften. Zo zorgen ze ervoor dat het kind de eigen tekorten aanvoelt of ziet, en ze uiteindelijk ook duurzaam kan oplossen. De overheden trachten er in die landen ook het nodige leerkrachtvolume voor te voorzien. Wie zich afvraagt waar dat geld vandaan komt: dat komt onder andere van het feit dat zittenblijven er zeldzamer is, want zittenblijven is financieel een dure maatregel.

3. In een systeem waar minder leerlingen moeten zittenblijven, wordt het feit dat sommige leerlingen op een ander tempo vorderen dan andere leerlingen niet alleen erkend, het is het startpunt van de onderwijsorganisatie. De leerlingen zullen dus niet alleen in groep (hun klas) les hebben, maar ook een gedeelte van de tijd in aparte groepen (op niveau) of in heel erg heterogene groepen waar verder gevorderde leerlingen als tutor worden ingezet voor minder gevorderde leerlingen.  In zulke systemen wordt de tijdsbesteding dus mee bepaald door de verschillende tijd die verschillende kinderen nodig hebben om verschillende vaardigheden te verwerven. Kinderen mogen dus doorstromen en in hun eigen leeftijdsgroep blijven (wat erg belangrijk is voor hun gevoel van erbij horen en zelfvertrouwen), maar krijgen tegelijkertijd gedifferentieerde ondersteuning op die punten waar meer zorg nodig is, dat beetje extra tijd om op te klimmen uit de ‘downs’ en het vertrouwen dat dat uiteindelijk gaat lukken.

4. De vraag bij dit alles is ook: waarnaar kijken schoolteams? Kijk opnieuw naar uw eigen kinderen: dat ene kind dat trager was om te leren lopen, was wel veel sneller op het vlak van taal of fijne motoriek. Onderwijssystemen die vooral – of bijna uitsluitend – naar pure cognitieve aspecten van kinderen kijken om beslissingen over zittenblijven te nemen, zullen die beslissing sneller en eenzijdiger nemen voor kinderen die op het cognitieve vlak trager vorderen, hoe goed ze ook zijn op het technologische, muzisch-artistieke of manuele vlak.

5. Het internationaal onderzoek naar de effecten van zittenblijven (alsook Vlaams onderzoek zoals het doctoraat van Mieke Goos) geeft duidelijke indicaties dat slechts een kleine minderheid van de zittenblijvers beter wordt van het zittenblijven. Heel veel zittenblijvers worden er niet beter van, verliezen zelfvertrouwen en zin in leren, en blijven achteraan bengelen in de onderwijsstatistieken. Voor hen was zittenblijven geen goede oplossing en was de hoge financiële, sociaal-emotionele en intellectuele kost die zittenblijven met zich meebrengt dus niet gerechtvaardigd.

Mijn standpunt is dus het volgende: Zittenblijven moet het gevolg zijn van een bijzonder overdacht teamoverleg en is slechts gerechtvaardigd in die uitzonderlijke gevallen dat alle andere vormen van ondersteuning onvoldoende zijn gebleken. Maar dat impliceert dus dat het team alle vormen van mogelijke gedifferentieerde ondersteuning heeft uitgeprobeerd en maximaal heeft geprobeerd om zo weinig mogelijk positieve-energie-voor-leren te laten wegvloeien. Het betekent ook dat het team zorgvuldig achteruitkijkt (hebben wij voldoende gedaan, en hebben we voldoende breed gekeken?) en tevens zorgvuldig vooruitkijkt (wat gaan we aan extra of andere ondersteuning voorzien tijdens het zittenblijven-jaar zodat een duurzame basis wordt gelegd voor succes in de verdere schoolloopbaan?). Zulk een beslissing kan best in nauw overleg met de ouders worden genomen. Lovenswaardig vind ik het dus dat in Antwerpen het project “Samen tot aan de meet” samen met leerkrachten zoekt naar alternatieven voor zittenblijven die de positieve-energie-voor-leren bij elke leerling maximaal wil behouden en niet meteen aan de noodrem trekt.

Dat brengt me bij de leraar. Uit al het voorgaande blijkt dat de leerkracht het verschil maakt. De leerkracht als motivator, ondersteuner, ziener, observeerder, uitlegger…. Het hoeft niet te verwonderen dat uit meta-analyses naar de effectiviteit van schoolsystemen (zie bv. de McKinsey-rapporten en de publicaties van Hattie en Marzano) blijkt dat de kwaliteit van een onderwijssysteem nooit hoger kan zijn dan de kwaliteit van de leerkrachten. Niet de groepssamenstelling van een klas an sich heeft effect op leerwinst (zie bv. de meta-analyse van Driessen), maar wel de manier waarop de leerkracht met de groep omgaat: de verwachtingen die de leerkracht koestert ten opzichte van de leerprestaties van de leerlingen, de mate waarin de leerkracht de leerlingen uitdaagt, boeit, gedifferentieerd (!) ondersteunt, onderwijsinhouden verbindt met hun eigen leven, met hen in interactie treedt, een warme relatie met hen opbouwt, hun leer-kracht en zelfvertrouwen versterkt: dat maakt het verschil.

Wij hebben gelukkig ongelooflijk veel ongelooflijk sterke leerkrachten in Vlaanderen. Dat tonen onze uitstekende resultaten, niet alleen op internationale peilingen, maar ook op binnenlandse (periodieke) peilingen. Alleen moeten we er nog beter voor zorgen dat alle leerlingen maximaal van dat uitstekende onderwijs kunnen profiteren. Misschien moeten daartoe (zoals Fullan suggereert) niet zozeer onze individuele leerkrachten nog beter worden, maar moeten vooral onze schoolteams sterker worden….

5 ideeën van ouders over onderwijs die niet kloppen….

Niet dat alle ouders er zo over denken, maar de volgende 5 ideeën over onderwijs blijken hardnekkig te leven bij veel ouders, en blijken volgens wetenschappelijk onderzoek niet te kloppen:

  1. Hoe meer kansarmen en anderstaligen op de school, hoe sterker het onderwijsniveau daalt:  De krant De Standaard meldde deze week dat de segregatie in ons onderwijssysteem maar blijft toenemen. Op scholen met kansarme leerlingen trekken kansrijke ouders vaak hun kinderen weg: ze denken dat de onderwijskwaliteit en het niveau zullen dalen omdat er zoveel kansarme leerlingen zitten. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat niet. Onderzoek toont aan dat de schoolbevolking en de samenstelling van de klassen maar weinig effect heeft op de effectiviteit van scholen en de leerwinst van leerlingen. In sommige scholen met veel kansarme en anderstalige leerlingen stijgt de kwaliteit van het onderwijs en verhoogt de leerwinst zelfs, net omdat de leerkrachten zich door de leerlinginstroom gedwongen voelen om intensief over de kracht van hun onderwijsmethodes na te denken, gevarieerdere werkvormen te gebruiken, hun instructie toegankelijker te maken voor alle leerlingen en hun onderwijs beter af te stemmen op de behoeften van de kinderen. Onderzoek is duidelijk: de kwaliteit van scholen hangt af van de kwaliteit van de leerkrachten. Zowel in de groep van scholen met veel kansrijke, middenklassekinderen als in de groep scholen met veel kansarme en/of anderstalige kinderen zitten scholen die een heel hoog niveau van onderwijskwaliteit als scholen die veel slechter scoren qua leerwinst en onderwijseffectiviteit. Er zijn dus wel degelijk scholen met heel veel anderstalige kinderen die een hoger niveau van onderwijskwaliteit halen dan de hen omringende scholen met alleen maar Nederlandstalige kinderen van kansrijken.
  2. Zittenblijven verhoogt de kans op later onderwijssucces:  Zittenblijven is in Vlaanderen een sterk verspreide praktijk. Voor de leerling is zittenblijven een ingrijpende beslissing: een jaar extra en uit je sociale groep getrokken worden is niet niks. Het valt dus maar te verhopen dat deze ingrijpende maatregel het positieve effect heeft dat de leerling in kwestie vervolgens meer kans maakt op een succesvolle onderwijsloopbaan (dus meer kans heeft om te slagen in de richting van de eigen keuze, een diploma hoger secundair onderwijs te halen, liefst zonder verder zittenblijven). Het wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat niet. Integendeel, binnen- en buitenlands onderzoek geeft aan dat de verdere onderwijsloopbaan van zittenblijvers niet echt rooskleurig verloopt. Veel zittenblijvers bengelen na het jaar dat ze hebben overgedaan vaak heel snel weer achteraan, lopen een hoge kans op nieuw zittenblijven, doorverwijzing naar de 1B-klas van het secundair onderwijs of het buitengewoon onderwijs, en verliezen in dat proces veel zelfvertrouwen, energie om te leren, en motivatie.  
  3. Het gebruik van andere talen op school is schadelijk voor de verwerving van het Nederlands: Op een Nederlandstalige school moeten anderstaligen elke seconde gebruiken om Nederlands te oefenen en te leren. Daarom is het maar best dat ze hun thuistaal niet mogen gebruiken op de speelplaats, laat staan in de les. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat niet. Want als de anderstalige leerlingen signalen krijgen dat ze hun thuistaal – die zoals Vlamingen maar al te goed weten, een onlosmakelijk onderdeel is van hun identiteit – aan de schoolpoort moeten laten staan, zou hun welbevinden wel eens kunnen dalen. En leerlingen met een laag welbevinden leren minder goed. Bovendien kan de thuistaal soms helpen om moeilijke Nederlandstalige woorden of instructies te begrijpen: een snelle vertaling kan wonderen doen (zo ervaren we altijd weer tijdens onze vakantie in het buitenland). Een beetje ruimte voor de thuistaal van de leerling kan dus  een groot verschil maken: het kan de verwerving van het Nederlands zelfs stimuleren. Tijd gewonnen dus in plaats van verloren.
  4. Huiswerk is een kenmerk van hoogstaand onderwijs:  In kwaliteitsvolle scholen wordt (veel) huiswerk gegeven, en draagt dat huiswerk ook bij tot het leerrendement. Zo denken veel ouders erover. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat niet, zeker niet op het niveau van basisonderwijs. Er zijn immers heel wat uitstekende onderwijssystemen in het buitenland die op het niveau van basisonderwijs geen huiswerk uitdelen aan kinderen, en toch een zeer hoog leerrendement halen. Alle scholen doen er dus goed aan (en dat geldt zowel voor secundaire als basisscholen) om gedegen na te denken over wat ze precies met dat huiswerk proberen te bereiken, of huiswerk de motivatie van leerlingen verhoogt of verlaagt, en of het bijdraagt tot echt duurzaam leren dan wel tot het kortstondig ontstaan van vluchtige kennis die weer even snel vervliegt.
  5. Voor de kerstvakantie en aan het einde van het schooljaar moeten scholen lange examenreeksen organiseren:  Veel ouders denken dat dat zo hoort, of dat de overheid de scholen verplicht om die examenreeksen in te lassen (en alle lessen gedurende 2 weken lam te leggen), en/of dat die reeksen bijdragen tot het leerrendement of de onderwijskwaliteit. Maar de overheid verplicht scholen helemaal niet om examens te organiseren. Ze verplicht scholen om te evalueren, niet om te examineren. Dat is een verschil van 4 letters, maar een torenhoog verschil in tijdsbesteding. Schoolteams mogen autonoom beslissen hoe ze de leerprocessen en prestaties van hun leerlingen opvolgen en evalueren. Als dat op een andere manier dan via examineren kan (bijvoorbeeld door leerlingen te observeren doorheen het jaar terwijl ze allerlei opdrachten uitvoeren), dan kan dat ook. En het leerrendement van testen en examens? Dat hangt grotendeels af van wat er na het examen gebeurt. Bijvoorbeeld van de feedback die leerlingen krijgen op hun examenprestaties, want van feedback kan je leren. Daaruit kan je leren waarom een antwoord goed was, en waarom het andere antwoord fout was. En pas als je dat echt begrijpt, maak je meer kans om de volgende keer niet weer dezelfde fout te maken. Scholen moeten dus niet nog meer testen, ze moeten meer doen met de evaluatie die ze opzetten.