Hoe snel veroudert een schoolvak?

De wereld verandert razendsnel. Verouderen schoolvakken dan niet even snel?

Om die vraag te beantwoorden, is het aangewezen om een onderscheid te maken tussen de doelstellingen van het vak (welke kennis, vaardigheden en attitudes moeten de leerlingen verwerven?), de inhouden van het vak (welke inhoudelijke elementen worden behandeld?) en de didactiek van het vak (hoe wordt het vak onderwezen?).

  • De doelstellingen van een vak zijn verouderd als ze niet meer beantwoorden aan de leerbehoeften van de leerlingen, dus aan wat de leerlingen zouden moeten leren. De meeste Vlaamse eindtermen zijn tijdens de jaren ’90 van de vorige eeuw uitgevaardigd. Sindsdien is de wereld digitaler, technologischer, diverser en globaler geworden. Voor een heel aantal vakken kan dat betekenen dat doelstellingen moeten aangevuld of aangepast worden omdat leerlingen ondertussen andere, of bijkomende dingen moeten leren. Zo moet in een vak als technologische opvoeding veel meer aandacht gaan naar de vaardigheid van jongeren om doelgericht en kritisch met digitale media en apparaten om te gaan; in een vak als taal krijgt het doelgericht en omgaan met een overvloed aan informatie veel meer gewicht dan 25 jaar geleden. Evenzeer is het mogelijk dat andere vakdoelen aan belang hebben ingeboet. Om in te schatten of doelstellingen verouderd zijn, kan best via bevragingen en observaties nagegaan worden wat leerlingen in het maatschappelijk en cultureel leven, op de arbeidsmarkt en voor hun persoonlijke ontwikkeling nodig hebben om op te groeien tot volwaardig functionerende volwassenen, én moet regelmatig gepeild worden bij leerkrachten, leerlingen en stakeholders wat zij als cruciale doelstellingen aanstippen. Momenteel ligt het tempo van verandering in de wereld buiten de school zo hoog dat het goed is om minstens elke 25 jaar een fundamenteel debat over de kerndoelstellingen van het onderwijs te houden. Onze eigen levenservaring leert ons dat eindtermen die in 1990 werden uitgevaardigd in 2015 gedeeltelijk aan herziening toe zijn. Geen toeval, dus, dat deze denkoefening ook in vele omringende landen wordt gemaakt.
  • De inhouden van een vak kunnen om verschillende redenen verouderen. De eerste reden hangt nauw samen met de verouderingstermijn van doelstellingen: er worden nieuwe inzichten verworven (bv. hoeveel planeten zijn er in ons zonnestelsel?), er doen zich nieuwe ontwikkelingen voor in het domein waarover het vak gaat (hoe werkt een gps? Is sms-taal schadelijk voor de spellingvaardigheid van de jeugd?) of er worden nieuwe ontdekkingen gedaan (het Higgs-boson bestaat echt). Ten tweede moeten de inhouden van bepaalde vakken ook regelmatig ‘geactualiseerd’ worden omdat het vak zo voor de leerlingen aantrekkelijker wordt. Zo kan het werken aan begrijpend-leesvaardigheid interessanter voor de leerlingen worden als er met teksten wordt gewerkt die inspelen op hun leefwereld of op de actualiteit. Daardoor doen teksten in handboeken die 15 jaar geleden werden gepubliceerd vaak ‘gedateerd’ aan. Voor sommige inhouden is de verouderingstermijn van inhouden dus zelfs korter dan die van doelstellingen (dus minder dan 25 jaar), al zijn er uiteraard ook inhouden en onderwerpen die minder aan veroudering onderhevig zijn.
  • De didactiek van het vak is (hoe raar het mag klinken) minder onderhevig aan veroudering dan velen denken. Dat komt omdat de wijze waarop mensen leren niet zo snel evolueert. Volgens neurologen leren mensen van vandaag nog op dezelfde wijze als mensen 2500 jaar geleden. De wijze waarop we kennis opslaan, complexe vaardigheden en competenties verwerven is stabiel; voor echt ingrijpende veranderingen in de werking van ons brein is volgens neurologen eerder een periode van 25.000 jaar nodig. Vandaar dat als mensen boeken lezen over de principes van effectief onderwijs ze vaak het gevoel hebben dat er weinig nieuws te rapen valt en ze boodschappen krijgen te horen die sommige pedagogen en didactici 50 jaar (en zelfs 500 jaar!) geleden ook al verkondigden. Het is uiteraard wel mogelijk dat er nieuwe werkvormen en methodes op de markt komen, maar die bieden vaak nieuwe concretiseringen van visies op leren die al lang bestaan. De didactiek van een vak kan ook verouderen doordat wetenschappelijk onderzoek nieuwe inzichten rond de impact van onderwijs op leerprocessen naar boven spit. Tijdens de afgelopen 25 jaar is er bijzonder veel van dergelijk wetenschappelijk onderzoek verricht, maar grosso modo heeft dat onderzoek vooral empirisch bewijs geleverd voor visies op leren en onderwijs die al lang bestonden. Uiteraard is het mogelijk dat de resultaten van al dat onderwijsonderzoek niet stroken met wat leraren daadwerkelijk in de klas doen; soms krijgen sommige leraren daarom te horen dat hun onderwijs ‘verouderd’ is.

In discussies over het onderwijs van de 21ste eeuw is het dus goed om te realiseren dat doelstellingen en inhouden van vakken sneller verouderen dan de manier waarop leerlingen die doelstellingen het meest effectief bereiken.

Ten slotte nog dit: in de literatuur rond het onderwijs van de 21ste eeuw kan je vaak lezen dat het ‘vakkenonderwijs’ zelf verouderd is. Er zijn inderdaad heel wat goede redenen om flexibeler met onze rigide vakkenstructuur om te gaan. Het werken aan 21ste-eeuwse sleutelcompetenties vereist dat schotten tussen vakken vaker doorbroken worden, zodat leerlingen bruggen kunnen slaan tussen vakken en disciplines, en verschillende soorten kennis en competenties kunnen toepassen om probleemoplossend te leren denken, kennis toe te passen op authentieke cases, creatief te denken, kritisch met informatie en moderne technologie om te gaan…. Het doorbreken van vakken – of het leggen van meer verbindingen tussen vakken – kan het leren bovendien levensechter, boeiender, eigentijdser, duurzamer maken. Het kan er ook voor zorgen dat leerlingen het nut van vele onderwijsinhouden beter inzien, dat ze sommige abstracte inzichten veel concreter kunnen invullen, én dat ze betere verbindingen kunnen leggen tussen hun voorkennis en het nieuwe, tussen het concrete en het abstracte, tussen het binnenschoolse en het buitenschoolse. Met andere woorden, zowel op het vlak van doelstellingen, inhouden als didactiek zijn er goede redenen om het onderwijs te globaliseren: om de muren tussen vakken te doorboren, vaker projectmatig te werken, en veel meer verbindingen tussen vakken te leggen.

 

Missie: elke leerling moet slagen

In de nieuwste Unicef-index rond ongelijkheid in het onderwijs scoort België barslecht: in een vergelijking met 23 andere rijke landen bengelen we helemaal onderaan. De score is gebaseerd op de PISA-resultaten voor begrijpend lezen, wiskundegeletterdheid en wetenschappelijke geletterdheid, met name op de afstand tussen de leerlingen die de mediaanscore behalen en de leerlingen die de laagste scores behalen. Nergens is de afstand tussen die twee zo groot als in België.

Hoe dat komt? Unicef vermoedt dat de segregatie van ons onderwijssysteem er voor veel tussen zit. De heterogene leerlingengroep valt (te vlug) uiteen op basis van onderwijssucces; een groep leerlingen die veel faalervaringen opstapelden in het basisonderwijs, komen samen terecht in dezelfde scholen en richtingen, waar leerkrachtverwachtingen (en het zelfbeeld van de leerlingen) dreigen te dalen, er nog te weinig aan uitdagend geletterdheidsonderwijs wordt gewerkt, de banden tussen ouders en schoolteams verwateren, de leerlingen schoolmoe raken… De maatschappelijke, sociale, economische kosten zijn volgens Unicef bijzonder hoog, zowel voor de leerlingen zelf als voor de samenleving. Er gaan onnodig veel energie-voor-leren, talent, vrede en positieve perspectieven verloren.

Wat kunnen we daaraan doen? Niet wegkijken allereerst. Ten tweede op alle fronten actie ondernemen en voortvarende maatregelen overwegen. Zoals: Bestrijd als overheid de segregatie in het onderwijs. Reguleer desnoods het inschrijvingsbeleid. Stel de studiekeuze uit tot na de leeftijd van 14. Recruteer de beste leraren in de scholen met de meest kansarme groepen. Investeer massaal in leesbevordering, binnen en buiten de school. Geef scholen met veel kansarme leerlingen fors meer middelen. Doorbreek de schotten tussen studierichtingen en scholen in het secundair onderwijs. Professionaliseer leerkrachten om met kansarme en anderstalige leerlingen te werken, van in de lerarenopleiding tot diep in hun onderwijscarrière.

En dan deze maatregel nog: vanmorgen sprak Radio 1 met een leerkracht die net terug was van een werkbezoek aan het Finse onderwijs (de nummer 1 in de Unicef-index). Men vroeg hem wat de belangrijkste boodschap was die vanuit Finland richting Vlaams onderwijs moest worden gezonden. Zijn antwoord: het Finse onderwijs is veel meer opgebouwd rond het credo “elke leerling MOET SLAGEN”. Elke leerling moet in Finland succesvol zijn, succes ervaren, en sleutelcompetenties (zoals geletterdheid) tot op een maatschappelijk relevant niveau verwerven. Het onderwijssysteem moet zich plooien opdat dat mogelijk wordt. In Vlaanderen lijkt het er soms op alsof leerlingen zich moeten plooien naar het systeem, het leerplan, het programma, het evaluatiegebeuren. Wie zich niet voldoende plooit, moet elders naartoe, moet blijven zitten, krijgt faalsignalen en buiscijfers om de oren. Daarvan raken sommige leerlingen moe, uitgeblust, gedemotiveerd; daardoor verliezen ze energie-om-te-leren. In Finland (met een vergelijkbaar onderwijsbudget als Vlaanderen) wordt meer ruimte gecreëerd voor gedifferentieerde ondersteuning van leerlingen. Wie meer hulp nodig heeft bij het verwerven van basiscompetenties, moet die kunnen krijgen. Wie meer tijd nodig heeft om op mediaanniveau te geraken, moet die krijgen. Elke leerling moet slagen, en kan slagen: de verwachtingen blijven hoog. De duurzame ontwikkeling van elke leerling is het begin- en eindpunt van onderwijs en evaluatie; de positieve stimulansen om die ontwikkeling tot stand te brengen de kern van het onderwijs. Ook dat kan ten dele verklaren waarom Finland op 1 staat, en België op de zielige, allerlaatste, 24ste plaats….

Klik om toegang te krijgen tot rc9_eng.pdf

 

Differentiëren: hoe doe je dat? (1)

Leraren differentiëren vaker, meer en makkelijker dan ze denken. Differentiëren draait om het erkennen van, en inspelen op, verschillen tussen leerlingen. Dé uitdaging bestaat erin te differentiëren op een productieve wijze, namelijk zo dat het leren van zoveel mogelijk leerlingen zoveel mogelijk wordt bevorderd. Hieronder 6 manieren om productief te differentiëren die bereikbaar zijn voor elke leerkracht:

  1. Licht moeilijke en nieuwe concepten op verschillende manieren toe: Als je als leerkracht een nieuw begrip, concept of principe moet toelichten, geef dan diverse voorbeelden. Gebruik voorbeelden die uit het leven van de leerlingen kunnen komen of die ze zich concreet kunnen voorstellen, of gebruik visuele ondersteuning (bv. door de computer te gebruiken, door iets te demonstreren, door voorwerpen in de klas mee te brengen). Laat leerlingen ook diverse soorten oefeningen en toepassingen maken op het nieuwe concept. De leerkracht natuurwetenschappen die de wet van de traagheid aanbrengt en daarbij zowel van levensechte voorbeelden, proefjes, visuele voorstellingen als praktische oefeningen gebruikmaakt om de abstracte wet te concretiseren, zorgt er door die diversiteit niet alleen voor dat individuele leerlingen verschillende verbindingen met de voorkennis in hun hoofd tot stand kunnen brengen, maar verhoogt tevens de kans dat elke leerling in de klas tot minstens één werkende verbinding komt. Variatie doet leren. En variatie doet vooral meer leerlingen leren.
  2. Ga bewust om met je beurtverdeling tijdens klassikale gesprekken: Als leraren hun beurtverdeling tijdens klasgesprekken niet bewust bewaken, dan stijgt de kans dat enkel de meest assertieve, sterkste of meest bereidwillige leerlingen het woord krijgen, hardop hun ideeën mogen verwoorden en daarop feedback krijgen. Dat verhoogt hun activiteit en kans op leren, maar kan ertoe leiden dat anderen afhaken of passief worden. De automatische piloot moet af: door er bewuster op te letten dat alle leerlingen worden aangesproken, moeten meewerken en daarbij interessante vragen krijgen, verhoogt de kans dat iedereen tot leren komt. Een interessante strategie is de volgende: open een klasgesprek met een uitdagende vraag, en laat leerlingen hierover eerst kort in kleine groepjes van gedachten te wisselen. Kondig op voorhand aan dat na de groepsbespreking eender welk lid van de groep kan gevraagd worden om het groepsstandpunt te verwoorden. Dat houdt alle leerlingen actiever bij de les en is een goede manier om te vermijden dat alleen de meest praatgrage leerlingen aan het woord komen.
  3. Geef leerlingen meer keuzes: Als het handboek na een tekst of instructie 5 verschillende oefeningen voorschotelt, laat de leerlingen dan zelf kiezen welke van de 5 ze eerst maken, en welke daarna. Dat geeft hen meer autonomie, en dat is bevorderlijk voor leermotivatie. Observeer welke keuzes leerlingen maken en vraag hen die toe te lichten. Zo kan je beter inspelen op hun vragen, voorkennis, eigen aanpak en leerproces. Werk ook regelmatig met keuzehoeken of opdrachten waarvoor diverse soorten inbreng nodig zijn, en laat leerlingen ook hier zelf keuzes maken. Bewaak wel dat leerlingen voor uitdagingen gaan en het zichzelf niet te makkelijk maken.
  4. Loop rond tijdens individuele, duo- en groepstaken: Dit geeft je de uitstekende mogelijkheid om te observeren hoe specifieke leerlingen specifieke taken aanpakken, tegen welke obstakels ze aanlopen, en welke dingen ze al goed onder de knie hebben. Gebruik je observatie om leerlingen ondersteuning-op-maat te geven.
  5. Geef feedback na een evaluatie of toets: Geef leerlingen na een toets concrete feedback die hen helpt om hun fouten of onbegrip weg te werken. De feedback hoeft niet exhaustief te zijn en op elke slak zout te leggen, want die zou de feedback contraproductief kunnen worden. Feedback kan kort en krachtig zijn, schriftelijk of mondeling gegeven worden, en is humus voor leerprocessen als hij goed gedoseerd wordt. Fouten zijn niet erg, als we er maar uit kunnen leren, en feedback helpt jonge leerders enorm om uit fouten te leren.
  6. Laat leerlingen meer vragen stellen: We gebruiken invulbladen, schema’s, placemats, post-its, mondelinge vragen om leerlingen altijd maar weer antwoorden te laten geven. Maar hun (eigen!) vragen zijn minstens even belangrijk voor hun (eigen!) leerprocessen. Leren begint bij het stellen van vragen. Daag leerlingen dus uit om bij nieuwe concepten, bewerkingen, concepten hun eigen leervragen te stellen: laat hen die neerschrijven op invulbladen, schema’s, placemats, post-its of mondeling stellen. Leraren die dit aandurven zullen vaak verbaasd zijn hoe vaak leerlingen rake, interessante en pertinente vragen stellen over de onderwerpen die worden behandeld. Dit helpt je als leraar niet alleen om te weten te komen wat leerlingen willen te weten komen of wat ze nog niet begrijpen, maar ook om de les een pak boeiender te maken!

 

Meer lezen over differentiatie?

Castelein, E.,  Coens, J., De Witte, K., Houben, A., Lauwers, W., Segers, J., & Van den Branden, K. (2016). Binnenklasdifferentiatie. Een beroepshouding, geen recept. Leuven: ACCO.

Van den Branden, K. (2015). Onderwijs voor de 21ste eeuw. Een boek voor leerkrachten en ouders. Leuven: ACCO.

Over terreur en onderwijs

De dag na de schokkende feiten in Brussel moet het leven weer verder gaan, zo lezen we in de media. Maar moeten we nu gewoon verder doen wat we aan het doen waren? Move on?

Is Move up niet eerder aan de orde? Moeten we niet trachten te leren hoe we tragedies zoals die van gisteren kunnen voorkomen in de wereld van morgen? Als we ons nu zo solidair voelen met elkaar en vlaggen van eenheid over ons Facebook-profiel hangen, moeten we dan ook niet trachten te doorgronden hoe we met z’n allen de haat tussen mensen van verschillende rassen, religies, en culturele achtergronden uit onze harten kunnen bannen?

Het toeval wil dat ik gisteren met een trein naar Rotterdam moest om er met een aantal onderwijsexperts over de toekomst van het vak Nederlands na te denken. Ik ben niet in Rotterdam geraakt, er reed geen enkele trein meer de grens over. Ik heb me bedacht dat al wie met onderwijs bezig is de heilige plicht heeft om nu na te denken hoe dat onderwijs er mee voor kan zorgen dat jonge mensen opgroeien tot volwassen volwassenen die zichzelf kunnen ontplooien zonder de volwaardige ontplooiing van anderen in de weg te staan. Ik heb me bedacht dat het taalonderwijs van de 21ste eeuw ver voorbij de grenzen van het pure taalonderwijs moet sporen en jongeren moet leren hoe taal en informatie in de echte wereld buiten de school mensenharten misleiden, bedriegen, opjutten en opjagen. Hoe taal en informatie evenzeer kunnen gebruikt worden om te zalven, nuanceren, evenwichtig oordelen, respectvol luisteren, verzoenen. Hoe communicatie en interactie een dam (de enige dam?) kunnen zijn tegen blind geweld. Meer dan ooit hebben we nood aan een taalonderwijs dat durft doorgronden hoe media en nieuwsagentschappen werken, dat jonge mensen het verschil tussen feiten en ongezouten meningen leert ontdekken, en dat durft de vraag stellen of de zwart-wit-voor-tegen-polemieken die kranten en journaals hogere lees- en kijkcijfers bezorgen niet mee bijdragen tot gepolariseerde, gespannen verhoudingen tussen mensen.

Het taalonderwijs van de 21ste eeuw zal in de wereld moeten staan of het zal door steeds meer leerlingen als irrelevant en oersaai ervaren worden. Het (taal)onderwijs van de 21ste eeuw zal in de wereld moeten staan of de wereld zal er op een bepaald moment gewoonweg niet meer zijn.

Geslaagde leesbevordering in de bib van Nijlen

De leerlingen van het 3de, 4de, 5de en 6de leerjaar van de Nijlense basisscholen waren erg enthousiast over de leesbevorderingsactiviteit in hun openbare bib naar aanleiding van de Jeugdboekenweek. Keuzevrijheid en het plezier van exploreren stonden centraal en vormden wellicht de sleutel tot het grote succes.

bibnijlen

De leerlingen kwamen met hun eigen klas naar de bib. Bij het binnenkomen mochten ze één medeleerling als partner kiezen. De duo’s kregen vervolgens de vrijheid om hun eigen route door de bib uit te stippelen. Verspreid over de hele bib hingen 96 korte opdrachten die allemaal met boeken en verhalen hadden te maken. De duo’s beslisten zelf welke opdrachten ze uitvoerden en hoeveel uitdagingen ze opnamen. De opdrachten waren van diverse aard, bijvoorbeeld:

  • Match de illustraties van allerlei covers met de juiste titel van het boek
  • Zoek in non-fictieboeken het antwoord op prikkelende weetjesvragen
  • Zoek in de bib een boek over je lievelingsdier
  • Zoek op de computer welke boeken er van een auteur die je leuk vindt in de bib aanwezig zijn en waar die staan
  • Vind in een bepaald boek hoe het verhaal verder gaat en wat er met het hoofdpersonage gebeurt
  • Zoek een leuk prentenboek over een bepaald onderwerp

De leerlingen konden hun antwoorden laten controleren door de bibmedewerker of hun leerkracht; en voor elk juist antwoord mochten ze het nummer van de opdracht fluoresceren. Op het einde kwam de hele klas samen en werd met de gefluoresceerde nummers een lottospel gespeeld: de nummers correspondeerden met de nummers van flats in een groot appartementsgebouw en achter sommige nummers (die de leerlingen mochten roepen) zat een prijs voor de klas verborgen (boeken voor de klas, snoep…). Zo konden de leerlingen dankzij hun gezamenlijke werk met een mooie beloning naar huis.

Het was opvallend hoe eensgezind positief alle klassen over dit initiatief waren. Pedagogen zullen er wellicht op wijzen dat de leerlingen een hoge mate van autonomie kregen (omdat ze zelf mochten kiezen op basis van hun eigen voorkeuren en interesses) en omdat ze hun natuurlijke drang tot exploreren konden botvieren. Dankzij de opdrachten kwamen de leerlingen in aanraking met de boeiende werelden die boeken aan kinderen aanbieden. Velen kregen al spelenderwijs energie om te lezen. Sommigen van hen keerden nadien terug om zich in de bib in te schrijven.

Leesbevordering is een actief werkwoord. Wie wil dat iedereen leest, moet dat niet roepen, maar moet iets doen. Wie wil dat kinderen zich bewegen in het wonderlijke land van boeken en verhalen, moet hen gidsen en hen vooral laten aanvoelen hoe leuk, boeiend, inspirerend boeken en strips wel zijn. Wie wil dat kinderen boeken verslinden, moet hen eerst doen proeven. Leraren, bibmedewerkers en ouders zijn cruciale gidsen en smaakmakers: Door leerlingen op een prettige manier met een rijk aanbod in aanraking te laten komen, verhoogt de kans dat ze dat aanbod nadien terug zullen opzoeken en er hun weg in vinden. Leesplezier is de bron van al het goeds dat uit lezen voortkomt: een grotere woordenschat, een grotere kennis van de wereld, creatief en empathisch denken, inzicht in tekststructuren, een grotere vaardigheid om met geschreven teksten en nieuwe informatie om te gaan….  Wie kinderen leesplezier schenkt, verdient een nobele prijs!

Met dank aan Veerle Geudens (die deze activiteit in de bib van Nijlen vormgaf en coördineerde) en Iedereenleest

 

Wanneer werkt professionalisering van leraren echt?

Wanneer hebben professionalisering en nascholing een positieve impact op de kennis, de vaardigheden en het gedrag van leerkrachten en stijgt bovendien de kans dat de ontwikkeling van de leerlingen positief wordt beïnvloed? Onderzoekers van de Universiteit Gent voerden een uitgebreid literatuuronderzoek uit en identificeren 9 sleutelkenmerken: als deze kenmerken samen aanwezig zijn, stijgt de kans op positieve effecten.

  1. Focus op inhouden die leerlingen moeten leren: Het is essentieel dat in het professionaliseringsinitiatief (PI) een concrete vertaalslag wordt gemaakt naar het onderwijs van inhouden die leerlingen moeten leren. Een PI rond het inzetten van ICT in het onderwijs moet concreet gelinkt worden aan welbepaalde onderwijsinhouden (bv. hoe ICT inzetten binnen het geschiedenisonderwijs?)
  2. Focus op (vak)didactiek: Een effectief PI verhoogt het inzicht van deelnemers in hoe leerlingen bepaalde inhouden leren of bepaalde competenties verwerven. Als leraren beter begrijpen hoe leerlingen bepaalde vakinhouden leren, dan kunnen ze immers hun onderwijs daar beter op afstemmen.
  3. Gebaseerd op onderzoek maar coherent met de doelen van leraren en de context waarin ze werken: Leraren moeten kennismaken met wetenschappelijk onderbouwde inzichten over het onderwijs van hun domein, maar deze inzichten moeten tevens afgetoetst worden (bv. qua haalbaarheid) aan de doelen die de leraar zich zelf stelt en de context waarin hij werkt.
  4. Eigenaarschap van inhoud en proces: De impact van een PI is meestal groter als het aansluit bij de interesses, de zorgen en doelen die de leraar zich stelt, en als de leraar zelf sturing kan geven aan het professionaliseringsproces dat hij doorloopt. Dit sluit sterk aan bij het belang van autonomie dat in andere recente rapporten rond professionalisering van leraren naar voor wordt geschoven.
  5. Duur van het professionaliseringsinitiatief: Langere trajecten van minstens 20 contacturen hebben een veel grotere impact dan korte trainingen (bijvoorbeeld van 1 dagdeel). Doorheen het langere traject moet de leraar kunnen rekenen op coaching en ondersteuning. Kortlopende vormingen hebben vooral waarde als opstap naar langere trajecten.
  6. Collectieve participatie met interne en externe collega’s: Als leraren gezamenlijk deelnemen aan professionaliseringsinitiatieven verhoogt de kans op positieve effecten. Onderlinge interactie, samenwerking, team-teaching, overleg en feedback tussen collega’s zorgt voor een krachtige vorm van professioneel leren.
  7. Georganiseerd in scholen: De kans op een positief effect stijgt als het PI wordt ingericht in de school van de lerende(n) zelf en goed ingebed is in de dagelijkse werkomgeving en praktijk van de lerende leraar.
  8. Actief leren op basis van onderzoek: Leraren moeten in het PI meer zijn dan de passieve opslorper van informatie die door de navormer wordt aangereikt. Ze moeten actief en interactief kunnen leren, kansen krijgen om dingen uit te proberen in de klas, co-creator zijn van kennis, en tijdens het PI didactisch handelen en daarover actief reflecteren.
  9. Kwaliteit van de trainer: De inhoudelijke kennis en de coachingsvaardigheden van de trainer zijn van cruciaal belang. Trainers moeten ook in staat zijn om constructieve, voedende feedback te geven.

Hoe meer kenmerken aangevinkt kunnen worden, hoe meer kansen er ontstaan op effectieve transfer van het geleerde naar de reguliere onderwijspraktijk. Het is verder belangrijk de 9 kenmerken steeds in onderlinge samenhang te zien. Als navormers bijvoorbeeld onderzoeksbevindingen omslaan in concreet lesmateriaal, is het van groot belang dat de leraren zelf met dat materiaal concreet aan de slag kunnen gaan, het kritisch-reflectief kunnen benaderen, en aangespoord worden om ook zelf lesactiviteiten te ontwikkelen.

 

Meer lezen?

Klik om toegang te krijgen tot 7105283.pdf

 

 

 

Kansarme leerlingen langer op school houden? Ja, maar…

(Dit opiniestuk verscheen vandaag in De Standaard naar aanleiding van de plannen van de Antwerpse schepen Claude Marinower (Open VLD) om kinderen in kansarme wijken zes tot tien uur langer op school te houden…)

Nee, zo eenvoudig is het helaas niet: als je kansarme kinderen tien uur langer per week op school houdt, dan stijgen hun slaagkansen niet automatisch. Als het zo eenvoudig was, dan zouden alle zittenblijvers het veel beter moeten doen, want die blijven een heel jaar langer op school. Toch doen de meeste zittenblijvers het relatief slecht op school.

Het ambitieuze plan van de Antwerpse schepen Marinower om onderwijsachterstand in kansarme wijken aan te pakken is gebaseerd op de Harlem Children’s Zone (HCZ) in New York. Wetenschappelijke analyses tonen aan dat die erg succesvol zijn: de kansen van de kansarme HCZ-leerlingen om naar het hoger onderwijs door te stromen stijgen spectaculair. Maar het onderzoek is ook op een ander vlak ondubbelzinnig: het is het totaalpakket dat ertoe doet. Om grote groepen kansarme kinderen rijke kansen op onderwijssucces te bieden, is een totaalaanpak noodzakelijk: het beste onderwijs van de beste leerkrachten, hoge verwachtingen van die leerkrachten, verlengde schooltijd (ja, inderdaad), hip eigentijds boeiend onderwijs, intensieve focus op taal en leesbevordering, een evaluatiebeleid met veel constructieve feedback, een aantrekkelijk naschools vrijetijdsprogramma, opvoedingsondersteuning aan de kansarme ouders, jobperspectieven voor de leerlingen, stages en werkplekleren, voedzame maaltijden op school… De wetenschappelijke analyses van Fryer en Dobbie tonen aan dat het louter verlengen van de schooltijd weinig effect heeft als de kwaliteit van het onderwijs tijdens de gewone, reguliere uren niet drastisch verbetert. Voor de leerkrachten in het project is het dan ook keihard werken: het is geen toeval dat in de Harlem Children’s Zone het lerarenverloop tijdens de eerste jaren erg groot was. Leraren werden er bewust geselecteerd en systematisch geëvalueerd op de mate waarin ze met hun leerlingen op een aantal kerncompetenties vooruitgang boekten.

In debatten rond gelijke onderwijskansen slingert de aandacht met de regelmaat van de klok van het binnenschoolse (we moeten de kwaliteit van het onderwijs in klassen met veel kansarme leerlingen verbeteren) naar het buitenschoolse (we moeten brede scholen creëren met veel kansen op buitenschools leren). De resultaten van de Harlem City Zones tonen aan dat beide noodzakelijk zijn. Als het HCZ-project in andere steden gerepliceerd wordt, dan wordt vaak een afgeslankte (en vooral goedkopere) versie van het project in mekaar gedraaid; er wordt gefocust op slechts een paar van de maatregelen die HCZ tot HCZ maken, zodat bij aanvang al kan voorspeld worden wat er zal gebeuren. De effecten vallen dik tegen en zijn zelfs in vele gevallen niet positief.

Kansarme kinderen hebben geen goedkope, afgeslankte, bloedarme versies van succesvolle innovatieprojecten nodig. Kansarme kinderen hebben geen window-dressing-beleid nodig maar windows of opportunity. Kansarme kinderen hebben geen baat bij ondersteuningsprojecten die gebaseerd zijn op oppervlakkige analyses van het bijzonder complex probleem dat ongelijke onderwijskansen in essentie is. Ze hebben dus ook geen baat bij projecten met torenhoge ambities die worden opgestart met een budget waarmee je zelfs geen kelder kunt aanleggen.  “What the HCZ has helped show is that these interventions can be expensive, and that doing them on the cheap is likely not as effective”, zoals Paul Tough (die HCZ jarenlang opvolgde) het uitdrukt.

Als Claude Marinower voor het totaalaanpakket kan, en durft te gaan, dan valt er heel veel uit het Antwerpse project te leren. En dan krijgen de kansarme kinderen van Luchtbal en Deurne-Noord misschien wel echt de betere kansen die ze verdienen….

Hoe de passie-voor-leren van leerlingen aanwakkeren?

Kinderen hebben een aangeboren passie om te leren. De drang om te leren en nieuwe dingen te exploreren is onvervalst aanwezig op het moment dat kinderen naar school beginnen te gaan. Ze zou minstens even groot moeten zijn als jongeren het leerplichtonderwijs op 18 jaar verlaten. Hoe kunnen schoolteams de passie voor leren van leerlingen gaaf houden én aanwakkeren? De volgende 7 principes kunnen helpen:

  • Onderwijssystemen moeten een langdurige, brede basisvorming aanbieden die leerlingen de kans geeft om diverse disciplines, competenties en kennisdomeinen te verkennen. Het is verraderlijk te denken dat leerlingen al hun passies voor leren van thuis meebrengen. De passies die ze thuis opbouwen, worden immers begrensd door de ervaringen die leerlingen in hun thuismilieu opbouwen en de ontwikkelingsmogelijkheden die hen daar worden geboden. Net door jongeren de kans te geven kennis, vaardigheden en attitudes op te bouwen in domeinen die ze voorheen niet kenden, kunnen ze een ruimer inzicht opbouwen in wat hen écht positieve energie voor leren geeft. Een brede basisvorming doet jongeren niet alleen ontdekken waar ze (al) goed in zijn, maar doet jongeren ook ontdekken waar ze goed in kunnen zijn en goed in willen zijn, waar ze beter in kunnen worden en beter in willen worden. Een brede basisvorming biedt impulsen voor een brede persoonlijkheidsontwikkeling op intellectueel, emotioneel, sociaal, cultureel en fysiek vlak.
  • Bij mensen wordt de passie voor leren sterk aangewakkerd door waardevolle en haalbare leerdoelen. In het curriculum van elk leerjaar en elke studierichting moeten leerlingen daarom voldoende tijd en ruimte krijgen om te werken aan leerdoelen en leerinhouden die ze zelf als waardevol en verrijkend ervaren. Evenzeer moeten leerlingen geïnformeerd worden over het nut en de waarde van het leren van schoolse inhouden die op het eerste gezicht geen persoonlijke waarde voor hen lijken te hebben. Passie voor leren zal stijgen naarmate onderwijsdoelen door leerlingen zelf tot zinvolle leerdoelen kunnen worden omgebogen.
  • Passie voor leren wordt bevorderd door succesvolle leerervaringen. Leerkrachten moeten alle zeilen hijsen opdat de energie die leerlingen investeren in het uitvoeren van leeractiviteiten zich kan omzetten in succesvol leren. Dat kan via de ondersteuning en uitleg die leerkrachten zelf geven, de ondersteuning door andere leerlingen, de ondersteuning van diverse leermethoden en verbindingen met de buitenwereld, de verduidelijkende kracht van visueel materiaal en sterke verhalen…. Het overwinnen van obstakels is een cruciaal aspect van succesvolle leerprocessen. Een leeromgeving zal de passie voor leren sterker aanwakkeren naarmate ze fouten toelaat en die zelfs positief benadert als kansen tot succesvol leren.
  • Passie voor leren wordt bevorderd door het uitvoeren van gezamenlijke projecten. Er zijn weinig dingen die een mens zoveel genoegdoening schenken als het samen streven naar gezamenlijk gedeelde doelen. Niet alleen kan samenwerking de kans op slagen, en dus op succesvolle leerervaringen, vergroten, maar bovendien geeft samenwerken op zich voldoening aan de sociale wezens die alle mensen zijn. Een onderwijs dat meer op coöperatie dan op competitie steunt en dat veel leeractiviteiten rond gedeelde projecten organiseert wakkert passie voor leren aan.
  • Passie voor leren wordt bevorderd door autonomie die de leerling krijgt en gaandeweg opbouwt. Als leerlingen eigen keuzes mogen maken rond leerdoelen en hun leerproces, verhoogt hun intrinsieke leermotivatie. Evenzeer groeit passie voor leren als een mens iets nieuws, waarin hij veel tijd, energie en leergeld heeft geïnvesteerd, autonoom kan uitvoeren. In passionerend onderwijs wordt onnodige betutteling vermeden: ondersteuning wordt langzaam maar zelfzeker afgebouwd en losgelaten. Passionerend onderwijs geeft vertrouwen. De lat ligt hoog, maar het is een lat waar de lerende uiteindelijk zelfstandig over moet. De verwachting ligt hoog, maar het is de verwachting dat de lerende uiteindelijk het heft in eigen handen kan en zal nemen. Passie voor leren zal toenemen als een schoolteam het geloof in de “leer-kracht” van iedere leerling belichamen en een leerling dat geloof verinnerlijkt.
  • Passie voor leren van leerlingen kan aangewakkerd worden als leerkrachten hun eigen passie voor de inhouden die ze onderwijzen, hun passie voor levenslang leren en hun passie voor het werken met jonge mensen uitstralen. Leerkrachten zijn rolmodellen, ook als het gaat om het uitstralen van alle positieve dingen die leren in het algemeen, en het ontwikkelen van specifieke competenties, in een mensenleven kunnen betekenen.
  • Passie voor leren is geen statisch gegeven. Leerlingen evolueren in hun passies voor het leren van specifieke competenties en moeten volop het recht hebben om dat te doen. Het brengt dus weinig zoden aan de dijk om begrippen als “talent” of “interesse” te misbruiken om leerlingen op te zadelen met onwrikbare beelden van wat ze wel en niet kunnen leren. Het kiezen van studierichtingen moet een dynamisch proces zijn, dat richting krijgt op basis van een intense, volgehouden dialoog tussen begeleiders, leerling en ouders. Op elk moment in de studieloopbaan moeten er voldoende mogelijkheden blijven om eerder gemaakte keuzes te herzien.

Zoals een goede voetbalclub jonge spelers ondersteunt om beter te leren voetballen en tegelijkertijd hun passie voor het voetbalspel verder aanwakkert, zo moeten scholen trachten om leerlingen cruciale sleutelcompetenties te doen verwerven en tegelijkertijd hun passie voor leren te versterken. Zo blijven ze levenslang (gepassioneerd door) leren.

Bron:

Van den Branden, K. (2015). Onderwijs voor de 21ste eeuw. Een boek voor leerkrachten en ouders. Leuven: ACCO.

 

Dag van de 100: De echte hervorming van het onderwijs zit in ons hoofd…

“Dag van de 100” in het Vlaams Parlement: 100 scholieren worden door de Vlaamse scholierenkoepel klaargestoomd om mee na te denken over de nieuwe eindtermen en dat denkproces met medescholieren op hun eigen school op gang te trekken. Ik mag de 100 toespreken. Ik leg hen uit wat eindtermen zijn en laat hen stemmen of een aantal “21ste-eeuwse sleutelcompetenties” in de nieuwe eindtermen moeten worden opgenomen: creatief denken, techniek en moderne technologie doen werken, leren samenwerken, kritisch met informatie leren omgaan, kennis toepassen om authentieke problemen op te lossen, leren leren, het leven op deze planeet verbeteren… Bijna allemaal krijgen deze sleutelcompetenties een absolute meerderheid van de aanwezige leerlingen, ook al zijn het “slechts” vakoverstijgende eindtermen.

De echte hervorming van het onderwijs zit in ons hoofd. Zolang ouders, leerkrachten en leerlingen blijven denken dat het aso bij uitstek theoretisch moet zijn én het hoger moet worden aangeschreven omdat leerlingen er meer theoretische feiten in hun hoofd proppen, zal de echte “modernisering” van ons onderwijs zich niet voltrekken. Zolang ouders, leerkrachten en leerlingen blijven denken dat praktische toepassingen (van techniek, van taal, van kennis) vooral in technisch en beroepsonderwijs thuishoren, en tso en bso daarom minder hoog aangeschreven moeten worden, zal de waterval niet opdrogen. Als steeds meer ouders, leerkrachten en leerlingen inzien dat de kwaliteit van onderwijs niet wordt bepaald door het aantal droge feiten die leerlingen in hun hoofd proppen, maar door de diepgang waarmee leerlingen kennis begrijpen en creatief/doelgericht kunnen toepassen, kan het besef groeien dat theorie en praktische toepassingen evenzeer thuishoren in een eigentijds, gemoderniseerd aso-onderwijs als in een eigentijds, gemoderniseerd tso en bso. En hoe meer dat gebeurt, des te meer sporten van de hiërarchische aso-tso-bso-ladder kunnen worden doorgezaagd. Hoe meer ouders, leerlingen en leerkrachten van studiekeuze een interactief, continu proces van brede evaluatie en open dialoog maken, hoe meer positieve studiekeuzes zullen worden gemaakt op basis van de interesses, de toekomstdromen en de sterktes van leerlingen, eerder dan op basis van het opgepookte statusverschil tussen verschillende studierichtingen (probeer maar hoog en zak maar af als het niet gaat…). En hoe meer zulke positieve studiekeuzes worden gemaakt, hoe meer studierichtingen zullen worden aangeprezen en bekeken vanuit de positieve projecten en maatschappelijke meerwaarde die ze aanbieden aan jongeren, eerder dan vanuit de min-waarde aan struikelblokken en faalervaringen die ze in vergelijking met “moeilijkere” en “meer theoretische” studierichtingen opwerpen. Hoe meer verbindingen tussen leerlingen van diverse studierichtingen binnen dezelfde scholen worden gecreëerd, zodat leerlingen van die richtingen vaker met en van mekaar leren, hoe meer stereotype beelden over “de andere studierichtingen” kunnen worden gesloopt. Hoe meer evaluatie op school wordt gebruikt om leerlingen positieve ondersteuning-op-maat te geven en schoolrapporten groei in plaats van prestaties rapporteren, hoe kleiner de kans dat bepaalde studierichtingen vollopen met leerlingen die voortdurend als “zwak” zijn bestempeld en die energie-voor-leren blijven verliezen door de opeenstapeling van slechte punten en faalervaringen.

Hoe meer het besef groeit dat de sterkste studierichtingen de richtingen zijn waarin leerlingen (a) theorie én toepassing voortdurend met elkaar verbinden, (b) op tijd en stond hun eigen competenties moeten verbinden met die van andere leerlingen uit andere studierichtingen om authentieke problemen op te lossen en (c) de sleutelcompetenties verwerven die echt cruciaal zijn om zich te ontplooien in de 21ste-eeuwse samenleving, hoe meer het stereotiepe kwaliteitslabel dat nog zo vaak aan aso, tso, en bso wordt gehangen, kan afbladderen.

Structuurhervormingen kunnen helpen, maar de echte modernisering van een onderwijssysteem voltrekt zich alleen maar naarmate de cultuur rond onderwijs verandert, naarmate we toelaten dat het vastgeroeste beeld van onderwijskwaliteit dat we in ons hoofd meedragen zich aanpast aan de nieuwe tijden….

PS. Een dikke pluim voor de volwassen manier waarop de scholieren de dag van de 100 vormgaven!

 

SAMSUNG

SAMSUNG

Waarover gaat de hervorming van het secundair onderwijs ook alweer? (bis)

Hierover:

–  Nog steeds te veel sociaal kwetsbare jongen onderpresteren in ons onderwijs en verlaten het leerplichtonderwijs zonder diploma secundair onderwijs. Nog steeds te veel talent en positieve energie-voor-leren gaat daardoor verloren.

– Veel jongeren volgen in het secundair onderwijs een studierichting vanuit een negatieve keuze (o.a. als gevolg van het befaamde watervalsysteem). Dat vreet aan hun leermotivatie, hun welbevinden op school en hun studiehouding.

– Er zijn aanwijzingen dat ons onderwijs aan sommige van de ‘koplopers’ (de leerlingen die erg sterk zijn voor bepaalde competenties) onvoldoende uitdaging en stimulansen biedt om zich verder te blijven ontwikkelen.

– Veel Vlaamse jongeren ontwikkelen cruciale 21ste- eeuwse competenties niet tot op het gewenste niveau: in dit verband wordt heel vaak naar technologische competenties van jongeren verwezen, maar tijdens de afgelopen 5 jaar wezen peilingen en internationale studies ook uit dat veel van onze jongeren onvoldoende scoren voor het kritisch omgaan met media en het verwerken van informatie die uit verschillende bronnen komt, het toepassen van wiskundige kennis voor het oplossen van wetenschappelijke problemen en actieve burgerzin. Ondertussen staan nog andere  cruciale 21ste-eeuwse competenties aan de deur te drummen: creatief denken, je eigen persoonlijke talenten ontwikkelen, met sociale diversiteit leren omgaan….

Kan de Vlaamse regering al deze problemen oplossen? Nee, natuurlijk niet. Maar ze kan met een duidelijk, gemoderniseerd en krachtdadig onderwijsbeleid wel een verschil maken. Daartoe moet ze cruciale, 21ste-eeuwse sleutelcompetenties verankeren in heldere, gemoderniseerde eindtermen. Ze moet schoolteams het vertrouwen en een verregaande autonomie geven om een eigentijds onderwijsprogramma in te richten dat enerzijds vertrekt van gemeenschappelijke, ambitieuze doelen die alle leerlingen duurzaam moeten halen, en anderzijds flexibel kan inspelen op de specifieke leerbehoeften van individuele leerlingen. Ze moet nog beter expliciteren hoeveel autonomie en flexibiliteit de huidige wetgeving hierrond al toelaat. Ze moet blijven inzetten op de participatie van alle peuters aan het kleuteronderwijs en de vervroeging van de leerplicht durven overwegen. Ze moet een duidelijk signaal geven rond het punt waarop de studiekeuze gebeurt, en daarbij het onderzoek niet uit het oog verliezen dat het uitstellen van studiekeuze tot 14 jaar de impact van sociale achtergrond op leerwinst verkleint. Ze moet stevig investeren in professionalisering van leraren en schoolteams om nog beter te kunnen inspelen op sociale en cognitieve diversiteit, om intensief en nog effectiever taalonderwijs Nederlands te geven aan niet-Nederlandstalige leerlingen, en om evaluatie te kunnen aanwenden om leerlingen beter tot leren te doen komen. Ze moet de aanstellingsprocedures van leraren flexibiliseren zodat leraren met een masterdiploma en met specifieke expertise (bijvoorbeeld rond ICT of NT2) teams van basisscholen kunnen versterken. Ze moet ruimte creëren in de loopbaan van leraren om hun teambuilding te versterken en hun eigen professionele deskundigheid uit te breiden, zodat onze Vlaamse leraren de uitdagingen van het hedendaags onderwijs niet hoeven aan te pakken met onderwijsmethodes van gisteren.

Volgens de beleidswetenschapper Hoogerwerf is beleid maken het streven naar het bereiken van belangrijke doelen met bepaalde middelen binnen een bepaalde periode. De beleidsmaatregelen rond de hervorming (excuus: “modernisering”) van het secundair onderwijs moeten dus afgetoetst worden aan de hamvraag: dragen ze ertoe bij dat de problemen die werden geschetst aan het begin van dit blogbericht verkleinden?  Dragen ze ertoe bij dat we in het Vlaanderen van morgen een uitstekend, uitdagend en uitgebalanceerd onderwijs voor alle leerlingen kunnen organiseren?