Finland: voorbeeld van duurzaam onderwijs?

Andere landen bewijzen dat het kan: geen talent verloren laten gaan, ervoor zorgen dat alle leerlingen succesvol zijn en dat de sociale achtergrond van de kinderen geen voorspeller van succes wordt, én tegelijkertijd een hoog niveau van onderwijs waarborgen. Finland bijvoorbeeld.

Wat zijn de ingrediënten van het Fins succes?

– investeren in goed opgeleide leerkrachten

– een hoge leerling-leerkracht-ratio (dus veel onderwijzend personeel om leerlingen te ondersteunen)

– leerlingen ondersteuning bieden die aangepast is aan hun leertempo en leerbehoeften

– een lange, brede basisvorming voor alle leerlingen waardoor heterogene leerlingengroepen samenblijven en mekaar kunnen ondersteunen

– een onderwijs dat gebruik maakt van de voorkennis, de moedertaalkennis, de thuiservaringen van leerlingen.

Inspirerend voor iedereen die onderwijs duurzamer wil maken, en opvallend: het Fins onderwijs is in verhouding niet duurder dan het onze.

(bronvermelding: de videoclip is een deel van “Exit concentratie” van Luc Dewulf en Inge Wagemakers)

Zin en onzin van voorschoolse en vroegschoolse taalstimulering

Heel wat anderstalige kinderen (van laaggeschoolde ouders) beginnen met een lagere taalvaardigheid Nederlands aan het eerste leerjaar dan hun Nederlandstalige leeftijdsgenootjes (uit middenklassegezinnen). Ze dreigen daardoor al snel “onderwijsachterstand” op te lopen. Vandaar dat door veel beleidsmakers en onderwijskundigen wordt gepleit voor taalstimulering in de kleuterklassen, en zelfs daarvoor al in de vroege kinderopvang. Op die manier kunnen de betrokken kinderen met een beter gevuld rugzakje aan hun reis door het lager onderwijs beginnen. Maar werkt die voorschoolse en vroegschoolse taalstimulering wel? Het internationale wetenschappelijk onderzoek rapporteert gemengde resultaten. Niet alles werkt blijkbaar even goed….

Er loopt doorheen het verhaal van die vroege taalstimulering eigenlijk een vreemde paradox. Omdat de taalstimulering vooral gezien wordt als een voorbereiding op een schoolloopbaan, sluipen heel wat schoolse termen en methodieken in het wereldje van de vroege taalstimulering binnen. Zo zie je in Nederlandse websites over VVE (vroeg- en voorschoolse educatie) steevast termen opduiken als “leerlijnen”, “gestructureerde leeromgeving” en “methode”. Dat leidt al snel naar een vrij schoolse aanpak waarbij woorden via een gestructureerd programma expliciet worden aangebracht als te leren leerstof. Het probleem is echter dat op deze prille leeftijd het expliciete taalleervermogen van peuters en kleuters nog helemaal niet goed ontwikkeld is. Peuters en kleuters leren geen taal door er methodisch, gestructureerd, bewust of expliciet mee bezig te zijn. Peuters en kleuters pikken taal op terwijl ze met andere dingen bezig zijn. Ze verwerven taal onbewust terwijl ze aan het spelen, ravotten, ontdekken, eten, lopen, ruzie maken, lachen zijn.  Ze leren taal door die taal te verbinden met toffe dingen die ze vastgrijpen, met sprongen die ze maken, geuren die ze ruiken, mensen die ze leuk vinden… Ze leren de taal die hun brein kan verbinden met voorwerpen, acties, gebaren, tekeningen, beelden om hen heen. De kleuter moet dus niet mee-leren met de begeleider. Neen, de begeleider moet meespelen met de kleuter; de begeleider moet mee bewegen met de kleuter; de begeleider moet praten met de kleuter over de dingen die de kleuter bezighoudt, over de mensen die de kleuter bezighoudt, over de acties waarmee de kleuter bezig is. En daarbij moet de begeleider alles wat het kind kan gebruiken om betekenis te geven aan die taal (of om zelf betekenis te produceren via taal) inschakelen: de voorkennis van het kind, de andere talen die het al spreekt, de dingen die het kind vasthoudt, de acties die het kind onderneemt. Zo werkt prille taalverwerving. Zo werkt impliciete taalverwerving.

Kinderen leren immers door (onbewust) verbindingen te maken en te zien. Verbindingen tussen de boodschappen die ze horen (en die ze zelf proberen over te brengen) en de wereld om hen heen. Verbindingen tussen nieuwe taal en taal die ze al kennen. Verbindingen tussen de boodschap, de boodschapper en zichzelf. Voor jonge kinderen zijn boodschap en boodschapper nog vaak niet gescheiden. Ze vertrouwen boodschappen als die van mensen komen die ze vertrouwen, ze vinden boodschappen leuk als die van mensen komen die ze leuk vinden. Ze binden zich makkelijker aan boodschappen als ze zich tegelijkertijd aan de boodschapper kunnen binden. Zo ontstaan duurzame verbindingen in het kinderbrein.

Aan begeleidsters van heel jonge kinderen die aan taalstimulering willen doen, zou ik dus durven zeggen: doe niet in de eerste plaats aan taalstimulering. Speel mee, doe mee, wees geïnteresseerd in het kind, en geef uiting aan je interesse door wat je zegt. En door hoe je luistert. Smeed een warme band met het kind en stimuleer het kind om nieuwe dingen te doen en te ontdekken. Praat daarover. Laat het kind daarover praten. Bouw voort op wat het kind inbrengt. En spreek normaal: gebruik rijk, natuurlijk taalaanbod. Dan komt taalverwerving vanzelf. Of beter, dan komt taalverwerving als een wervelwind. Het is misschien daarom dat ‘integrale’ taalstimuleringsprogramma’s (waarin taalverwerving geïntegreerd wordt met ontwikkeling en stimulering op heel wat andere gebieden) voor veel kleuters en peuters zo goed blijken te werken.

Voor een mooi voorbeeld van een project rond integrale, impliciete taalverwerving in de kinderopvang: zie Tatertaal

http://www.cteno.be/index.php?idMenu=114&id_project=94

Teach First: toptalenten bestrijden onderwijsachterstand

Het probleem: Tien jaar geleden kampte het onderwijs in Londen met heel wat problemen: onderwijsachterstand (vooral bij leerlingen van laaggeschoolde ouders en etnische minderheden), een tekort aan gekwalificeerde leraren, een groot lerarenverloop, een overheersend gevoel van wanhoop en fatalisme….

Het project: Teach First is een project dat zich tot doel stelt om zeer getalenteerde universiteitsstudenten eerst 2 jaar als leraar aan de slag te laten gaan vooraleer ze in het bedrijfsleven stappen. Ze worden geselecteerd op basis van strenge criteria, krijgen een contract van 2 jaar en een lerarenopleiding, en worden ingezet in de scholen waar er een grote nood is aan bijkomende ondersteuning. Ze worden gedurende die 2 jaar ondersteund in hun lerarenopleiding door ervaren leraren en lerarenopleiders.

Win-win?  Voor de Londense scholen kon dit project een antwoord bieden op het schrijnend tekort aan leraren. Voor de studenten is dit een unieke kans om bijkomende deskundigheid (leiding geven, omgaan met diverse groepen, lesgeven) te verwerven en een uniek maatschappelijk engagement op te nemen. Dat kan hen nadien extra gegeerd maken op de arbeidsmarkt. Voor de kinderen en jongeren in de scholen kunnen deze studenten fungeren als rolmodellen, en natuurlijk ook als begeesterde leerkrachten vol goede ideeën.

Effecten?  Na 10 jaar werd een impactstudie gepubliceerd. Het project blijkt heel wat positieve effecten te hebben. Het lerarentekort in de Londense scholen is veel kleiner geworden, er waait een positieve wind van hoge verwachtingen en positivisme door het Londense onderwijs, de sfeer van gelatenheid en pessimisme is grotendeels weg, veel studenten blijken uitstekende leraren te worden (en te blijven),  en er zijn heel wat aanwijzingen dat de leerresultaten van de leerlingen verbeteren. Het project wordt uitgebreid naar andere delen van het Verenigd Koninkrijk.

De moraal van het verhaal? Goede leerkrachten maken het verschil! Dat geldt uiteraard niet alleen voor Teach-First-recruten in Londen, maar ook voor alle leerkrachten die via een ‘gewone’ lerarenopleiding in het onderwijs terechtkomen. De spiraal van sociale ongelijkheid kan wel degelijk doorbroken worden met excellent onderwijs, en met initiatieven die investeren in de kwaliteit van lesgeven.

Les voor het Vlaams onderwijsbeleid? Geef de strijd tegen de ongelijkheid voor het onderwijs niet op. Investeer in de deskundigheid van leerkrachten: niet alleen via de lerarenopleiding, maar ook als leerkrachten in het beroep staan. Geef alle leerkrachten die starten in het beroep een aanvangsbegeleiding tijdens hun eerste twee jaar.  De verbetering van het onderwijs gebeurt via mensen. Goede leerkrachten kunnen een hemelsbreed verschil maken in het leven van jonge kinderen, en zeker in het leven van kinderen van laaggeschoolde ouders!

 

Introductiefilmpje Teach First: http://www.youtube.com/watch?v=069u–ReIjE

Rapport Impactstudie: http://www.teachfirst.org.uk/web/FILES/TF_ImpactReport_201235835_1728.pdf#zoom=100

 

Samenwerkend leren: wanneer werkt het?

Leerlingen kunnen heel veel van mekaar leren als ze samenwerken in groepen. Maar leerlingen gewoon in groepen zetten geeft geen garantie dat er veel geleerd en hard gewerkt zal worden. Het internationale onderzoek naar groepswerk levert gelukkig heel wat interessante inzichten voor leerkrachten op: wanneer werkt samenwerkend leren het best?

  1. Geef groepen een uitdagende én interessante opdracht. De combinatie van een interessante vraag en een pittige uitdaging zet groepen aan het werk. Als de opdracht te makkelijk is of te saai, dan houden groepsleden zich al gauw met andere dingen bezig. Groepen kunnen best aan het werk gezet worden met een vraag die hen fascineert, een vraag waarop ze graag het antwoord willen weten, een taak die hen boeit en positief prikkelt. De opdracht mag best pittig zijn: ze moet leerlingen het gevoel geven dat ze het best moeilijk zouden hebben om de klus helemaal  alleen te klaren, en dat ze de hulp van de andere groepsleden dus nodig zullen hebben.
  2. Geef de groepen een opdracht die naar een duidelijk doel of product toewerkt. Het groepswerk moet een duidelijk omschrijfbaar product opleveren: bijvoorbeeld een antwoord op drie vragen, een ingevuld schema, een poster met drie milieutips, de tekst voor een rapsong, een stand voor een gezondheidsdag. Duidelijke eindproducten geven richting aan het werk van de groepen en dagen de groepsleden ook uit om doelgericht en efficiënt met hun tijd om te gaan.
  3. Geef heldere instructies:  Bij het introduceren van groepswerk is het aangewezen dat leerkrachten rustig de tijd te nemen om de opdracht duidelijk toe te lichten. Zet de leerlingen eerst in groepjes, en geef hen dan de inhoudelijke taakinstructie. Als de groepen aan het werk zijn gegaan, kunnen leerkrachten best meteen een rondje van de klas maken om te controleren of de leerlingen goed van start gaan; de groepjes die toch nog vragen hebben bij de instructie, kunnen die dan in stilte stellen.
  4.  Maak leerlingen afhankelijk van elkaar: Om te vermijden dat één of twee leerlingen in een groep van vier al het werk leveren, kan gewerkt worden met opdrachten waarbij leerlingen mekaar echt nodig hebben. Dat kan op allerlei manieren: (a) Verdeel de informatie over verschillende leden: geef elk lid van de groep een eigen stuk informatie, en laat de groepen vervolgens een opdracht uitvoeren waarvoor de informatie van alle leden moet gecombineerd worden. (b) Geef opdrachten waarbij verschillende vaardigheden en kennis nodig zijn: zet leerlingen bij mekaar die verschillende talenten hebben en geef de groep een opdracht waarbij verschillende competenties nodig zijn. Laat leerlingen bijvoorbeeld aan de hand van verschillende informatieve teksten een geïllustreerde poster of toneeltje maken rond vier milieutips om energie op school te besparen. Opdrachten voor groepen met complementaire expertise kunnen niet alleen binnen een klas opgezet worden, maar ook over klassen, leerjaren en zelfs studierichtingen heen. (c) Werk in opeenvolgende fasen: laat leerlingen in een eerste ronde in verschillende groepjes werken, en laat elk groepje expertise opbouwen rond een bepaald aspect van het probleem. Herverdeel vervolgens de groepjes zodat vertegenwoordigers van de verschillende groepen nu bijeen komen zitten en samen aan de slag gaan. (d) Zet leerlingen met verschillende ideeën, meningen of voorkennis bij mekaar: Verzamel in een eerste brainstormronde de voorkennis, meningen of spontane ideeën van leerlingen, en stel de groepjes dan zo samen dat leerlingen met heel diverse ideeën of opinies met mekaar moeten samenwerken (en bijvoorbeeld een compromis moeten uitwerken). Dat daagt leerlingen ook uit om met verschillen te leren omgaan en constructief naar oplossingen te leren zoeken.
  5. Werk met wisselende samenstellingen: Varieer de groepssamenstelling. Werk regelmatig met heterogene groepen waarbij leerlingen van verschillende vaardigheidsniveaus samenzitten. Zo kunnen de ‘sterkere’ leerlingen de anderen helpen (dat is ook voor de sterkere leerlingen interessant omdat die kunnen leren van het ‘uitlegeffect’). Maar werk op andere momenten dan weer met een homogenere groepssamenstelling, zodat alle leerlingen opdrachten kunnen uitvoeren die net boven hun niveau liggen. Laat leerlingen dus met veel verschillende leerlingen samenwerken zodat ze geprikkeld worden om te leren omgaan met diversiteit.
  6. Zorg voor een veilig klimaat: Een van de grote troeven van groepswerk is dat leerlingen zich, in vergelijking met de grote klas, vaak veiliger voelen om hun mening te uiten of hun (wilde) ideeën op tafel te leggen. Maar dat veilige klimaat moet dan ook bewaakt worden. De leerkracht kan dus best bij groepswerk een positief-stimulerende rol spelen door aan te moedigen, mee probleemoplossend te denken, open te staan voor de ideeën van de groep, en (mee) te bewaken dat alle leerlingen aan bod kunnen komen.
  7. Maak leerlingen zelf verantwoordelijk voor het welslagen van het groepsgebeuren:  Groepen die samenwerken krijgen best niet alleen een inhoudelijke taak, maar ook een sociale taak, namelijk streven naar een goede, constructieve samenwerking binnen de groep. Geschillen, en verschillen van mening, mogen er zijn, maar ze moeten op een respectvolle manier uitgepraat en bediscussieerd worden. Het is een goed idee om groepsleden een rol te geven in het groepsgebeuren: bijvoorbeeld, de voorzitter waakt erover dat iedereen aan bod komt, de mediator bemiddelt bij moeilijke geschillen, de tijdsbewaker bewaakt of de groep op tijd klaar zal zijn, de materiaalmeester zorgt ervoor dat alle materialen netjes verdeeld worden…
  8. Bespreek het proces en product van groepswerk: Leerkrachten moeten er zorg voor dragen dat er voldoende tijd over is om niet alleen het product, maar ook het proces van de groepswerken te bespreken. Hoe hebben de groepen hun werk georganiseerd? Is iedereen voldoende aan bod gekomen? Hoe zijn de conflicten binnen de groep aangepakt? Leerlingen kunnen veel leren van hoe andere groepen bepaalde taken aanpakken of van de strategieën (bijvoorbeeld voor conflictoplossing) die de leerkracht aanreikt.
  9. Vertrek van hoge verwachtingen: Leerkrachten doen er goed aan te expliciteren wat de leerlingen zullen leren dankzij het uitvoeren van het groepswerk, en ook dat zij er het volste vertrouwen in hebben dat de leerlingen de taak naar behoren zullen uitvoeren. Vertrekken van hoge verwachtingen vertrekt in de eerste plaats echter al bij de keuze van de leerkracht om groepen van leerlingen uitdagende taken te geven die ze samen mogen uitvoeren: dat is een stevig signaal dat de leerkracht vertrouwen heeft in de ‘leer-kracht’ van groepen samenwerkende leerlingen. Als groepen krachtig hebben samengewerkt, mag dat succes dan ook expliciet benoemd worden.

Een duurzaam straatproject op school

Een prachtig straatmeubel, niet?

En laten we nu even doorbomen over dat prachtige meubel in termen van duurzaam onderwijs: zou het niet mooi zijn als dit een schoolproject was? Stel je voor: leerlingen van de afdelingen Bouw (BSO) en Bouwtechnieken (TSO) vormen projectteams samen met leerlingen van de afdelingen Toerisme (TSO) en Humane Wetenschappen (ASO). De projectteams leggen contact met het gemeentebestuur en bepalen in overleg met de gemeentediensten vier plaatsen waar een uniek straatmeubel – ontworpen en gemaakt door de leerlingprojectteams – zal worden geplaatst. Op die vier plekken wordt door de leerlingen een klein buurtonderzoek uitgevoerd om te bepalen of de buurtbewoners geen bezwaren tegen het straatmeubel hebben. Het ontwerp wordt gemaakt door de leerlingen, het meubel wordt gefabriceerd en helemaal afgewerkt door de leerlingen, en de buurtbewoners krijgen twee weken op voorhand een flyer in hun bus (ook ontworpen door de leerlingen) om aanwezig te zijn op de feestelijke onthulling van het meubel.

Een project dat aan heel veel kenmerken van duurzaam onderwijs beantwoordt: Leren vanuit een zinvolle opdracht. Leren vanuit het geïntegreerd toepassen van kennis, vaardigheden en attitudes. Samenwerking – en samen-leren van elkaar en met elkaar – over studierichtingen heen: leerlingen die hun expertise in hun studiedomein kunnen toepassen en ontwikkelen, maar die dat eigen vak en hun eigen competenties kunnen overstijgen dankzij hun samenwerking en zo meerwaarde voor de samenleving creëren. Leerlingen die al doende leren omgaan met de diversiteit in hun teams.

Samen in team  een doelgerichte opdracht met maatschappelijk nut uitvoeren: voor de leerlingen kan dat niet anders dan energie-voor-leren opleveren! Voor de school een staaltje van positief aanwenden van het sociaal kapitaal op school. En niet te vergeten: voor de buurtbewoners een schitterend,  duurzaam meubel in het straatbeeld….

(de foto van het straatmeubel ontleende ik aan de facebook-pagina van Mohammed Aitba, via een link van Lief Vandevoort: dank aan beiden voor deze inspirerende beelden!)

Ouders in interactie met de school… of toch niet?

Het idee achter het project “Ouders in interactie” is simpel: (a) bied aan niet-Nederlandstalige ouders een cursus Nederlands als tweede taal aan die helemaal gericht is op de communicatie tussen school en ouders: de ouders leren de brieven van de school begrijpen, het rapport interpreteren, ze leren hoe je uitlegt dat je kind niet naar school kan komen of het huiswerk van gisteren niet begreep…; (b) bied de cursus aan op de school van de kinderen: de cursus gaat dus niet door in een centrum voor volwassenenonderwijs, maar in de gebouwen van de school zelf, zodat er volop kans is om met het materiaal van de school te werken en echt te communiceren met de leerkrachten en directie; (c) nodig de ouders als onderdeel van de cursus ook uit om een activiteit op de school te organiseren of eraan te participeren (bv. een ontbijt op school, een spelnamiddag, een moment waarop de ouders de klas bezoeken): door die activiteit krijgen de ouders ook volop kans hun nieuwe taalkennis in de praktijk om te zetten en krijgen ze volop kans om op een heel informele, laagdrempelige manier met de leerkrachten en directie te communiceren. Zo wordt de cursus een brug tussen ouders en schoolteam; zo komt er meer contact tussen niet-Nederlandstalige ouders en Nederlandstalige leerkrachten; zo worden leerkrachten en directie zich ook beter bewust van de moeilijkheid en onduidelijkheid van sommige van hun boodschappen. Zo wordt echte, informele communicatie tussen ouder en leerkracht over het kind (die zo cruciaal is voor duurzaam schoolsucces) aangewakkerd.

Het project werd een aantal jaren geleden ontworpen en helemaal uitgewerkt (met lesmateriaal en voorbeelden van goede praktijk) door het Centrum voor Taal en Onderwijs van de KU Leuven. Vandaag leeft het project enkel in de stad Antwerpen (het KAAP-project) dankzij de steun van het stadsbestuur. In andere regio’s is er slechts hier en daar een enkele school die er zich aan waagt, ondanks de steengoede ervaringen van de eerste proefprojecten.  Hoe komt dat? Van in den beginne botste het project op de strakke structuur van het reguliere NT2-onderwijs: hoe moet dat met de niveaugroepen van de reguliere NT2-cursussen? Hoe moet dat met examens? Wat met het leerplan en het curriculum? En wat voor paperassen komen er kijken bij het tijdelijk ‘transfereren’ van leerkrachten naar een basis- of secundaire school? Het Antwerpse voorbeeld leert dat het project goed werkt als verschillende partijen er zich samen achter scharen, en ook bereid zijn om naar oplossingen te zoeken voor die uiteindelijk makkelijk overbrugbare formele obstakels: de schoolteams, de pedagogische begeleiding, de lokale overlegplatforms of ondersteuningsdiensten, dat zijn de partners die samen de omstandigheden kunnen scheppen om ouders en leerkrachten op deze unieke manier dichter bij mekaar te brengen. Goede ideeën zijn er genoeg, er is zelfs een hele website aan het project gewijd. Nu de goede wil nog…

http://www.schoolenouders.be/?idWs=10

 

 

Omgaan met diversiteit in duurzaam onderwijs: leerkrachten zijn de tovenaars van de 21ste eeuw

Leerlingen verschillen. Hun leerprocessen verschillen. Hun toekomstdromen en verleden verschillen. Hoe kan het onderwijs omgaan met die diversiteit? Hieronder volgen 10 korte overwegingen (waarover de lezers van mening mogen verschillen, want uit een verschil van meningen groeien de beste ideeën…):

  1. Elke leerling is een vat vol diversiteit: dat vat moet open! Op een leerling kan je geen etiket plakken dat in 1 of 2 termen samenvat wie die leerling is. Elke individuele leerling is een vat vol talenten en interesses. Het is dan ook cruciaal dat in het onderwijs een breed palet aan inhouden, werkvormen, groeperingsvormen, vakken en activiteiten wordt aangeboden dat leerlingen toelaat hun eigen talenten te ontdekken en ontwikkelen, en het schoolteam toelaat te ontdekken wat elke leerling in zijn mars heeft.  Het eindrapport van het basisonderwijs of een graad in het secundair onderwijs zou dus veel meer moeten zijn dan een lijst met punten: idealiter is het een breed portret van een leerling dat in geuren en kleuren de talenten, interesses, mogelijkheden en toekomstperspectieven  van een rijk individu beschrijven.
  2. Diversiteit in de onderwijsaanpak loont: Leerkrachten die niet alleen uitleg geven, maar ook ruimte scheppen voor buitenschools leren, zelfontdekkend leren, taakgericht leren, projectwerk en groepswerk geven leerlingen kansen om nieuwe inhouden op diverse wijzen te exploreren en duurzamer te verwerven: kennis komt zo tot leven, ervaring wordt uitgediept. Ze geven leerlingen zo ook kansen om te leren op de manier die hen het best ligt. Ze geven leerlingen zin in leren omdat het leren zinvoller en gevarieerder wordt. Leerkrachten die het leerproces van de leerling in het oog houden en hun methode proberen aan te passen aan hoe dat proces verloopt, kunnen het verschil maken.
  3. Efficiënte onderwijssystemen gaan flexibel om met groeperingsvormen:  In de meest efficiënte onderwijssystemen ter wereld zitten leerlingen niet alle uren van de week in dezelfde groep. Ze werken samen in groepjes met wisselende samenstelling (binnen dezelfde klas) en werken soms ook samen met leerlingen die uit andere klassen komen, maar die bijvoorbeeld dezelfde noden aan ondersteuning hebben. Leerlingen kunnen zo met veel andere leerlingen leren samenwerken en kunnen mekaar – over klassen heen – helpen en tutoren: zo maakt een school dankbaar gebruik van de energiebasis die er op de school aanwezig is. Het onderwijs mag zich dus niet door haar eigen structuren laten afschrikken om flexibel op de leernoden van leerlingen in te spelen.
  4. Hoe het beste halen uit elke leerling? Een dialoog tussen diverse partners kan een verschil maken!  Leerkrachten willen het beste halen uit elke leerling. Maar ouders willen dat ook. Als ouders, leerkrachten én leerlingen samen nadenken over wat een leerling interesseert, wat die leerling tot leren brengt,  wat energie-voor-leren opwekt, dan is de kans groter dat een optimaal menu voor de bevordering van het leren samengesteld kan worden.  Duurzaam omgaan met diversiteit is een kwestie van verbindingen leggen. Dus ook verbindingen tussen mensen.
  5. Wie leerlingen wil leren omgaan met diversiteit, mag die diversiteit niet uit de weg gaan:  veel leerlingen praten in de klas over diversiteit, maar praten niet met diverse partners. Als leerlingen zelden buiten hun eigen kring moeten treden of out-of-the-box moeten denken, dan kan je het hen niet kwalijk nemen dat hun wereldbeeld onveranderd blijft. Als de ASO-, TSO- en BSO-richtingen van een secundaire school in verschillende gebouwen gehuisvest zijn, dan kan je het jonge mensen niet kwalijk nemen dat ze het beeld opbouwen dat de leerlingen van verschillende studierichtingen tot verschillende klassen,  standen of werelden behoren. Dan ligt het vormen van stereotypen en denken in gradaties zelfs sterk voor de hand. In een recent artikel in Klasse (nr 228) wordt een school in Zelzate voorgesteld waar de studierichtingen op dezelfde campus liggen en waar de ASO-leerlingen de kans krijgen de TSO- en BSO-leerlingen te ontmoeten, met mekaar leertaken uit te voeren, en te observeren waar de leerlingen van andere studierichtingen mee bezig. Opvallend is dat dit soort ontmoetingen heel wat stereotypen doorbreekt: “Ik had wel een negatief beeld van tso’ers en bso’ers, maar door samen te zitten, zijn die vooroordelen grotendeels verdwenen”, zegt Kato Van den Fonteyne uit 6 aso Moderne talen – Wetenschappen van deze school.
  6. Leerlingen leren niet zomaar ‘al doende’ omgaan met diversiteit: Leren omgaan met diversiteit is een sleutelcompetentie voor de 21ste eeuw. Leerlingen moeten respectvol leren omgaan met verschillen tussen mensen, of die nu van religieuze, culturele, of andere aard zijn. Leerlingen moeten leren samenwerken met mensen die andere ideeën hebben dan zijzelf. Hoe bouwen jonge mensen die vaardigheid op? Volgens Nobelprijswinnaar Kahneman, die veel onderzoek deed naar de werking van ons brein, leren leerlingen dat niet zomaar automatisch door in groepjes samen te werken. Hoe komt dat? Heel wat breinonderzoek toont aan dat elke mens over 2 denksystemen beschikt: ‘Type 1’ is ons intuïtieve, ervaringsgebaseerde systeem dat heel snel beslissingen kan nemen, onbewust werkt, en ons doorheen het dagelijks leven loodst. Type 2  is het systeem dat bewust redeneert: het is veel explicieter, maar verbruikt ook meer energie en concentratie. Als leerlingen samen groepswerken uitvoeren, is de kans groot dat vooral hun type 1-denken aan het werk is, en dat is net heel sterk met ons gevoelsleven verbonden. Omdat Type 1 snel beslissingen moet nemen, vormt het ook heel snel beelden en oordelen (en dat zijn vaak oppervlakkige beelden). Het is net ons type 2-denken (het bewust, rationele denken) dat we moeten gebruiken om onze eigen stereotypen te ontdekken en doorbreken, en onze te snelle conclusies (bijvoorbeeld over mensen) te doorprikken. Dus: leerlingen moeten niet alleen samenwerken met andere leerlingen, ze moeten ook rationeel nadenken over hoe ze samenwerken, over welke beelden ze hebben van andere leerlingen, over hoe ze andere mensen soms benadelen of kwetsen zonder dat ze zich daarvan bewust zijn, over de gevolgen van hun handelingen voor andere mensen. Ze moeten hun impulsieve reacties ten opzichte van mekaar  leren rationeel benaderen.
  7. Verschillen in meningen, ideeën en perspectieven zijn vaak heel vruchtbaar:  Veel van de meest vruchtbare ideeën komen tussen mensen tot stand die het niet helemaal eens zijn of bepaalde zaken vanuit een andere hoek bekijken. Door verschillende ideeën, perspectieven en meningen aan bod te laten komen, wordt de voedingsbodem voor het vinden van efficiënte of creatieve oplossingen veel groter. Mensen die het over alles eens zijn en heel veel ideeën delen, lopen soms vast in hun eigen cirkeltjes. Klassen waar leerlingen hun meningsverschillen of kennisverschillen kunnen uitbuiten om positieve of creatieve oplossingen te bedenken, zijn klassen waard diversiteit duurzaam wordt uitgebuit.
  8. Als talen en energie verloren gaan, gaat een brok positieve diversiteit verloren:  Ons onderwijs verliest nog te veel talent en verspilt nog te veel positieve energie van jongeren. De school vormt voor jongeren een groot deel van hun leven, het deel waar ze veel van hun identiteit aan ontlenen. Het gevoel van niet-thuishoren op de school mag niet overheersen. De school mag geen haven zijn waar sommige schepen niet mogen aanmeren.  Als scholen dag-in-dag-uit kunnen uitademen dat diversiteit loont, de norm is, positief gebruikt kan worden, dan ademen leerlingen dat in, en kunnen zij met dat geloof, met die ervaringen, en met die kennis de wijde wereld in. De diverse wereld. Dan hebben ze op school geleerd dat verschillen tussen mensen geen ondoordringbare muren, geen onoverbrugbare kloven of onoplosbare geschillen hoeven op te werpen. En dat als er al geschillen optreden, die uitgepraat kunnen worden.
  9.  Leren omgaan met diversiteit is een competentie: een samenspel van kennis, attitudes en vaardigheden. Voor leerkrachten is het omgaan met diversiteit geen sinecure. Dat vereist kennis (soms zelfs gespecialiseerde kennis over bepaalde leerstoornissen of bepaalde methodieken), de vaardigheid om te differentiëren en breed te evalueren, en bovenal de attitude van mensen met een groot hart en met een torenhoog geloof in de ‘leer-kracht’ en positieve bijdrage van elke leerling. Leerkrachten zijn de tovenaars van de 21ste eeuw.
  10. Noch een idealistische, noch een fatalistische visie op diversiteit zullen veel zoden aan de dijk brengen: Diversiteit is niet per definitie heilzaam. Verschillen tussen mensen leiden soms tot conflicten, geweld, brutaliteiten. Diversiteit is ook niet per definitie problematisch. Alles hangt af van hoe de diversiteit wordt benaderd en bespeeld. De duurzaamheid van ons onderwijs zal in grote mate afhangen van de professionaliteit waarmee leerkrachten de diversiteit onder de leerlingen weten te bespelen.  Om maar een paar voorbeelden te geven: een basisvorming tot 14 jaar zal maar echt renderen als er op de diverse interesses, talenten en leernoden van leerlingen flexibel kan worden ingespeeld door leerkrachten. Heterogene klassen en groepen kunnen profijt opleveren voor alle leerlingen als de leerkracht professioneel differentieert en gebruik maakt van peer tutoring. Leerkrachten verdienen het om in het opbouwen van die competentie maximaal ondersteund te worden. Geen hervorming van onderwijs zonder vorming van leerkrachten. Geen positieve diversiteit in het onderwijs zonder expert-professionaliteit van onze leerkrachten.

Vroegtijdig schoolverlaten: waarom haken jongeren af?

Nog steeds gaat er in het Vlaamse onderwijs te veel energie en talent verloren. Heel wat jongeren verlaten het secundair onderwijs vroegtijdig en zonder een diploma. Maar waarom haken ze af? Geen betere manier om het te weten te komen dan het aan de jongeren te vragen. Dat is wat de Ierse onderzoekers Byrne en Smyth (in hun ophefmakende rapport ‘No Way Back?’) deden in hun studie naar vroegtijdig schoolverlaten. Ze volgden meer dan 1000 leerlingen tijdens hun loopbaan in het secundair onderwijs aan de hand van jaarlijkse vragenlijsten; 184 haakten vroegtijdig af en werden door de onderzoekers gecontacteerd.  Met 25 van hen werden diepte-interviews uitgevoerd. De interviews zijn pakkend en soms ronduit verscheurend. Dit zijn de belangrijkste tendensen die uit het onderzoek kwamen:

  1. De meeste leerlingen haken af omdat ze allerlei negatieve ervaringen op school opstapelen. Vaak voelen ze zich afgekeurd, ‘opgegeven’, of verworpen door de leerkrachten en directie. Velen van hen ontwikkelen baldadig en opstandig gedrag nadat de relatie met hun leerkrachten is verstoord geraakt. Ze hebben het gevoel dat de leerkrachten lage verwachtingen over hen koesteren, niet in hen geloven, hen als minderwaardig behandelen.
  2. Opvallend is dat voor velen van hen het gevoel van afgekeurd zijn en falen al heel vroeg, zelfs reeds in het basisonderwijs start. Zo stapelen de negatieve gevoelens zich geleidelijk op tot de emmer overloopt. Met andere woorden, vroegtijdig schoolverlaten is zelden een beslissing die plots wordt genomen; het is eerder het eindpunt van een proces dat al heel lang aansleept.
  3. Veel hangt af van hoe scholen met de negatieve ervaringen van de leerlingen omgaan: als schoolteams de leerlingen systematisch als minderwaardig behandelen, komen de leerlingen sneller in een negatieve spiraal terecht. Het schoolklimaat – en de relaties tussen leerkrachten en leerlingen – zijn van levensbelang. Opvallend is dat onderwijssystemen en scholen die met strakke niveaugroepen werken, sneller negatieve gevoelens van minderwaardigheid bij de leerlingen in de ‘zwakste groepen’ aanwakkeren: als de leerkrachtverwachtingen dalen voor de leerlingen in de ‘laagste niveaugroepen’, versterkt dat het gevoel van falen bij de leerlingen.
  4. Ook negatieve ervaringen met klasgenoten en een moeilijke thuissituatie dragen bij tot de negatieve spiraal en het gevoel van niet thuishoren op de school.
  5. De aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt (en het vooruitzicht om geld te verdienen) heeft invloed op sommige jongeren, maar die invloed wordt pas echt belangrijk als de negatieve gevoelens op school beginnen door te wegen.
  6. De meeste jongeren hadden gesprekken met hun ouders over hun negatieve gevoelens en hun plannen om de school te verlaten vooraleer ze de cruciale stap zetten. De ouders stribbelden heel vaak tegen, maar dat had niet altijd het gewenste effect.
  7. Kinderen van laaggeschoolde ouders en jongens zijn oververtegenwoordigd in de groep van de vroegtijdige schoolverlaters. In scholen met een sociaal en cultureel gemengde leerlingpopulatie is de proportie van vroegtijdig schoolverlaten lager.

In hun aanbevelingen pleiten de onderzoekers voor een positief schoolklimaat met veel aandacht voor persoonlijke relaties tussen leerkracht en leerlingen. Hun studie “points to aspects of school process, including active teaching methods, flexible ability grouping and positive school climate, which enhance student engagement in learning, an engagement in learning which can serve to promote both retention and achievement equally.” In termen van duurzaam onderwijs: scholen moeten actief zoeken naar manieren om de energie die jongeren voor leren hebben, aan te wakkeren en om te zetten in positieve leerervaringen. Dat levert immers nieuwe positieve energie voor leren. Activerende leermethoden, flexibele groeperingsvormen die zich aanpassen aan het leerproces van de leerling, en een positief schoolklimaat kunnen het cruciale verschil maken tussen schoolverlaten (en ‘school haten’, zoals sommige geïnterviewde leerlingen het uitdrukken) en schoolsucces.

 

Begrijpend-leesonderwijs: wat werkt?

Welke kenmerken van begrijpend-leesonderwijs maken voor leerlingen het verschil? En werken die kenmerken voor alle leerlingen? In een recent onderzoek van de KU Leuven (gefinancierd door het Ministerie van Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap) werden die vragen onderzocht.

Wat werkt? De volgende kenmerken van leesonderwijs bleken een positief effect te hebben op de  leerwinst die leerlingen in het vijfde leerjaar van het basisonderwijs voor begrijpend lezen boekten:

  1. Goed georganiseerde en aantrekkelijke lessen: leerlingen leerden meer bij als ze de (lees)lessen ervoeren als interessant, goed georganiseerd en goed gestructureerd.
  2. Aandacht voor leesstrategieën: leerlingen leerden meer bij als er aandacht werd geschonken aan leesstrategieën (bijv. hoofdzaken van bijzaken onderscheiden, tussentitels gebruiken….). Internationaal onderzoek leert ons dat dit het meest oplevert als er aandacht aan leesstrategieën wordt geschonken terwijl de leerlingen een interessante begrijpend-leestaak uitvoeren. Er mag dus niet zomaar in het luchtledige aan strategieënonderwijs gedaan worden.
  3. Coöperatief leren: regelmatig gebruik van werkvormen waarbij leerlingen moeten samenwerken aan een begrijpend-leestaak heeft een positief effect op leerwinst.
  4. Veilig en stimulerend leerklimaat: de leerlingen boeken meer leerwinst als ze het leerklimaat als veilig, niet-bedreigend en stimulerend ervaren. Er moet dus een positieve sfeer in de klas hangen.
  5. Vakoverschrijdende leeractiviteiten: de leerlingen boekten meer leerwinst voor begrijpend lezen als er niet alleen in de taallessen, maar in alle domeinen aan begrijpend lezen werd gewerkt.
  6. Differentiëren in het leesonderwijs: de leerlingen boekten meer leerwinst als de leerkracht haar ondersteuning afstemde op de leerbehoeften van de leerlingen en oog had voor verschillen (bv. in leesbegrip) tussen leerlingen.
  7. Werken met leesouders: ook deze maatregel had een positief effect op de leerwinst voor begrijpend lezen.

Deze resultaten bevestigen de steeds weerkerende trends in internationaal onderzoek naar leesonderwijs: het werken met interessante en uitdagende leestaken (die leerlingen zin doen krijgen in lezen), waarbij de leerlingen gedifferentieerd ondersteund worden en regelmatig mogen samenwerken en waarbij aandacht wordt besteed aan leesstrategieën werpt vruchten af, zeker als dat gebeurt in een positief, veilig, stimulerend klimaat, en als dat niet alleen in de taallessen gebeurt, maar doorheen het curriculum.

Werken deze ingrediënten voor alle leerlingen? JA. Zowel het Vlaams onderzoek van de KU Leuven als het internationaal onderzoek geven duidelijk aan dat alle leerlingen (sterkere lezers en zwakkere lezers, allochtone en autochtone leerlingen, kinderen van hooggeschoolde en laaggeschoolde ouders) van deze maatregelen profiteren. Ze worden er betere lezers van, en dat is een sleutelcompetentie in het onderwijs van de 21ste eeuw. Zwakkere lezers mogen dus niet op leesdieet gezet worden: ook zij hebben nood aan leuke, uitdagende, motiverende begrijpend-leestaken waarbij ze goed ondersteund worden terwijl ze de taken uitvoeren.

Voor meer info over dit onderzoek, zie http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/2009/0904/default.htm

Gelijke(re) onderwijskansen in het Vlaams onderwijs?

Het Vlaams onderwijs is zeer goed. Maar het moet beter. De sociale kloof is te groot. De kinderen van laagopgeleide ouders lopen een te hoog risico om ook als laagopgeleide ons onderwijssysteem te verlaten. Dat verlies aan energie en talent kunnen we ons niet veroorloven.  Het Vlaams onderwijs moet duurzamer omspringen met de energie en het talent van alle kinderen, ongeacht hun achtergrond.

Wat zegt internationaal wetenschappelijk onderzoek over effectief onderwijs voor kinderen van laagopgeleide ouders? Hoe slagen andere onderwijssystemen erin om meer gelijke onderwijskansen te creëren? Hieronder lijst ik een aantal cruciale wetenschappelijke bevindingen op:

  1. Investeren in kleuteronderwijs loont. Kleuters kunnen in het kleuteronderwijs al heel wat basisvaardigheden opdoen vooraleer ze naar het eerste leerjaar gaan. Kleuteronderwijs werkt vooral goed als het inspeelt op de belangstelling van de kleuter, en  als er heel veel wordt gepraat over onderwerpen, spel en acties waarin kleuters intrinsiek geïnteresseerd zijn. Zo wordt de spontane energie van kleuters al  spelend en explorerend omgezet in leren. Het helpt ook als van in den beginne de ouders op een heel informele en laagdrempelige manier bij het onderwijs betrokken worden.
  2. Differentiatie is essentieel.  Leerlingen verschillen in hoe ze leren en in de snelheid waarmee ze bepaalde competenties ontwikkelen. Leerlingen verschillen qua voorkennis, motivatie, interesse en talent. In de beste onderwijssystemen ter wereld wordt veel aandacht besteed aan differentiatie: leerlingen krijgen bijkomende ondersteuning als het leren wat moeilijker loopt, en krijgen nieuwe uitdagingen als het leren goed loopt; de groepering van leerlingen wordt aangepast aan de leernoden van de leerlingen en is niet voor alle vakken en domeinen dezelfde; als aanpak A niet werkt, wordt naar een andere aanpak (een andere manier van uitleggen of ontdekken) gezocht…
  3. Coöperatief leren in heterogene groepen helpt.  Leerlingen kunnen veel leren van andere leerlingen. Leerlingen die het wat moeilijker hebben met bepaalde vakken, kunnen profiteren van het voorbeeld en de steun van leerlingen die sterker zijn voor die vakken. Bovendien is in kleine groepen het leerklimaat vaak veiliger dan in de grote groep.
  4. Ouderbetrokkenheid is belangrijk. In effectieve onderwijssystemen wordt de afstand tussen school en thuis klein gehouden. Leerinhouden worden verbonden met de thuis- en leefwereld van de kinderen; de ouders zijn goed op de hoogte van wat er op school gebeurt, kunnen informeel met leerkrachten over de ontwikkeling van hun kind praten, en zijn zo beter gewapend om het kind thuis te ondersteunen.
  5. De leerkracht maakt het verschil.  Zowel in basis- als secundair onderwijs speelt de leerkracht een cruciale rol in het stimuleren van de ontwikkeling van de leerling. Leerkrachten die het verschil maken,
    1. leggen de lat hoog en koesteren tegelijk hoge verwachtingen voor hun leerlingen: ze  (blijven) geloven in de ‘leer-kracht’ van elke leerling;
    2. kiezen voor zinvolle, interessante inhouden en rijke, uitdagende taken die de leerlingen relevant vinden en die hen energie-tot-leren geven. De intrinsieke motivatie van leerlingen is, op lange termijn, immers veel krachtiger als energiebron voor leren dan extrinsieke motivatie (punten, complimenten…);
    3. verbinden nieuwe inhouden met ervaringen, kennis en vaardigheden die de leerlingen al hebben opgebouwd, ook buiten de school; wat de leerlingen al weten, kunnen en kennen is immers brandstof voor verder leren.
    4. smeden een warme, veilige band met hun leerlingen, en zorgen ervoor dat leerlingen zich een volwaardig en gewaardeerd lid van de groep voelen; ze creëren vaak het gevoel dat alle leerlingen samen aan een grandioos project werken;
    5. besteden de beschikbare tijd zo maximaal mogelijk aan leren: ze trachten hun lessen  goed te structureren en efficiënt te organiseren;
    6. voorzien in veel variatie qua werkvormen, met een goede afwisseling van directe instructie, zelfontdekkend leren, groepswerk, individueel werk en buitenschoolse opdrachten, zodat leerlingen nieuwe inhouden op verschillende manieren kunnen ontdekken, toepassen en herhalen.
    7. overleggen samen met collega’s over het best mogelijke onderwijs, blijven zich verder professionaliseren, en trachten te leren uit wetenschappelijk onderzoek wat het best werkt voor sociaal kwetsbare leerlingen.

Uit de bovenstaande bevindingen kunnen we afleiden waarom zittenblijven voor zoveel leerlingen geen duurzame oplossing blijkt te zijn. Als zittenblijven inhoudt dat leerlingen hetzelfde leerjaar op dezelfde manier moeten overdoen, dan dreigen dezelfde leerproblemen snel weer de kop op te steken. Dan is zittenblijven een gok: we gooien de dobbelsteen nog eens, en  hopen dat er een hoger cijfer uitkomt.  GOK (werken aan Gelijke OnderwijsKansen), daarentegen, is doelbewust werken aan de duurzame ontwikkeling van kinderen. Daarvoor moeten we naar een individuele leerling durven kijken om te ontdekken (a) hoe de natuurlijke energie-voor-leren van die leerling maximaal kan worden opgewekt, (2) hoe aan die leerling de best mogelijke ondersteuning kan worden gegeven zodat die energie wordt omgezet in daadwerkelijk leren. Dat is immers de beste garantie dat er een positieve leerervaring ontstaat die nieuwe energie-voor-leren opwekt. Het wiel blijft dan duurzaam draaien.

Aan alle leerlingen duurzame ontwikkelingskansen bieden is zonder twijfel een prachtige uitdaging voor het nieuwe schooljaar: de ultieme uitdaging om in alle opzichten rijke verbindingen tot stand te brengen met elke leerling in de klas.