Hefbomen voor duurzame onderwijsverbetering

Welke hefbomen moeten we inzetten om ons onderwijs de 21ste eeuw binnen te loodsen, en alle leerlingen maximale kansen op ontwikkeling te geven? En van welke hefbomen verwachten we doorgaans te veel?

Hieronder geef ik u het antwoord van Michael Fullan, die het internationale onderzoek rond onderwijskwaliteit al jaren volgt en zijn antwoord neerschreef in de befaamde paper “Choosing the wrong drivers for whole system reform”. Deze paper vormde een belangrijke inspiratiebron voor de Visietekst duurzaam onderwijs.

Van welke hefbomen verwachten we doorgaans te veel?

– Meer toetsen en examens: Dé klassieker als het om onderwijsverbetering gaat: voer meer toetsen in. Voor Fullan is het een “wrong driver of educational reform”. Waarom? Omdat toetsen afnemen niet automatisch leidt tot beter onderwijs. Het gaat er niet om DAT we toetsen, het gaat erom WAT we met de toetsresultaten aanvangen. Gebruiken we de resultaten om leerlingen goede feedback te geven? Om de kwaliteit van het gegeven onderwijs in vraag te stellen? Om leerlingen zicht te geven op waar ze staan in hun leerproces? Ten tweede, toetsen leiden er soms toe dat we vooral gaan onderwijzen wat makkelijk te toetsen valt; zo dreigt het curriculum te versmallen. En ten derde, toetsen kunnen leiden tot een “de-professionalisering” van leerkrachten, want de kracht van het oordeel van de leerkracht wordt al snel minder belangrijk geacht dan het ‘harde’ oordeel van de toets.

– Meer technologie: Het invoeren van moderne media in de klas is geen wondermiddel voor een duurzamer en effectiever onderwijs waarin alle leerlingen maximaal leren. Technologie moet volgens Fullan ondergeschikt blijven aan pedagogie. De hamvraag is dus niet: hoe kunnen we moderne technologie in het onderwijs invoeren? Maar wel: hoe kunnen we technologie zo inzetten dat het echt een meerwaarde voor leren oplevert?

– Meer training vooindividuele leerkrachten: Ondersteunings- en nascholingsprogramma die al hun pijlen richten op individuele leerkrachten kunnen positieve effecten hebben voor die individuele leerkrachten, maar het effect op de algehele onderwijsloopbaan van een leerling zal beperkt blijven als die leerkracht alleen op een eilandje (in zijn eigen klas) zijn nieuwe competenties toepast.

– Meer fragmentair beleid: een onderwijsbeleid dat focust op één deel van het onderwijsveld of één soort scholen (meer geld voor bepaalde scholen) zal minder effect hebben dan een beleid dat het hele plaatje in ogenschouw neemt. Scholen functioneren immers niet in een vacuum, scholen staan in verbinding met andere scholen, met wijken, met buurten, met ouders en kinderen. Het hele systeem moet binnen het onderwijsbeleid onder de loep gelegd en in beweging gebracht worden.

Welke hefbomen blijken het best te werken?

Een analyse van de best werkende onderwijssystemen ter wereld – effectief én sociaal rechtvaardig – toont aan dat vier hefbomen, meer dan welke ook, en meer dan in het verleden, moeten gebruikt worden om duurzame onderwijsverbetering te bewerkstelligen:

1. Focus op de kwaliteit van onderwijs in de klas: Neem maatregelen die leerkrachten echt helpen om beter les te geven. Focus op de intrinsieke motivatie en de deskundigheid van leerkrachten. Neem tal van maatregelen om leerkrachten met positieve energie, een hoog zelfbeeld, en een grote deskundigheid voor de klas te laten staan. Help leerkrachten om het onderwijs intrinsiek motiverender te maken voor leerlingen. Help leerkrachten om meer met evaluatie te doen. Financier aanvangsbegeleiding, nascholing, intervisie, goede lerarenopleidingen, samenwerking tussen scholen en leerkrachten, verspreid goede praktijken.

2. Doe meer met het sociale kapitaal in scholen: Creëer ruimte voor leerkrachten om meer samen te werken met hun collega’s, om te teamteachen, om van mekaar te leren. Creëer stimuli in het curriculum om leerkrachten vakoverschrijdend te doen samenwerken. Organiseer uitwisselingen tussen leerkrachten van diverse scholen en disciplines. Versterk de pedagogische kracht van directies.

3. Verbind pedagogie met technologie: Verhoog de kennis rond de pedagogische meerwaarde van moderne technologie, en verspreid ze. Stimuleer samenwerking hierrond, en verspreid good practices. Onderzoek de meerwaarde van moderne technologie voor leren en ontwikkeling.

4. Viseer het hele systeem: Neem op nationaal vlak maatregelen die alle scholen aanbelangen. Vermijd alleenstaande maatregelen. Onderneem niet te veel losstaande acties, maar focus op de krachtige hefbomen en laat die op mekaar inwerken. Verbind acties rond toetsing met acties rond pedagogie. Verbind acties rond technologie met acties rond de professionalisering van leerkrachten en directies, en rond de samenwerking tussen leerkrachten. Werk vanuit een grote visie, maar vertaal die in acties en maatregelen die leerkrachten helpen om zich beter te voelen, en beter les te geven.

Voor Fullan is het duidelijk: “it is time to embrace, and relentlessly commit to the right drivers” (p. 18).

Fullan, M. (2011). Choosing the wrong drivers for whole system reform. Melbourne: Centre for Strategic Education.

Onderwijs verbeteren? Luister naar de mening van de leerlingen!

Als leerprocessen drijven op de energie van leerlingen, dan kunnen we maar beter te weten komen hoe de leerlingen zelf denken over de kwaliteit van ons onderwijs. De Vlaamse scholierenkoepel (VSK) is de koepel van de leerlingenraden in Vlaanderen en dé stem van scholieren over onderwijs: op hun website vind je doordachte, onderbouwde standpunten die door veel scholieren gedragen worden. Hieronder geven we 5 van hun meest recente standpunten weer:

–  Hoe krijg jij punten? VSK deed recent een enquête onder 700 scholieren van het middelbaar onderwijs over de evaluatiepraktijk op hun school. Op basis van de resultaten doet VSK allerlei aanbevelingen voor een betere evaluatiepraktijk op school, waaronder: (a) zorg voor meer transparantie rond de criteria van evaluatie; (b) maak gebruik van gevarieerde evaluatiemethodes (maak bijvoorbeeld meer gebruik van praktische proeven, openboekexamens, mondelinge overhoringen); (c) maak voldoende tijd en ruimte vrij voor nabespreking en feedback na een examen of test; (d) zorg ervoor dat leerlingen weten waar ze in hun leerproces staan; (e) beperk het aantal onaangekondigde toetsen en zorg voor een beheersbare hoeveelheid leerstof; (f) wees discreet over de resultaten van de evaluatie.

http://www.scholierenkoepel.be/info/standpunten/Punten

–  Algemeen verbod op levensbeschouwelijke kenmerken: De VSK is de spreekbuis van alle leerlingen, ook de leerlingen met hoofddoek, kruisje, tulband… Ze vindt het algemeen verbod van GO! op levensbeschouwelijke kenmerken geen goed idee. Het algemeen verbod toont geen respect voor het recht op inspraak van leerlingen en ouders: zulk een verbod zou enkel mogen ingevoerd worden na overleg met hen. De VSK vindt ook dat de school een plaats moet zijn waar leerlingen zichzelf kunnen zijn en op zoek moeten kunnen gaan naar hun identiteit. Ze vindt dat het dragen van levensbeschouwelijke kenmerken de lessen niet verstoort. Een algemeen verbod betekent tevens het einde van de keuzevrijheid in de schoolloopbaan van een aantal moslimmeisjes en sikhjongens, en dat druist in tegen het decreet op de Gelijke Onderwijskansen.

http://www.scholierenkoepel.be/info/standpunten/hoofddoekenverbod

–  Geef ze niet op: De VSK reageert verontrust op de explosieve stijging van het aantal definitieve uitsluitingen van leerlingen. Een tuchtmaatregel die eigenlijk een ultieme noodmaatregel is, wordt steeds vaker doorgevoerd. VSK roept het onderwijsministerie op om meer onderzoek te verrichten naar de schoolloopbaan van uitgesloten leerlingen. Zo kunnen we beter te weten komen over welke aanpak van probleemgedrag het best werkt. VSK pleit ook voor een externe klachtencommissie waar leerlingen en hun ouders terechtkunnen, en voor ondersteuning aan leerlingen die op zoek moeten gaan naar een nieuwe school.

http://www.scholierenkoepel.be/info/standpunten/definitieveuitsluitingen

–  Hervorming van het secundair onderwijs:  VSK vraagt meer duidelijkheid over de hervormingsplannen van de regering. We mogen niet blind zijn voor de vele leerlingen die ontmoedigd raken, te vaak moeten bissen, en die de school verlaten zonder diploma, zo stelt de voorzitster. VSK vraagt echte, en snelle actie: scholieren mogen niet het slachtoffer worden van politieke steekspelletjes en aanslepende debatten.

http://www.scholierenkoepel.be/info/standpunten/OpiniestukHervormingen

–  Wat verwachten we van onze leerkrachten? Naar aanleiding van de recente onderzoekscijfers over de algemene kennis van studenten lerarenopleiding vraagt VSK dat er een fundamenteel debat wordt gevoerd over de rol van de leerkracht in het hedendaagse onderwijs. Wat wordt er van de leerkracht verwacht? Hoe trekken we de juiste mensen aan voor het beroep van leerkracht? Wanneer vinden we leerkrachten bekwaam?

http://www.scholierenkoepel.be/info/standpunten/OnderzoekLerarenopleiding

Een blik op de website van de Vlaamse scholierenkoepel spreekt boekdelen: de Vlaamse scholieren zijn erg begaan met de kwaliteit van ‘hun’ onderwijs, spreken er erg genuanceerd en doordacht over, en kunnen met hun heldere standpunten zonder twijfel bijdragen tot een kwaliteitsvoller, duurzamer onderwijs waarin de positieve energie-voor-leren van jonge mensen wordt omgezet in maximale en brede ontwikkeling.

www.scholierenkoepel.be

Ervaring en onderwijs

Ik heb eindelijk “Experience and Education” van John Dewey (1938) gelezen. Het is een van de meest invloedrijke boekjes in de geschiedenis van de onderwijsliteratuur. Ik had één brandende vraag toen ik eraan begon: Wat zegt John Dewey echt over de rol van ervaring in het onderwijs?

  1. Zijn alle ervaringen even leerrijk? Nee. Heel wat ervaringen houden ons gewoon op het niveau waar we al zitten, sommige ervaringen houden verdere ontwikkeling zelfs tegen. Onderwijs moet dus niet zomaar toegeven aan de emotionele impulsen van jonge mensen en hen alleen maar de ervaringen laten aangaan die ze willen aangaan, want dat geeft geen enkele garantie op echte ontwikkeling.
  2. Welke ervaringen zijn dan wel leerrijk?  Ervaringen in het heden WORDEN leerrijk als iemand eruit kan leren hoe situaties in de toekomst beter kunnen worden aangepakt. Maar daarvoor moet de ervaring worden doorgrond en begrepen.
  3. Hoe kan een ervaring worden doorgrond en begrepen? Twee principes zijn cruciaal: het principe van continuïteit en het principe van interactie. Continuïteit staat voor het maken van verbindingen: de leerder moet inschatten waartoe een ervaring kan leiden (wat is het doel? Wat zijn mogelijke gevolgen?), en moet leren inschatten hoe een doel het best kan bereikt worden of hoe kwalijke gevolgen het best kunnen worden vermeden. Daarvoor moet het individu eerdere ervaringen (van zichzelf of van anderen) analyseren, en inschatten wat er fout kan gaan, wat de gevolgen van bepaalde acties zijn, wat de beste weg naar het doel is. Voor- en nadelen worden afgewogen, kennis wordt ingebracht om de ervaring te analyseren.  Men zegt dat het onderwijs mensen moet voorbereiden op de toekomst: de enige echte voorbereiding voor de toekomst bestaat erin dat een leerder zoveel mogelijk uit een ervaring in het heden haalt en op die manier meer controle over de ervaring krijgt zodat hij er in de toekomst meer mee kan doen. Het principe van interactie staat voor het feit dat we ervaringen vaak veel beter en rijker kunnen doorgronden als we dat samen met anderen doen, en onder de begeleiding van een leerkracht. Leren is een sociaal gebeuren.
  4. Zijn problemen een probleem? Nee. Problemen zijn vaak dé drijfveer achter echt leren. Ze stimuleren het denken. Leerkrachten moeten ervoor zorgen dat ze leerlingen interessante en uitdagende problemen voorschotelen, dat de leerlingen die problemen aan eigen ervaringen kunnen linken, dat het haalbaar is voor de leerlingen om de problemen op te lossen, en dat  de leerder actief aan de slag wil om nieuwe informatie, kennis en vaardigheden te vergaren om het probleem te kunnen oplossen.
  5. Wat is de relatie tussen kennis en  ervaring?  Kennis die niet aan een persoonlijke ervaring (en uitdieping van die ervaring) kan worden gelinkt, is hol. Kennis die niet kan worden vastgehangen aan iets wat leerlingen al weten, kunnen en kennen, is onbereikbaar. Het ene oor in, het andere oor uit. Maar kennis die wel aan ervaringen is gelinkt, beklijft, en kan worden ingezet om nieuwe kennis te verwerven. Zo kan een continue positieve spiraal ontstaan, waarbij bestaande ervaringen en kennis telkens weer worden ingezet om nieuwe uitdagingen te lijf te gaan. Voor de leerkracht is het duidelijk: “Connectedness in growth must be his constant watchword”.  Door constant verbindingen te leggen, en ervaringen intellectueel te doorgronden, ontstaat expert-kennis, wetenschappelijke kennis, controle over ervaringen en impulsen. Zo ontstaat echt rationeel denken. Zo ontstaat vrijheid.
  6. Wat is vrijheid? Vrijheid gaat niet over alles kunnen doen wat je wil doen op het moment dat je dat wil. De enige echte vrijheid is de vrijheid van het denken: die ontstaat als mensen met hun eigen verstand, en onafhankelijk van anderen, ervaringen, die voor hen belangrijk en relevant zijn, zelf kunnen beoordelen, en intellectuele controle hebben over hoe ze de ervaring willen vormgeven om een doel te bereiken. Die vrijheid heeft dus niet alleen te maken met het feit dat andere mensen je die vrijheid gunnen, maar vooral met de vaardigheid om onafhankelijk te leren denken. Dat is wellicht dé kerntaak van onderwijs: “The ideal aim of education is creation of power of self -control” (p. 64). Zo worden mensen minder de prooi van propaganda en zwart-wit-denken.
  7. Is de leerkracht nog nodig? Absoluut. De leerkracht is dé spilfiguur in de leeromgeving van de leerder. De leerder mag niet zomaar aan zichzelf worden overgelaten. Weinig leerders zullen spontaan de kracht en vermogens ontwikkelen om diepgaand en onafhankelijk te leren denken. De leerkracht heeft zicht op belangrijke competenties en kennis die jonge mensen moeten ontwikkelen, de leerkracht kan zinvolle inhouden selecteren, leerlingen helpen en tonen hoe ze doelgericht kunnen leren denken, hoe ervaringen kunnen worden geanalyseerd, hoe anderen dat deden. De leerkracht kan mee  verbindingen helpen smeden tussen ervaringen in het verleden, heden en toekomst. De leerkracht is cruciaal in het intellectueel doorgronden van ervaringen.
  8.  Moet leren leuk zijn?  Leren moet vooral verrijkend zijn. Het kan vaak leuk zijn, maar het moet vooral boeiend zijn, in alle betekenissen van het woord. Boeien moeten geslagen worden die zinvolle doelen in het heden, ervaringen uit het verleden en relevante plannen voor de toekomst aan mekaar klinken. Als leerders ervaren dat ze meer controle over ervaringen en kennis krijgen, en beter in staat zijn om doelgericht hun leven te besturen, én als ze daaruit zelfvertrouwen putten, dan zullen ze willen blijven leren.  “The most important attitude that can be formed is that of desire to go on learning.”
  9. Kan je leren programmeren?  Nee. Leerkrachten kunnen proberen om de rijkst mogelijke leeromgeving te creëren (zoals hierboven beschreven), maar leren kan je niet voorspellen en programmeren. Meer zelfs, net zoals er bij aanslagen of oorlogsvoering “collateral damage” is (zijdelingse, onbedoelde schade), treedt er in leeromgeving veel “collateral learning” op. Dewey geeft het voorbeeld van de spellingles of de les geschiedenis: leerlingen zullen zijdelings ook veel leren over verhoudingen tussen mensen; de klas waarin ze zitten zegt zijdelings veel over hoe in de school met verschillen tussen leerlingen wordt omgegaan of over verwachtingen van leerkrachten ten opzichte van jonge mensen. Veel basisattitudes van jonge mensen zijn het resultaat van “collateral learning”.  Daarom moet de leeromgeving constructief en hoopvol zijn: Jonge mensen moeten sterk het gevoel hebben dat ze verantwoordelijkheid krijgen, au serieux worden genomen, en eerlijke kansen krijgen om hun potentieel te realiseren.
  10. Is leren een individueel proces?  Ja en nee. Het is individueel omdat verbindingen tussen verleden, heden en toekomst door individuen worden gesmeed, en omdat individuen daarin verschillen. Maar leren wordt veel rijker als leerlingen samen een gezamenlijk doelgerichte activiteit aanpakken. Dan leren ze samen ervaringen analyseren en doelgericht, planmatig denken. Dan leren ze hoe ze zichzelf als groep kunnen organiseren. Dan kunnen ze leren hoe je een groepservaring  zo controleert dat ze productief wordt. Dan leren ze rekening houden met mekaar. Dat komt niet zomaar. De leerkracht is absoluut nodig om zulke processen te begeleiden.  Het is een kerntaak van onderwijs om mensen te leren samen doelen te laten, en leren, bereiken: “The educator is responsible for a  knowledge of individuals and for a knowledge of subject-matter that enable activities to be selected which lend themselves to social organization, an organization in which all individuals have an opportunity to contribute something, and in which activities in which all participate are the chief carrier of control.” (p. 56)
  11. Leert onderwijs zelf bij? Ja, maar niet door extreme standpunten in te nemen en grote theorieën tegen mekaar uit te spelen, maar door genuanceerd naar doelen te kijken, naar leerlingen te kijken, en te analyseren hoe goed onderwijs werkt. Door mensen samen over onderwijs te laten discussiëren vanuit eigen ervaringen. In verleden, heden en toekomst.

John Dewey (1938). Experience and Education. Reprinted by Touchstone Books, 1997.

Een vak “actualiteit” op school?

Onze studenten van de lerarenopleiding blijken slecht op de hoogte te zijn van de actualiteit, en heel wat basiskennis over politieke stromingen, recent economisch nieuws en het maatschappelijk leven te missen. Mag ik een voor de hand liggend voorstel lanceren? Voer vanaf het eerste jaar secundair onderwijs een vak “actualiteit” in. Eén uur per week gedurende zes jaar. Een uur waarin leerlingen vanuit een actieve exploratie van de moderne media de actualiteit bestuderen, bediscussiëren en hun eigen gegronde meningen vormen. De actualiteit bepaalt ‘vaneigens’ het curriculum. Op zes jaar tijd passeert alle cruciale basiskennis de revue (gegarandeerd). Een vak dat actueel is in zijn werkvormen: dus met gebruik van moderne technologieën zodat tegelijkertijd aan de kritische mediageletterdheid van onze jongeren kan worden gewerkt, want ook die is niet voldoende ontwikkeld, zo blijkt uit de periodieke peiling Nederlands in het zesde jaar secundair onderwijs. Laat dit vak doorlopen in de lerarenopleidingen: laat studenten daar in kleine groepen (en in wekelijkse sessies van 1 uur) de actualiteit aan mekaar voorstellen, met mekaar erover in discussie treden, en leren hun visie en feitenkennis aan anderen over te brengen. Een zeer goed besteed uur, zou ik zo denken….

Acties van leerkrachten die het verschil maken…

Een kleine denkoefening. Stel u voor dat u achteraan in een klas plaatsneemt en de leerkracht observeert. U moet de kwaliteit van het lesgeven beoordelen. Op welke aspecten zou u letten? Zet voor uzelf even 5 aandachtspunten op een rij.

Klik vervolgens door naar de 2 onderstaande documenten. Ze komen allebei voort uit uitgebreid Amerikaans onderzoek (gefinancierd door de Gates Foundation) naar de vraag: hoe maken leerkrachten het verschil? Welke aspecten van leerkrachtgedrag hebben een positieve impact op leren?

1. Het eerste document is het PLATO-instrument dat ontwikkeld werd door Pamela Grossman aan Stanford University. Alhoewel het vooral van toepassing is voor taalonderwijs, bevat het een aantal algemene parameters voor krachtig leerkrachtgedrag, die blijken samen te hangen met betere leerprestaties.

PLATO instrument Pamela Grossman Stanford University

2. Het tweede is gebaseerd op het werk van de Danielson Group en het onderzoekswerk van Charlotte Danielson. Ook hier was de onderzoeksvraag: welke leerkrachtgedragingen blijken samen te hangen met verhoogde leerwinst?

Charlotte Danielson’s framework for teaching

De beide raamwerken vullen mekaar sterk aan, en versterken mekaar. En ze worden nog steeds verder uitgetest door leerkrachten en onderzoekers.  Ongetwijfeld vond u ook aspecten terug die in uw eigen lijstje stonden….

Leerwinst in “concentratiescholen”: drie opzienbarende onderzoeken

Tijdens de afgelopen jaren was ik promotor van drie wetenschappelijke studies die zich afspeelden in zogenaamde “concentratiescholen”: scholen met een hoog percentage van niet-Nederlandstalige leerlingen uit sociaal kwetsbare gezinnen. Omdat ik niet zo van de term “concentratiescholen” hou, zet ik hem hieronder telkens tussen ” “:

1. DNA-onderzoek in de basisschool: In het doctoraatsonderzoek van Koen Van Gorp werkten zes leerkrachten van het zesde leerjaar basisonderwijs een week lang met een lessenreeks rond DNA. Een pittig onderwerp, want DNA staat in het leerplan van het zesde jaar secundair onderwijs….  De lessenreeks was een afwisseling van klassikale instructie, zelfontdekkend leren en groepswerk. Koen Van Gorp wou weten of de leerlingen van “concentratiescholen” rond dit abstracte onderwerp wel degelijk kennis en woordenschat zouden opbouwen. Dat deden ze: op het einde van de week scoorden ze op een kennis- en taaltoets (rond DNA) significant beter dan aan het begin van de week. Dat was op zich een opzienbarende (en verheugende) vaststelling. Opvallend was wel dat de leerlingen die tijdens klassikale momenten meer aan het woord waren gekomen, meer bijleerden. Hardop nadenken over moeilijke onderwerpen helpt je denken ontwikkelen. Leerkrachten kunnen dus maar beter al hun leerlingen evenwichtig aan het woord laten als er nieuwe onderwerpen worden aangebracht. Eveneens opvallend was dat de leerlingen verschilden in de manier waarop ze leerden: sommigen leerden het meest van zelfontdekkend leren via het lezen van bronteksten, anderen hadden het meest aan het groepswerk, en nog anderen van de ondersteuning van de leerkracht tijdens individuele taken.  Goed dus dat die ingrediënten allemaal in het lessenpakket zaten: voor complexe leerstof is een samenspel tussen verschillende werkvormen en bronnen, die goed op mekaar zijn afgestemd, blijkbaar bevorderlijk voor leren. En hoge verwachtingen ten aanzien van de leerlingen zijn eveneens cruciaal: als het onderwerp hen fascineert, kunnen leerlingen van “concentratiescholen” opvallend (en onverwacht) veel aan …

2. Achter de lijntjes: In haar doctoraatsonderzoek volgde Lieve Verheyden de prille ontwikkeling van schrijfvaardigheid bij leerlingen van het derde en vierde leerjaar basisonderwijs in zeven “concentratiescholen”. Ze liet de leerlingen gedurende één schooljaar een aantal maal dezelfde schrijftaak uitvoeren: het verhaaltje vertellen bij een stripverhaal zonder woorden. De leerlingen maakten tijdens dat schooljaar significante vooruitgang. Ze werden beter voor spelling, inhoud, lengte van de zinnen, grammaticale correctheid…  Maar de vooruitgang vertoonde geen mooie doorgaande lijn: de leerlingen vorderden met horten en stoten, met sprongen en dan weer ‘terugvallen’. Ze vorderden voor het ene aspect van het verhaal al meer dan het andere. En ze verschilden daarin grondig van elkaar. De leerlijnen van individuele leerlingen waren grillig: “Spaghetti”, noemde Lieve Verheyden ze. Je kon ze als leerkracht niet voorspellen, maar wel observeren en (be)geleiden. Wat heel goed werkte, was dat de leerkracht keek naar wat de leerling schreef, en dan een gesprek met die leerling aanknoopte over dat verhaal, waarin ze samen met de leerling de zinnetjes rijker maakte, de juiste woorden zocht (en vond), en ontbrekende ideeën mee invulde. “Writing aloud” noemde Verheyden het: hardop schrijven. Samen schrijven. Mondelinge bruggen bouwen tussen tekst en de afwezige lezer. Het prille schrijvertje op een positieve en modellerende manier tonen wat het schrijven van verhaaltjes eigenlijk inhoudt. Aan de hand van zijn verhaaltje… Ook hier opvallend: iedereen groeide. Ook hier is het goed dat leerkrachten niet te snel denken dat voor sommige leerlingen schrijven niet is weggelegd, of dat sommige leerlingen er best aan doen zo kort mogelijke zinnen te schrijven om zo weinig mogelijk fouten te maken. Dat remt leerlingen af. Ook hier moeten hoge verwachtingen zich vertalen in verrijkende interactie.

3. Voorrangsbeleid Brussel: Acht jaar lang onderzochten Mieke Devlieger en Greet Goossens de effecten van de pedagogische ondersteuning van Brusselse Nederlandstalige scholen door de begeleiders van Voorrangsbeleid Brussel. Daaronder bevonden zich veel “concentratiescholen”. Onder impuls van Voorrangsbeleid Brussel verhoogden de scholen de kwaliteit van hun onderwijs. Zowat alle begeleide scholen voerden nieuwe werkvormen en materialen in, zowat alle scholen ontwikkelden een nieuwe visie op taalvaardigheidsonderwijs en communicatie met (anderstalige) ouders. Maar om nog een stap verder te gaan (namelijk om leerkrachten in hun klas voortdurend op een krachtigere manier met de leerlingen in interactie te laten gaan) was een doorgedreven begeleiding tot op de klasvloer nodig. Daarvoor bleken de observatie van de leerkracht door de begeleider, of teamteaching met twee leerkrachten, of zelfs een video-opname van de leerkracht (met nadien een reflectiegesprek met de begeleider) zeer krachtige werkvormen. Schoolteams hadden veel vragen, en hadden vaak ook nood aan een krachtig aanbod en initiatief vanwege de begeleider: ze rekenden op de begeleider als expert, als model, als aanreiker van vernieuwende ideeën. De taalvaardigheid Nederlands van de leerlingen verbeterde significant in vergelijking met de beginjaren. Tijdens de laatste jaren van het onderzoek bleek ook dat schoolteams de kracht van hun onderwijs kunnen opvoeren door samen te werken, en samen beleid te voeren. En doorheen het onderzoek bleek ook dat de begeleiders minstens evenveel met verwachtingen van leerkrachten ten opzichte van leerlingen bezig waren, als met didactische kneepjes, werkvormen en materialen…

Op de keper beschouwd zijn dit drie zeer positieve verhalen. Deze wetenschappelijke onderzoeken tonen aan dat “concentratiescholen” in de eerste plaats zeer geconcentreerde scholen zijn. Leerkrachten werken er zeer intensief, zijn erg begaan met hun leerlingen (en hun ouders), vragen zich voortdurend af hoe het beter kan en wat zij nog beter kunnen doen, hebben een groot hart voor hun kinderen, en concentreren zich vaak op de essentiële kerncompetenties van het curriculum. De leerlingen zijn leergierig en erg leer-krachtig! In “concentratiescholen” verloopt het leren niet anders dan in “witte” scholen: de ingrediënten van krachtige leeromgevingen (uitdagend onderwijs, gevarieerde werkvormen, rijke interactie, interessante onderwerpen, hoge verwachtingen) zijn er niet anders dan in andere scholen. Het is er alleen nog crucialer dat die ingrediënten hier geen mooie (of dooie) letter blijven, maar omgezet worden in warme, krachtige daden.

Duurzaam onderwijs… en wat we daarover kunnen leren van Daniel Kahneman

Een van de meest fascinerende boeken die ik in 2012 las was “Ons feilbare denken” van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman.

thinkingfastandslow

Daarin legt hij uit dat mensen over twee manieren van denken beschikken. “Systeem 1” is onze intuïtie: die is pijlsnel, helpt ons om allerlei beslissingen te nemen, flitst ons meteen het antwoord toe als iemand ons vraagt hoeveel 2 + 2 is, doet ons meteen reageren als er een voorwerp op ons afkomt, en bezorgt ons meteen een “eerste indruk” van mensen die we ontmoeten. Dat doet systeem 1 grotendeels automatisch, onbewust, en op basis van eerdere ervaringen. “Systeem 2” is ons bewuste, rationele denken. Het houdt systeem 1 in de gaten, verbetert de fouten van systeem 1, helpt ons lastige problemen analyseren en moeilijke bewerkingen maken (hoeveel is 17 x 23?), weegt voor- en nadelen af, en vergelijkt verschillende opties en brokken informatie om tot een overwogen en genuanceerd oordeel te komen. Er is één nadeel aan systeem 2: het vreet (letterlijk) energie, en kost moeite. Daarom dat ons brein er meestal de voorkeur aan geeft om op systeem 1 te drijven, en meestal gaat dat ook helemaal goed.

Het boek van Kahneman ontleent zijn titel aan het feit dat ons “Systeem 1” echter (pijnlijk) feilbaar is. Omdat het zo gespecialiseerd is om snel beslissingen te nemen (om ons te behoeden voor onheil, gevaar, gezichtsverlies, rode wangen), springt Systeem 1 snel tot conclusies. We hebben maar één klein brokje informatie, één blik, één flits nodig, en systeem 1 heeft al een beslissing, een oordeel, een beeld, een verhaal klaar. En omdat systeem 1 op primaire associaties drijft en sterk verbonden is met ons emotionele leven, houdt het er niet van om tegengesproken te worden. We geloven onszelf maar al te graag. En we geloven mensen die we sympathiek vinden maar al te graag. En we geloven dingen die in ons kraam passen maar al te graag. En we geloven dingen die positief klinken maar al te graag. We zijn bereid om meer geld te geven aan een product dat “90% vetarm” is dan aan een product dat “10% vet bevat” omdat dat eerste positiever klinkt. En zo leveren kleine brokjes informatie premature oordelen op. Vooroordelen. Net omdat het zo snel moet gaan, zijn die oordelen van systeem 1 ook vaak ongenuanceerd. Zwart-wit. De media drijven daarop. Zo maken we met de regelmaat van de klok denkfouten, beoordelingsfouten, of laten we ons te makkelijk verleiden. Door positief klinkende reclameboodschappen bijvoorbeeld, die in ons systeem 1 allerlei positieve associaties oproepen en ons rationele denken verschalken….

Wat kan onderwijs hiermee aan? Heel veel, zo blijkt:

1. Veel leerlingen kunnen aan het einde van het secundair onderwijs te weinig het verschil maken tussen objectieve informatie en persuasieve boodschappen zoals reclame en propaganda (zie de periodieke peiling Nederlands). Hun systeem 2-denken (of beter hun systeem 2-lezen) moet beter ontwikkeld worden door hen verschillende boodschappen met mekaar te laten vergelijken, door de bron en de bedoeling van teksten expliciet te bespreken, en door te analyseren hoe reclame en propaganda werken…

2. Veel leerlingen hebben aan het einde van het secundair onderwijs vrij zwart-witte beelden over andere mensen of groepen. Vlaamse leerlingen bengelen achteraan in het Europese peloton als het over tolerantie voor andere culturen gaat. Een onderwijs waarin leerlingen veel met andere mensen of sociale groepen moeten samenwerken (over studierichtingen heen) kan die primaire vooroordelen doorbreken. En wellicht ook het praten en discussiëren over allerlei maatschappelijke thema’s, waarbij leerlingen ook leren met de standpunten van andere leerlingen om te gaan, en die rationeel (eerder dan impulsief-afwijzend) te benaderen. En wellicht ook de confrontatie met getuigenissen van mensen die in een totaal andere situatie zitten of opgroeien.

3. Als systeem 1 en systeem 2 samenwerken, zijn het krachtige bondgenoten. Dan werkt ons brein het meest efficiënt en is het tot de krachtigste vondsten in staat. In het onderwijs zouden leerlingen veel complexe taken moeten uitvoeren, waarbij ze zowel hun systeem 1 (intuïtie, ervaringsgebaseerd handelen) en hun rationele systeem 2 moeten gebruiken. En dan liefst samen met andere leerlingen en de leerkracht. Samenwerkend leren heeft wellicht zo’n sterke impact op leren omdat het ons helpt om uit onze eigen stereotiepe beelden en denkcirkeltjes te breken.

4. Kahneman raadt alle volwassenen die jongeren moeten evalueren aan om dat samen te doen. Zo kan de individuele leerkracht namelijk zijn eigen (intuïtieve) oordeel van leerlingen aftoetsen aan dat van collega’s. Als je Kahnemans boek leest, krijgt de uitdrukking “first impressions never lie” een nieuwe betekenis. Ons systeem 1 bouwt razendsnel een beeld op van iemand die we ontmoeten, en die eerste indruk laat onze geest niet makkelijk meer los. Leerkrachten moeten hun beelden van jongeren (en vooral van jongeren die het moeilijk hebben of sociaal kwetsbaar zijn) aftoetsen aan feiten, en aan de oordelen van andere leerkrachten. Zo kan systeem 2 beter het “versteende” beeld van een leerling doorbreken.

5. Kahneman raadt teams ook aan om samen beleid te voeren en beslissingen te nemen over belangrijke vernieuwingen. Veel individuen zullen eerder weerstand vertonen tegen vernieuwing omdat het hun beeld van de wereld (hun vertrouwde systeem 1-beeld) bedreigt, en daar houden ze niet van. Maar door naar de ideeën van anderen te luisteren, de ervaringen van anderen te delen, kunnen ze soms toch tot een doorbraak in hun denken komen, en toch maar de stap naar vernieuwing en groei zetten. En net zo goed kan het over-optimisme van sommige teamleden getemperd worden door de realiteitszin van andere collega’s.

6. Alle leerlingen zouden moeten weten hoe hun brein werkt. Het kan hen helpen om snelle, emotionele beslissingen te ontmaskeren, snelle vooroordelen te doorprikken, problemen op een rationele manier te benaderen, en vooral…. minder snel harde (en onomkeerbare) oordelen over anderen te vellen. Of over zichzelf.

Veel leesgenot in 2013!

Duurzaam onderwijs… en wat we daarover kunnen leren van Martin Luther King

“Education must enable a man to become more efficient, to achieve with increasing facility the ligitimate goals of his life. Education must also train one for quick, resolute and effective thinking. To think incisively and to think for one’s self is very difficult. We are prone to let our mental life become invaded by legions of half truths, prejudices, and propaganda. At this point, I often wonder whether or not education is fulfilling its purpose. A great majority of the so-called educated people do not think logically and scientifically. Even the press, the classroom, the platform, and the pulpit in many instances do not give us objective and unbiased truths. To save man from the morass of propaganda, in my opinion, is one of the chief aims of education. Education must enable one to sift and weigh evidence, to discern the true from the false, the real from the unreal, and the facts from the fiction.

The function of education, therefore, is to teach one to think intensively and to think critically. But education which stops with efficiency may prove the greatest menace to society. The most dangerous criminal may be the man gifted with reason, but with no morals.

(Martin Luther King, 1947, in een stuk voor het tijdschrift “The Maroon Tiger”)

Goed in wiskunde, slecht in wetenschappen

De kop van de krant “De Standaard”(op 12/12/12)  loog er niet om. Uit de internationale TIMSS-studie blijkt dat de Vlaamse leerlingen van het vierde leerjaar heel goed rekensommen kunnen oplossen, maar veel minder goed zijn in het toepassen van wiskundige kennis bij het oplossen van vraagstukken over aardrijkskunde of natuurkunde.  Professor Van Damme (KU Leuven) spreekt van een duidelijke trend: het Vlaams onderwijs is sterk kennisgericht, maar scoort minder goed als het gaat om het kritisch, creatief, en flexibel toepassen van kennis om levensechte problemen aan te pakken.

Iets gelijkaardigs bespeuren we in de periodieke peilingen taal (basis- en einde secundair onderwijs) en in de PISA-peilingen: voor begrijpend lezen kunnen onze jongeren heel goed vraagjes beantwoorden waarop het antwoord letterlijk in de tekst is terug te vinden, maar scoren ze een pak minder goed als ze informatie uit diverse teksten (of paragrafen) moeten combineren en die gebruiken om allerlei wereldse taken mee uit te voeren. En velen hebben het moeilijk om informatieve en persuasieve boodschappen (zoals reclame) van elkaar te onderscheiden.

Vorig jaar konden we via de media ook al vernemen dat de Vlaamse jongeren, in vergelijking  met andere landen van West-Europa, het meest terughoudend staan tegenover de multiculturele samenleving en tevens laag scoren qua actieve burgerzin.

Is het Vlaams onderwijs een boot aan het missen? De boot van de 21ste eeuw? Hij is los van de kade…. In de Visietekst Duurzaam Onderwijs (zie elders op deze blog) somde ik een aantal competenties op die internationaal naar voor worden geschoven als cruciaal voor de vorming van jonge mensen in de 21ste eeuw. In een notendop:  om hun huidige en toekomstige leven volwaardig te kunnen uitbouwen en om de toekomst van de planeet te verzekeren,  moeten studenten van de 21ste eeuw leren om:

–          kennis toe te passen in diverse contexten: ze moeten met kennis leren werken, spelen, ontwerpen…

–          sociale relaties te doen werken: ze moeten samen leren werken, spelen, ontwerpen, leven…

–          hun verbeelding te doen werken en complexe problemen op een creatieve manier oplossen;

–          technologie voor hen te doen werken: ze moeten technologische toepassingen kritisch, constructief en creatief kunnen aanwenden om hun leven en dat van anderen te verbeteren;

–          verandering te doen werken: eerder dan bang te zijn van verandering, moeten ze leren omgaan met evolutie, nieuwe wendingen, en vernieuwing.

–          hun eigen ‘leer-kracht’ te doen werken:  ze moeten leren leren, en de competenties opbouwen om zich hun hele lang te blijven ontwikkelen.

–          hun leven te doen werken: ze moeten opgroeien tot zelfstandige, rationeel denkende mensen die hun leven in eigen handen kunnen nemen.

Om nog even terug te komen op de kop van de Standaard. Het vak “Wereldoriëntatie” biedt in het basisonderwijs ongekende mogelijkheden om aan de bovenvermelde competenties te beginnen werken. Maar daartoe zijn wel 21ste eeuwse curricula en handboeken nodig, navormingen voor leerkrachten, en inspirerende voorbeelden waarin getoond wordt hoe je kinderen van de basisschool binnen wereldoriëntatie kennis kunt laten gebruiken om ermee te werken, spelen en ontwerpen. Misschien is het ook geen slecht idee om op termijn in elk team van een basisschool een paar leerkrachten met een masterdiploma te hebben. Een masterdiploma Wetenschappen bijvoorbeeld: die zou dan de lessen technologie en wetenschappen op zich kunnen nemen, want daarover zijn heel veel leerkrachten van het basisonderwijs, blijkens de TIMSS-studie, heel erg onzeker. Niet dat we per se de Finse toer moeten opgaan (waar alle leerkrachten een masterdiploma hebben), maar een paar masters in het basisschoolteam kunnen een vernieuwde dynamiek geven aan het vak Wereldoriëntatie, het vak Frans, het taalbeleid, of het algehele schoolbeleid van de school. Het is maar een idee…

Evalueren en leren: een krachtige tandem?

Het is weer examentijd. Leerlingen studeren hun leerstof in, leggen er examen over af, en krijgen aan het einde van de reeks hun resultaten meegedeeld. Leerkrachten krijgen zicht op hoe de verschillende leerlingen het er vanaf brengen. Maar draagt al dat evalueren ook bij tot leren? Binnen duurzaam onderwijs kunnen ‘evalueren’ en ‘leren’ als een krachtige tandem beginnen bollen, als met de volgende inzichten wordt rekening gehouden:

1. Leerlingen leren uit feedback. Dat tonen de meta-analyses van John Hattie over de kracht van onderwijs heel duidelijk aan. Aan leerlingen kan dus best altijd feedback gegeven worden over hun prestatie op een toets of examen. Dat kan op allerlei manieren: de leerling krijgt inzage in de verbeterde versie, de leerling krijgt een kans om zijn fouten zelf te verbeteren (en krijgt daarop feedback), het examen wordt met de hele klas overlopen, de leerkracht en de leerlingen gaan samen na waarom het antwoord op bepaalde vragen fout of onvolledig was…. Fouten en problemen worden dan plots interessanter: ze worden ‘hot spots for learning’. Om het in cijfers uit te drukken: die 67%  voor wiskunde op het rapport is best wel informatief, maar ze wordt pas educatief als voor de leerling duidelijk wordt waar die overige 33% naartoe liep.

2. Leerkrachten leren uit leerlingresultaten. Tijdens examens wordt geëvalueerd of de leerlingen de kennis, vaardigheden en attitudes hebben verworven die tijdens de voorbije periode werden onderwezen. Dus zeggen examens ook veel over de kracht van het aangeboden onderwijs. Leerkrachten kunnen uit de examens van hun leerlingen leren welke inzichten niet of onvoldoende werden verworven, welke vaardigheden extra oefening behoeven, welke leerlingen op welk punt uit de boot vielen… Dat kan leerkrachten helpen om hun onderwijs beter op de noden van de leerlingen af te stemmen, om meer aandacht te besteden aan competenties die blijkbaar moeilijk worden verworven, om complexe leerstof opnieuw (en op een andere manier) uit te leggen, om bepaalde leerlingen extra hulp te geven…

3. Leerlingen worden actief bij de evaluatie betrokken. Leerlingen kunnen mekaar ook evalueren, vooral als ze daarbij nadenken over objectieve criteria voor evaluatie. Als leerlingen bijvoorbeeld samen nadenken over faire en relevante criteria om een informatieve presentatie van andere leerlingen te beoordelen, krijgen ze meer inzicht in de eisen waaraan zo’n presentatie (en dus ook de hunne) moet voldoen, en kunnen ze hun eigen prestatie beter voorbereiden, afwerken…. en zelf evalueren. Dan loopt evalueren bijna naadloos over in leren.

4. De methode van evalueren aanpassen aan het doel en de inhoud ervan. Individuele examens lenen zich zeer goed tot het toetsen van kennis. Maar om te evalueren of leerlingen in groep een complex probleem kunnen oplossen waarbij ze zowel hun technologische, als sociale en talige competenties moeten inzetten, moet naar andere evaluatievormen gezocht worden. Evenzeer bieden andere evaluatievormen (bijvoorbeeld het observeren van leerlingen tijdens het uitvoeren van een taak of het praten met een leerling over die taakuitvoering) veel meer informatie over de motivatie en het welbevinden van de leerlingen, en de strategieën die hij (al dan niet) toepaste. Observatie is dus veel meer geschikt voor het ontleden van een proces: waar gaat het mis? Welke stap slaat de leerling over? Als een leerkracht dat kan vaststellen, kan hij vaak gerichtere hulp bieden dan wanneer hij alleen maar een uitkomst op een blad papier ziet. Ook dan loopt evalueren vaak spontaan over in leren. Leerkrachten doen er dus goed aan om een breed arsenaal van evaluatievormen te gebruiken, zodat ze de informatie krijgen die zij nodig hebben om de leerling in zijn leerproces vooruit te helpen.

5. Evalueren moet zich richten op de kerncompetenties. Gedreven teams die zichzelf zien als leergemeenschappen evalueren regelmatig hun eigen examens. Welke competenties hebben we nu eigenlijk in kaart gebracht? Welke niet? Hebben we voldoende informatie over de cruciale competenties waarvoor wij ons als school engageren? Hebben we de beste methode gebruikt om de kerncompetenties in kaart te brengen? Wat kunnen we leren uit mekaars examens, toetsen, observatietechnieken?

6 Evalueren moet motiveren. Leren drijft op energie. Die energie putten leerlingen uit zelfvertrouwen, voorkennis, interesse, de wil om het goed te doen. Leerkrachten evalueren heel veel, maar de hamvraag is: geeft evaluatie nieuwe energie tot leren? De wijze waarop over de evaluatie wordt gecommuniceerd, speelt daarin een cruciale rol. Is het belangrijk te benadrukken dat de leerling maar 5 op 10 haalde, of dat hij in vergelijking met de vorige week al twee nieuwe inzichten heeft opgebouwd? Is het belangrijk om een punt te geven of om naast de leerling te gaan zitten om samen dat moeilijke vraagstuk nog eens op te lossen? Is het belangrijk te benadrukken dat de groep slechts vier van de vijf opdrachten op het opdrachtenblad invulde of dat ze erin slaagde om een zwaar meningsverschil op een beschaafde en respectvolle manier uit te praten (en daar veel tijd in investeerde)?

Het is examentijd. Tijd om tot de kern van evalueren door te dringen. De kern van evalueren is leerlingen observeren en je als leerkracht afvragen: hoe kan ik deze leerling(en) het best voorthelpen?