In het secundair onderwijs bestaan OKAN-klassen al lang. Anderstalige nieuwkomers volgen er een jaar lang (en sommige nog wat langer) voltijds onderwijs in een aparte onthaalklas, waar ze vooral veel Nederlands trachten te leren. Het beschikbare onderzoek toont aan dat het model geen onverdeeld succes is: de doorstroom van veel ex-anderstalige nieuwkomers naar het reguliere onderwijs verloopt moeizaam, het taalvaardigheidsniveau van veel van hen ligt te laag aan het einde van de OKAN-klas, de lat wordt door sommige OKAN-leraren te laag gehouden, en de leerlingen hebben tijdens het eerste jaar weinig contact met Nederlandstalige leerlingen (van wie ze nochtans veel Nederlands zouden kunnen opsteken).
In het basisonderwijs zijn er nog bijkomende redenen om het idee van een voltijdse OKAN-klas gedurende een lange periode kritisch te benaderen. Ten eerste leren jonge kinderen het vlotst de beginselen van een taal door die taal te horen, en zelf te proberen gebruiken, in heel concrete contexten, bijvoorbeeld terwijl ze spelen, gamen, knutselen, voetballen. In het reguliere curriculum van de lagere school zijn er, veel meer dan in het secundair onderwijs, activiteiten waarin taal sterk is ingebed in dergelijke concrete, visuele contexten. Denk aan lessen muzische vorming (knutselen, koken…), lichamelijke opvoeding, wereldoriëntatie… Het kan dus lonen om de anderstalige nieuwkomers tijdens zulke lessen te integreren in de reguliere klasgroep van leeftijdsgenootjes. Dat heeft het bijkomende voordeel dat de anderstalige nieuwkomers vriendjes kunnen maken, van wie ze (ook tijdens de speeltijd en in de gang) veel Nederlands kunnen oppikken. Sociale integratie komt taalontwikkeling ten goede.
Een jaar lang jonge kinderen afzonderen in een aparte OKAN-taalheldklas lijkt me om die redenen geen goed idee. Beter is het om naar hybride vormen van ondersteuning te zoeken. Bijvoorbeeld, een model waarbij de anderstalige nieuwkomers een paar uur per week, of al naargelang van hun profiel en noden, een paar voormiddagen per week apart worden genomen om gerichte ondersteuning van hun beginnende taalverwerving Nederlands te krijgen, en voor de rest van de week in de reguliere klas mee te draaien. In de beginweken kan het gaan om ‘Nederlands voor beginners’ (de basistaal die leerlingen nodig hebben in een schoolcontext), in latere weken kan de ondersteuning zeer gericht inzetten op preteaching en re-teaching van leerstof die in de reguliere klas tijdens de moeilijker lessen (qua taal) aan bod komt. Een hybride systeem blijkt effectiever te zijn naarmate de ondersteuning in de taalheldklas goed is afgestemd op wat er in het reguliere curriculum gebeurt. Het is ook belangrijk om de ontwikkeling van de betrokken kinderen goed op te volgen, en de kinderen gedifferentieerde ondersteuning te geven: een kind van 10 jaar dat al gealfabetiseerd is (in een andere taal) heeft andere ondersteuningsnoden dan een kind van 8 dat uit een oorlogsgebied komt, de jaren voor aankomst in België geen onderwijs heeft genoten en nog niet gealfabetiseerd is.
Voor alle anderstalige nieuwkomers in het lager onderwijs geldt dat zij het snelst beginnende taalvaardigheid Nederlands verwerven als zij voortdurend worden betrokken in betekenisvolle, mondelinge interacties waarin de leraar de befaamde ‘taalgroeimiddelen’ (Verhallen & Walst, 2001) verwerkt: (a) de leraar biedt een rijk mondeling taalaanbod rond interessante activiteiten, (b) de leraar biedt rijke kansen tot spreken aan alle kinderen, en (c) de leraar geeft constructieve feedback op de taalproductie van de leerlingen en bouwt voort op de productie van de leerlingen door bijkomende verdiepingsvragen te stellen. Van den Branden & Vanbuel (2024) beschrijven 7 evidence-informed principes van sterk taalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het basisonderwijs: (1) Bied AN van in het begin een rijk taalaanbod in het Nederlands aan en maakt dat begrijpelijk in concrete hier-en-nu contexten; (2) Investeer in woordenschatkennis, eerder dan in grammaticakennis; (3) Geef de AN veel spreekkansen, maar wees in het begin mild op het vlak van correctheid van taalproductie; (4) Geef leerlingen veel feedback; (5) Bouw aan een cyclisch curriculum (herhaling werkt); (6) Zorg voor een veilig leerklimaat; (7) Integreer de AN in de reguliere groep.
Dit is overigens geen academisch model. In heel wat gemeenten (inclusief centrumsteden als Gent en Antwerpen) wordt dit hybride model in het basisonderwijs in de praktijk gebracht (zie de link naar het krantenartikel hieronder). De onderwijspraktijk lijkt dus vanuit haar jarenlange ervaring zelf beslist te hebben om het zo aan te pakken, en lijkt vastbesloten om de nieuwe nota rond taalheldklassen voor anderstalige nieuwkomers zo te interpreteren dat ze, volgens hen, het meest oplevert in termen van taalverwerving Nederlands én sociale integratie van de jonge anderstalige nieuwkomers.
Lees ook:
https://www.arts.kuleuven.be/cto/materialen/nieuwkomers/tools-en-tips
Hoofdstuk 45 Wat is krachtig taalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in de basisschool in Van den Branden,K. & Vanbuel, M., (2024). Taal in de basisschool: 75 vragen over taalonderwijs en taalbeleid in het kleuter- en lager onderwijs