Vernieuwing in onderwijs: het 8-stappen-model van John Kotter

“Whatever you do for me but without me, you do against me”, zei Mahatmi Gandhi ooit. Dat geldt wellicht ook voor vernieuwingen in het onderwijs. De uiteindelijke vorm die hervormingen in het onderwijs aannemen, wordt bepaald door de mensen in de praktijk.

Dat is ook zichtbaar in het 8-stappen-model van John Kotter. Op basis van grootschalig onderzoek naar innovaties in bedrijven, stelt hij een model voor de invoering van vernieuwingen in het onderwijs voor, die door de mensen in de praktijk wordt aangedreven en vormgegeven. Volgens Kotter hebben vernieuwingen in het onderwijs meer kans op slagen (en op positieve effecten) als het team het volgende stappenplan volgt.

1. Stel de meest urgente nood vast (“Create a sense of urgency”). Deze eerste stap wordt door teams vaak overgeslagen. Men vliegt in de actie zonder dat men het probleem grondig heeft geanalyseerd. Een vernieuwing start bij het samen vaststellen van de meest urgente nood: wat moet het meest (en het dringendst) in onze school verbeteren opdat onze leerlingen er beter van worden? Van welk probleem liggen we het meest wakker? Als een meerderheid binnen een team een gezamenlijke nood kan identificeren en zich rond de analyse van het probleem kan scharen, wordt een draagvlak voor planmatige en bedachtzame actie gecreëerd.

2. Stel een groep met gewicht samen (“Create the guiding coalition”). Binnen grote teams worden vernieuwingen best aangedreven door een groep die het voortouw neemt. Geen enkel individu kan een vernieuwing alleen dragen: daar zijn meerdere handen, hoofden en harten voor nodig. En veel overleg en gedrevenheid. Een groep met gewicht kan de vernieuwing aandrijven, vooral als zij expertise, ervaring, en draagvlak binnen het team hebben. In een schoolteam kunnen best zowel directieleden als leerkrachten er deel van uitmaken.

3. Ontwikkel een visie op de verandering (“Developing a change vision”). Teams mogen niet onbezonnen te werk gaan bij het invoeren van vernieuwingen. Vanuit de analyse van het urgente probleem kunnen best doelstellingen geformuleerd worden. Wat willen we bereiken bij onze leerlingen? Wat moeten wij daarvoor bereiken op leerkrachtniveau en op schoolniveau? En welke acties kunnen we dan best in welke volgorde nemen? En hoe zullen we evalueren of we met onze acties onze doelstellingen bereiken? Niets van dat alles moet volledig vastliggen bij aanvang, want bijsturingen onderweg zijn absoluut normaal, maar een visie op beter onderwijs, en op het proces van verandering in de eigen schoolcontext, kan het team behoeden voor onbezonnen actie, onnodige extra inspanningen en tijdverlies.

4. Communiceer de visie (“Communicating the vision for buy-in”). Om te bevorderen dat het hele team mee op de boot springt, is het belangrijk dat de visie door de groep met gewicht op een heldere, simpele, en haalbare manier wordt voorgesteld. Geen dure woorden: less is more. Maar wel herhaalde communicatie, via verschillende kanalen, en op mensenmaat. En concreet toegepast op de klas- en schoolpraktijk.

5. Versterk het draagvlak door autonomie en verantwoordelijkheid aan vele teamleden te geven (“Empowering broad-based action”). In deze fase moet de vernieuwing haar weg vinden doorheen het team. De groep met gewicht moet proberen ook andere teamleden in het verhaal te betrekken. Dat kan alleen als ook de andere teamleden vertrouwen krijgen, kansen tot uitproberen, kans tot inspraak, tijd om te leren met vallen en opstaan. Weerstanden zullen ongetwijfeld optreden, maar dat mag het team niet afleiden van het hoger gelegen doel op leerlingniveau. Het is in deze fase van het grootste belang dat teamleden die ondersteuning, feedback en hulp nodig hebben bij het uitproberen van de vernieuwing, die ook kunnen krijgen. Samen leren, en van mekaar leren, is hier de boodschap. Bij vernieuwingen mag er dus absoluut gespiekt worden op school: leerkrachten leren heel veel door naar mekaar te kijken en van mekaar af te kijken. Deze stap hangt ook sterk samen met de volgende.

6. Creëer succeservaringen op korte termijn (“Generating short-term wins”). Het is belangrijk dat de dingen die worden uitgeprobeerd in de klas en die succesvol zijn, gecommuniceerd worden in het hele team. Succes geeft positieve energie aan een leerproces. Het is dan ook belangrijk dat in de visie die werd gecreëerd ook duidelijk is welke verbeteringen (bijvoorbeeld op klasniveau) op korte termijn zichtbaar kunnen worden. In het onderwijs durft het immers een tijd duren (zelfs enkele jaren) vooraleer structurele winst op leerlingniveau echt zichtbaar wordt. Het is daarom belangrijk dat leerkrachten in de tussentijd een goed gevoel blijven houden bij de veranderingen in hun klas, en aan allerlei indicatoren (de leerlingmotivatie, de interactie in de klas, de inrichting van de klas) kunnen merken dat er iets positiefs beweegt in de school.

7. Hou vol (“Never letting up”). Vernieuwingen in onderwijs hebben tijd nodig. Teams moeten wat goed gaat vasthouden, en wat beter gaat volhouden. Teams moeten hun communicatiekanalen gebruiken om mekaar te blijven aanmoedigen en het belang van hun kinderen voorop te blijven stellen. Scholen die na verloop van tijd grotere leerwinst met hun leerlingen boeken, hebben dat gedaan door er samen, structureel en gedurende lange tijd voor te gaan.

8. Institutionaliseer de vernieuwing (“Incorporating changes into the culture”). In de laatste step wordt de vernieuwing een onderdeel van de dagelijkse cultuur op school. Teams passen de vernieuwing op steeds meer domeinen toe, en stellen haar niet meer in twijfel.  Nieuwe teamleden worden uitvoerig geïnformeerd over de cultuur op school. En de leerlingen: die varen er wel bij.

Hoe interessant ook, dit model is niet heilig. Vernieuwing in onderwijs is geen pure wiskunde. Het gaat om mensen die met mekaar in zee gaan en iets beters voor hun leerlingen willen. Stappen kunnen door mekaar lopen. Maar het model geeft wel richting, en kan inspireren, en mensen doen redeneren voor, tijdens en na de vernieuwende, begeesterde actie.

LEESTIP: Een interessant artikel over het model van Kotter toegepast op taalbeleid op school vind je in het tijdschrift Impuls: “Hoe een taalbeleid het beleidsvoerend vermogen van je school kan verhogen” door Martien Berben (Impuls, 43e jaargang, nr 2)

Waarom hebben leerkrachtverwachtingen een invloed op leerprestaties?

Als een leerkracht hoge verwachtingen heeft van bepaalde leerlingen, dan komt dat hun leerprestaties en ontwikkeling ten goede. Omgekeerd hebben lage leerkrachtverwachtingen een negatief effect op leerprestaties. Het onderzoek is op dat vlak eenduidig, maar: hoe werkt dat precies?

Leerkrachtverwachtingen hebben geen rechtstreeks effect op leerprocessen van leerlingen, maar ze werken door via het gedrag van de leerkracht. Een fictief voorbeeld: Leerkracht S heeft lage verwachtingen van leerlingen X en Y. Dan verhoogt de kans dat de volgende dingen kunnen gebeuren:

1. Leerkracht S geeft minder kansen aan X en Y om in de klas aan het woord te komen (in vergelijking met andere leerlingen van wie ze hogere verwachtingen heeft). Daardoor krijgen X en Y minder kansen om actief aan het onderwijsproces deel te nemen, hardop te denken, hun productieve taalvaardigheid te oefenen, te tonen aan de leerkracht wat ze al weten en wat niet, en een deel van de klasgroep te zijn. Leerlingen X en Y kunnen daardoor het gevoel krijgen dat de leerkracht hen minderwaardig, minder slim of minder interessant vindt, en dat gevoel op zichzelf projecteren (op den duur voelen ze zichzelf minderwaardig, minder slim en minder interessant).

2. Leerkracht S geeft X en Y minder kansen om uitgebreid aan het woord te komen: X en Y mogen wel antwoorden op simpele ja/neen-vragen, maar krijgen minder de kans (dan andere leerlingen) om redeneringen op te zetten, over hun eigen ervaringen te vertellen, uitdagende vragen te beantwoorden, hun opinie te verwoorden. Daardoor krijgen X en Y minder kansen om die dingen met taal te leren doen (namelijk hardop redeneren, eigen ervaringen of opinies verwoorden, uitdagende vragen beantwoorden), en krijgen ze minder de kans om via hardop redeneren complexe denkprocessen te leren opzetten, en daarop feedback te krijgen van de leerkracht.

3. Leerkracht S maakt sommige opdrachten voor X en Y gemakkelijker, omdat ze denkt dat de oorspronkelijke opdrachten te moeilijk zijn. In het doctoraat van Verheyden zien we leerkrachten die bij een schrijfopdracht (vertel een verhaal) sommige knappe leerlingen aanmoedigen om hun fantasie de vrije loop te laten, terwijl andere leerlingen steevast te horen krijgen dat ze ‘korte zinnen’ moeten schrijven (omdat langere zinnen volgens de leerkracht vol fouten zullen staan). Maar daardoor kunnen X en Y geremd worden in hun ontwikkeling: als de opdrachten  op het niveau, of zelfs onder het niveau van X en Y komen te liggen, wordt hun ontwikkeling afgeremd en kan ook de intrinsieke motivatie van X en Y afnemen (omdat de taken saaier worden).

4. Als er groepswerk georganiseerd wordt, zet leerkracht S de leerlingen X en Y vaak in niveaugroepjes.  Maar leerlingen X en Y hebben het net veel nodig om in heterogene groepen te kunnen werken, waar ze zich kunnen optrekken aan het voorbeeld, de drive, en de ondersteuning van de sterkere leerlingen. 

5. Als leerlingen opdrachten krijgen, heeft leerkracht S vaak de neiging om bij X en Y vrij snel sturend op te treden, het denkproces voor te kauwen, het initiatief zelf te nemen. Dat doet leerkracht S overigens met de beste bedoelingen: ze wil helpen, modelleren en ondersteunen, maar soms loopt ze (zonder het zelf te beseffen) over een lijn waarbij X en Y te weinig autonomie overhouden om zelf na te denken, te tonen wat ze zelf al kunnen (en waar ze hulp nodig hebben), waardoor X en Y minder zelfsturing en autonomie leren opbouwen.

6. Als leerkracht S de werkjes en toetsen van X en Y verbetert of nakijkt, maakt ze vooral negatieve opmerkingen over fouten of dingen die ontbreken (dat wordt wellicht in de hand gewerkt doordat er in de werkjes van X en Y vaak meer fouten staan). Maar daardoor raken positieve feedback en aanmoediging ondergesneeuwd, en raken X en Y positieve energie kwijt om taken op te pakken, uit te voeren en te tonen aan de leerkracht. 

7. Door het samenspel van bovenstaande factoren, dreigt een vicieuze cirkel te ontstaan. Als X en Y de faalervaringen en gemiste kansen opstapelen, hebben ze op den duur zelf het gevoel dat ze zwakke leerlingen zijn, dat leren moeizaam voor hen verloopt, dat ze vele dingen (vooral de uitdagende, spannende dingen) niet zullen aankunnen. Daardoor loopt de positieve energie-voor-leren langzaam maar zeker uit hun lijf. 

8. In een evaluatiecultuur die leerlingen met mekaar vergelijkt en waarin fouten worden ‘geteld’, dreigen X en Y sneller het etiket ‘zwak’ opgeplakt te krijgen, en dreigt er een focus te liggen op wat ze NIET kunnen en goed doen. Daardoor verhoogt de kans dat ze een jaar moeten zittenblijven (een maatregel die voor vele leerlingen niet effectief blijkt te zijn) of doorverwezen worden naar een onderwijsvorm waarin ze uiteindelijk veel te weinig worden uitgedaagd. 

Leerkrachtverwachtingen kunnen dus op tal van manieren doorwerken in het gedrag van leerkrachten en de interactie tussen leerkracht en leerling beïnvloeden. De bovenstaande processen treden vaak gecombineerd op doorheen de tijd. Zo ontstaat een negatieve spiraal achter de schermen. Omdat het moeilijk is om verwachtingen (die vaak onbewust bij leerkrachten sluimeren) zomaar te veranderen, is het raadzamer om op het gedrag van leerkrachten te focussen. Dat kunnen leerkrachten ook zelf doen: ze kunnen bewuster en rationeler met hun beurtverdeling leren omgaan, bewuster nadenken over welke vragen ze aan wie stellen, welke signalen ze aan wie geven, welke ondersteuning en taken ze aan welke leerlingen aanbieden. Want leerkrachten willen uiteindelijk het beste voor elke leerling: het is daarom van belang dat ze zelf bewust omgaan met de gedragingen en signalen die soms, zonder dat ze dat zelf beseffen, het leren en de ontwikkeling van kwetsbare leerlingen negatief beïnvloeden. En dat is wellicht het laatste wat leerkrachten willen. Zoals Popper het stelt: een cruciale opdracht en verantwoordelijkheid van leerkrachten is geen schade aanbrengen aan leerlingen. 

 

De kracht van interactie (1)

Mijn vrouw geeft Nederlands aan volwassen anderstaligen (NT2). Vandaag had ze in haar les een zeer levendig gesprek over de grote feesten in de culturen van haar cursisten, en over de manier waarop de cursisten die feesten nu in België vieren. De cursisten vertelden honderduit over het Japanse jongens- en meisjesfeest, de ramadan, het suikerfeest, en luisterden gefascineerd naar mekaar. Ze hoorden daarbij van hun lesgever en van de andere cursisten hoe je bepaalde ervaringen en gebeurtenissen in het Nederlands beschrijft en bouwden zo aan de vaardigheid (en het zelfvertrouwen) om straks met andere mensen buiten de klas gewone – maar oh zo boeiende – gesprekken te hebben over iets wat alle mensen graag doen: feesten.

Ik zeg regelmatig tegen lesgevers NT2 (aan wie ik opleidingen en coachings geef) dat ze de kracht van het gewone gesprek niet mogen onderschatten. Vaak wordt zo’n uitwisseling tussen cursisten afgedaan als een introductie voor het echte werk (in de methode) of een gezellig tussendoortje. Maar niets is minder waar. Het gewone gesprek waarin mensen (inclusief de lesgever) ervaringen delen en aan mekaar dingen vertellen die de anderen niet weten, is een van de krachtigste activiteiten die je in een cursus NT2 kunt organiseren. Het is, als ik me niet vergis, een kerndoelstelling van het NT2-onderwijs (mensen leren ervaringen uitwisselen met elkaar en zo sociaal contact te leggen met anderen in hun omgeving). En het is humus voor taalverwerving: in dit soort van boeiende gesprekken zijn cursisten bijzonder alert voor nieuwe woordenschat en nieuwe zinssneden die ze kunnen gebruiken om hun eigen ervaringen te verwoorden of zich in te leven in de fascinerende ervaringen van anderen. Die echte gesprekken helpen mensen tegelijkertijd om de waarde van hun eigen cultuur, maar ook die van anderen te zien en te respecteren. Ze helpen mensen om hun leven in de Vlaamse samenleving met anderen te delen en beter te begrijpen. Het is taalles en zoveel meer… Het is taal gebruiken om banden te smeden met je medecursisten, en daardoor (nog) liever naar de les te komen. Het is met volle overgave en zonder besef van tijd in de klas zitten en datgene leren wat je wil kunnen in de wereld buiten de klas. Soms is datgene wat lesgevers als bijzaak beschouwen, de hoofdzaak. En soms is datgene wat ze als de hoofdzaak van hun les zien, maar luttele bijzaak.

Mijn vrouw was vandaag de les uitgelopen met het gevoel dat ze zelf ontzettend veel had bijgeleerd. Bijvoorbeeld, dat moslims geen alcohol mogen drinken en geen tatoeages mogen zetten omdat de islam de mens aanraadt zijn lichaam niet te schaden. Een lesgever die zelf veel bijleert, dat lijkt me een kenmerk te zijn van duurzaam onderwijs…

Armoede en onderwijs

1 op 10 kinderen in Vlaanderen groeit op in armoede. Volgens Unicef heeft zelfs 1 op 5 kinderen in België een verhoogd armoederisico. Veel van de kinderen die in arme gezinnen opgroeien, leven in (te) krappe huizen met weinig bewegings- en ontspanningsruimte, en zonder een plaats om rustig te studeren. Velen gaan ’s zomers niet op vakantie. Velen vinden moeilijk toegang tot vrijetijdsvoorzieningen, het cultureel aanbod en de bib. Velen groeien op in een huis met weinig boeken en geschreven materiaal. 1 op 5 Belgische gezinnen heeft thuis geen computer of internet. Veel ouders van deze kinderen hebben het zo moeilijk om de eindjes aan mekaar te knopen dat ze weinig tijd overhouden om met de kinderen te spelen en uitgebreid te praten, hen te ondersteunen bij hun schoolwerk, uitstapjes met hen te doen.

Veel kinderen uit kansarme gezinnen doen het niet goed op school. Velen van hen gaan niet graag naar school. Velen worstelen met onzekerheid en een laag zelfbeeld. Ze lopen veel meer kans om zonder diploma het onderwijs te verlaten dan kinderen die opgroeien in kansrijke gezinnen. Dat zijn wrange vaststellingen. Want net voor deze kinderen zou onderwijs uitstekend moeten werken. Voor deze kinderen is onderwijs een cruciale hefboom om het spook van de generatie-armoede te verdrijven. Net deze kinderen zouden in het onderwijs (en dankzij het onderwijs) boven zichzelf moeten kunnen uitstijgen. Onderwijs kan het verschil maken: het kan er mee voor zorgen dat kinderen die opgroeien in arme gezinnen, niet arm moeten BLIJVEN, voor de rest van hun leven.

Voor alle kinderen, maar zeker voor kinderen die in armoede opgroeien, moet onderwijs RIJK zijn. Rijk aan kansen om hun kennis van de wereld uit te breiden. Rijk aan momenten waarop ze succesvol zijn en aan zelfvertrouwen winnen. Rijk aan warme relaties met leerkrachten die in hen geloven, en warme relaties met andere leerlingen. Rijk aan signalen dat ze erbij horen. Rijk aan toegangen naar vrijetijdsbesteding en de bibliotheek. Rijk aan mogelijkheden om op school computers te gebruiken, op het internet te surfen en digitaal geletterd te worden. Rijk aan kansen om volwaardig aan de interactie in de klas te mogen meedoen. Rijk aan ingrepen die pestgedrag voorkomen en bestrijden. Rijk aan informele communicatielijnen met hun ouders. Rijk aan kansen om de competenties die ze WEL hebben opgebouwd in de klas binnen te brengen. Rijk aan kansen om hun talenten en interesses te ontdekken. Rijk aan inspraak, zodat ze zelf kunnen zeggen hoe het onderwijs beter voor hen kan werken. Rijk aan toekomstkansen.

Veel concrete tips voor scholen om met armoede om te gaan vind je via deze link:

http://www.ond.vlaanderen.be/zorgvuldigbestuur/pdf/AntwerpenArmoedeSchool.pdf

Veel informatie en inspiratie voor de lokale strijd tegen armoede vind je ook in de volgende brochure:

Elk kind telt. Informatie en inspiratie voor lokale actoren in hun strijd tegen armoede (auteurs Anneline Geerts, Danielle Dierckx en Lief Vandevoort)

Om met Peter Adriaenssens af te sluiten: een samenleving kan en mag kinderarmoede niet tolereren. En zoals Geert, Dierckx en Vandevoort het in hun brochure stellen: een geïntegreerde aanpak waarbij onderwijs samenwerkt met andere sectoren (zoals welzijn, tewerkstelling, huisvesting…) biedt de meeste kansen op slagen.

Onderwijs: een kwestie van respect. In Memoriam Johan Huybrechts

Ik kan nog steeds niet geloven dat Johan Huybrechts mijn pad niet meer zal kruisen. Johan, de huidige coördinator Leren en Innoveren van de Stad Antwerpen, overleed deze week geheel onverwacht aan de gevolgen van een longembolie. Vanmiddag ben ik tijdens mijn lunchpauze naar de bibliotheek van de faculteit Rechten getrokken om er zijn artikel over het Koning Matthijsje-project in het tijdschrift Welwijs te herlezen. Vanaf de eerste regel herkende ik het sociaal engagement, de gedrevenheid, de innoverende onderwijsideeën en het grote hart van Johan.

Integratie vanuit respect: zo beschrijft Johan in het Welwijs-artikel het ideale integratieproces van minderjarige vluchtelingen die als anderstalige nieuwkomers in ons Vlaams onderwijs terechtkomen. Als vluchtelingenkinderen door iedereen in hun schoolomgeving met respect worden behandeld, zal hun leerproces er wel bij varen. Want integratie is tweerichtingsverkeer: wie wil dat vluchtelingen Nederlands leren, moet met hen praten en naar hen luisteren. Wie wil dat nieuwkomers zich integreren in het klasleven, moet de klasdeuren openzetten en hen volwaardig in het klasgebeuren betrekken. Wie wil dat ouders hun kinderen bij het schoolwerk ondersteunen, moet het schoolgebouw openzetten, lekkere koffie voor de ouders zetten en met hen in gesprek gaan. Wie zo goed mogelijk onderwijs wil geven, kan maar beter luisteren naar wat leerlingen zelf van dat onderwijs vinden en hen de kans geven om eigen suggesties te doen over hoe het nog beter kan. Zo kan onderwijs kinderen die zich vaak klein voelen echt helpen om hun grote dromen te verwezenlijken: om astronaut, chirurg, leraar, of zelfs koning te worden. Koning Matthijsje. Als jij, kleine vluchteling uit Sierra Leone, die zich nu zo onzeker voelt, in onze school terechtkomt, dan zullen wij je behandelen met het respect dat we aan koningen betuigen. Want we hebben veel van jou te leren. En ja, inderdaad, koning zijn is niet eenvoudig: je hebt lastige taken en grote verantwoordelijkheden, en je moet goed kunnen speechen, maar als jij in jezelf gelooft, en wij dienen jou met al ons kunnen en kennen, dan zijn we er zeker van dat je het er prachtig zal van afbrengen.

Als je met Johan praatte, wist je, zag je, hoorde je dat er iemand naar je luisterde, met heel veel respect. Als je met Johan over onderwijs praatte, wist je, zag je, hoorde je dat hij vooral aan de leerlingen dacht die het niet makkelijk hadden. Zijn wakkere ogen lichtten op en die typische Johan-glimlach verscheen breed om zijn lippen als hij kon vertellen over de prachtige dingen die kinderen deden en zeiden. Als hij een sprekende getuige kon zijn van de grootsheid van kleine mensen. Dat voelde ik vanaf het eerste moment dat ik hem leerde kennen op zijn basisschool, lang geleden. Het onderwijs was voor Johan maar goed genoeg als het goed werkte voor elke leerling, ongeacht diens afkomst, verleden en thuistaal. Het onderwijs was maar goed genoeg als het alle leerlingen een goed gevoel gaf. Het onderwijs kon maar goed genoeg worden als leerkrachten en directeurs hun hele leven lang bleven bijleren. Met een open geest. Zonder vooroordelen luisteren naar anderen om bij te leren. En niet alleen naar die expert van de KU Leuven, ook naar die expert-leerling van het tweede leerjaar uit Sierra Leone. Iedereen is koning. 

Leraren en vernieuwing: een kwestie van motivatie?

Leraren zijn ook leerders. Ze proberen voortdurend hun onderwijs te verbeteren. Ze trachten hun onderwijs beter te doen werken voor hun leerlingen of proberen hun band met de leerlingen te versterken.

Vaak wordt tegen leerkrachten gezegd wat ze aan hun praktijk moeten veranderen. Vele vernieuwingen worden hen van ‘bovenaf’ aangeboden. Maar dragen die vernieuwingen bij tot de professionalisering van leerkrachten? Inspireren ze de zoekende leerkracht? Het onderzoek naar vernieuwing in het onderwijs geeft aan dat leraren meer geneigd zijn om vernieuwingen op te nemen als een aantal voorwaarden zijn vervuld. Die voorwaarden vatten we hieronder samen in een overzichtelijke figuur.

 

 

Image

 

Interesse: staat voor de intrinsieke motivatie van leerkrachten om zich te professionaliseren. Een vernieuwing slaat meer aan als ze aansluit bij de zorgen, problemen en vragen van de leerkracht. De leraar moet het gevoel hebben dat de vernieuwing een antwoord is op zijn eigen vragen, in plaats van vragen (en bijhorende) antwoorden opgedrongen te krijgen.

Verbindingen: Leraren die zich professionaliseren, houden er niet van alles overboord te gooien. Ze moeten kunnen behouden wat al goed loopt en nieuwe ideeën daarin kunnen inpassen. Vernieuwingen die echt duurzaam zijn, verlopen meestal geleidelijk in een opeenvolging van kleine stappen, eerder dan met grote revoluties. 

Competentie: de leraar die een nieuw idee verkent of uitprobeert, mag niet het gevoel krijgen dat anderen zijn competentie in vraag stellen. Meer zelfs, de leraar moet sterk het gevoel hebben dat hij dankzij de vernieuwing zijn eigen competentie echt kan uitbreiden. Directies moeten leraren ruimte laten tot uitproberen en experimenteren. Tegelijk moet de zoekende leerkracht ook ergens terecht kunnen als hij vastloopt of met vragen blijft zitten. Zo lopen vernieuwingen vaak beter als een kerngroep binnen het team het voortouw neemt: die kerngroep verzamelt kennis en praktijkervaring, en kan vervolgens andere leerkrachten ondersteunen om hun competentie te verhogen.

– Relatie: Leraren gaan zich sterker professionaliseren als ze dat samen doen: als ze samen met hun collega’s kunnen overleggen, hun collega’s kunnen observeren, hun lessen kunnen nabespreken of samen voorbereiden. Ook de hulp van experts en nascholers is vaak erg welkom: leraren leren erg veel van iemand die hen observeert (of op video opneemt) en nadien met hen reflecteert over de kwaliteit van de les (of bepaalde aspecten ervan). Volgens Michael Fullan ligt de sleutel tot meer onderwijskwaliteit in een verhoogde samenwerking tussen leerkrachten. Schoolteams zouden moeten uitgroeien tot professionele leergemeenschappen. Samenwerkend leren werkt dus niet alleen voor leerlingen.

Autonomie: Toch mag de leerkracht in dat groepsgebeuren niet het gevoel verliezen dat hij controle heeft over zijn eigen proces van professionalisering. Leerkrachten die zich professionaliseren of hun praktijk vernieuwen, moeten zelf kunnen beslissen hoe snel ze daarin willen gaan, welke stappen ze achtereenvolgens willen zetten. Niet alle leerkrachten gaan dus even snel.

Ten slotte: leraren leraren verdienen in hun zoektocht naar professionalisering voldoende ondersteuning. Het is dus maar te hopen dat in het loopbaandebat voldoende aandacht wordt besteed aan de aanvangsbegeleiding van jonge leerkrachten, en het creëren van ruimte voor schoolteams om samen hun professionaliseringsproces in handen te nemen.

 

 

Gezocht: scholen die hun onderwijs duurzamer willen maken…

Tijdens het schooljaar 2013-2014 kunnen schoolteams vorming aanvragen over duurzaam onderwijs: hoe kunnen we in onze school kleine of grote stappen zetten in de richting van duurzamer onderwijs? De vorming, ingericht door het CTO (KU Leuven), kan 2 vormen aannemen:

1. Pedagogische studiedag over duurzaam onderwijs: het schoolteam krijgt een introductie over duurzaam onderwijs, en denkt vervolgens samen na (via speelse werkvormen) met welke kleine of grote acties het onderwijs in hun school duurzamer kan worden. (duur: 3 uur)

2. Mini-traject over duurzaam onderwijs: Een schoolteam vaardigt 1 of 2 vertegenwoordigers af. Zo creëren we een groep van 7 scholen in dezelfde regio. De deelnemers (max. dus 14) komen 3 maal samen, gespreid over een schooljaar (eenmaal per trimester). De deelnemers denken na over hoe ze het onderwijs op hun school duurzamer kunnen maken, en proberen concrete ideeën uit in hun school. Zij brengen hun ervaringen mee naar de volgende bijeenkomst. Op het einde van de derde bijeenkomst beschikken alle deelnemers over een resem concrete ideeën (die uitgeprobeerd zijn) om het onderwijs duurzamer te maken op de eigen school.

Geïnteresseerd? Stuur een mail naar kris.vandenbranden@arts.kuleuven.be (voor meer informatie of concrete afspraken) of naar mie.sterckx@arts.kuleuven.be

 

Huiswerk: kan het ook anders?

Scholen geven aan leerlingen huiswerk om allerlei redenen: om de leerlingen de kans te geven bepaalde vaardigheden nog eens te oefenen, om nieuwe kennis te doen instuderen, om leerlingen een gedisciplineerde studiehouding te doen ontwikkelen…  Maar huiswerk kan nog andere functies hebben. Ik geef hieronder eerst een aantal concrete voorbeelden, en bespreek dan de ‘duurzame’ principes die erachter zitten:

– De leerlingen berekenen thuis de oppervlakte van een deur, een tafelblad, het bord waaruit ze eten, het plafond van hun woonkamer en brengen de uitkomsten mee naar de klas.

– De leerlingen interviewen hun grootouders om erachter te komen hoe die de Tweede Wereldoorlog hebben ervaren, en brengen daarover verslag uit in de klas.

– De leerlingen bedenken in viertallen een ander einde van een kortverhaal dat ze hebben gelezen, en nemen een gedramatiseerde versie van hun nieuwe einde op video op.

– De leerlingen krijgen de opdracht om thuis 3 eenvoudige proefjes te doen rond luchtdruk (ze krijgen de instructies mee naar huis) en een verklaring te bedenken voor de uitkomsten. Die verklaring mailen ze door naar de leerkracht, die de hypotheses van de leerlingen als startpunt gebruikt van de volgende les.

– De leerlingen lopen tijdens het weekend in groepjes van 4 door het centrum van hun gemeente en maken foto’s van een restant uit de 19de, 18de, 17de, en de 16e eeuw. De foto’s kunnen nadien gebruikt worden in een fotozoektocht. De leerlingen schrijven bij elk van de foto’s ook een stukje duiding: wat is er precies te zien? Die duiding kan bijvoorbeeld  gevoegd worden bij de oplossingen van de fotozoektocht, maar kan ook de aanleiding vormen van een boeiende historische analyse van de schoolomgeving.

– Als achter de hoek van de school een gigantische put wordt gegraven voor een nieuwe ondergrondse parkeergarage, dan trachten de leerlingen thuis een methode te bedenken om te berekenen hoeveel vrachtwagens er nodig zijn om de grond uit de put te vervoeren.

– De leerlingen voeren in hun buurt een enquête uit onder buurtbewoners of winkeliers (bv. over de verkeerscirculatie), analyseren de resultaten, en brengen daarover verslag uit in de klas.

Leren is verbinden. In deze “huiswerken” wordt dan ook doelbewust naar verbindingen gezocht: verbindingen tussen concrete ervaringen van de leerlingen en abstracte inzichten. Verbindingen tussen berekeningen en hun concrete toepassingen. Verbindingen tussen eigen ervaringen van de leerlingen (of hun ouders) en geschiedkundige kaders. Verbindingen tussen thuiswereld en schoolwereld. Verbindingen tussen leerlingen, ouders,  buurtbewoners en leerkrachten. Verbindingen tussen de creatieve ideeën van de leerlingen en academische schoolinhouden. Schoolse kennis wordt toegepast in de buitenschoolse wereld, en komt zo echt tot leven. Buitenschoolse toepassingen en ervaringen worden in de klas uitgediept. En zo wordt nieuwe kennis veel duurzamer – via veel meer verbindingen – verankerd in het brein van de leerlingen.

Als een schoolteam huiswerk gebruikt om dergelijke verbindingen te leggen, kan het van huiswerk een ware troef maken. Dan ervaren leerlingen huiswerk wellicht als zinvol werk, en krijgen ze er positieve energie voor leren door. Dan wordt huiswerk veel meer dan extra  oefentijd of extra tijd om nieuwe stof in je hoofd te proppen. Dan is huiswerk niet alleen een kwestie van kwantiteit, maar vooral een kwestie van meer kwaliteit. Meer kwaliteitsvol leren. Duurzamer leren.

Leerlingen motiveren: hoe?

Leren drijft voor een groot gedeelte op motivatie. Motivatie maakt positieve energie voor leeractiviteiten los. Hoe kan die motivatie aangewakkerd worden? Wetenschappelijk onderzoek en toonaangevende motivatie-theorieën (zoals de zelfdeterminatie-theorie van Deci en Ryan) leiden ons naar 4 cruciale hefbomen om motivatie bij leerlingen aan te wakkeren:

Image

– Interesse: staat voor de intrinsieke interesse van leerlingen. Leerlingen worden gemotiveerd als ze het gevoel hebben dat ze iets zinvols zullen leren, iets waarmee ze hun leven kunnen verbeteren, iets wat ze graag willen weten of kunnen, iets dat hen sterker maakt in het leven. De leertaak mag dus best uitdagend zijn, als ze maar intrinsieke interesse oplevert.

– Competentie: leerlingen krijgen meer energie voor leren als ze het gevoel hebben dat ze de uitdagende taak zullen aankunnen (al was het met de hulp van anderen). Het helpt ook als anderen (bijvoorbeeld de leerkracht) een hoog vertrouwen hebben, en uitspreken, in de competentie en ‘leer-kracht’ van de leerlingen. Als leerlingen daarentegen te horen krijgen, of voelen, dat ze iets niet goed kunnen, gaan positieve energie en motivatie verloren.

 Relatie: leerlingen leren veel dingen om erbij te horen, om positieve relaties aan te gaan met mensen die ze belangrijk vinden. Leerlingen leren buiten de school taalregisters, games, sporten… om erbij te horen. Ook op school is het belangrijk dat leerlingen via de dingen die ze leren een positieve relatie opbouwen met andere leerlingen en met de leerkracht. Als de leerkracht hen respecteert, naar hen luistert, hen au serieux neemt, met hen kan lachen, een warme band smeedt, dan zullen leerlingen sterker gemotiveerd zijn om leeractiviteiten aan te gaan met de leerkracht, en voor de leerkracht. Als leerlingen tijdens groepswerken een goede band met andere leerlingen kunnen verstevigen, zullen ze meer energie in de leertaak investeren.

– Autonomie: Leerlingen worden sterk gemotiveerd door het gevoel dat ze autonomer zullen worden, meer controle opbouwen, iets uiteindelijk zelfstandig zullen kunnen doen. Ze worden gemotiveerd door het feit dat een bepaalde leertaak steeds beter gaat. Ze worden gemotiveerd als ze zelf keuzes kunnen maken in hun leerproces, als ze ondersteuning krijgen als dat nodig is, maar geen onnodige ondersteuning of betutteling als dat niet nodig is.

Positieve energie voor leren vrijmaken is cruciaal binnen duurzaam onderwijs. Want energie is dé natuurlijke brandstof voor duurzame leerprocessen.

Waarom instructietaal zo moeilijk kan zijn…

In het lager onderwijs leren kinderen over de kringloop van het water. U ziet het plaatje wellicht voor uw ogen verschijnen. Water verdampt, stijgt op, komt in koudere luchtlagen terecht, waardoor de damp condenseert en regen neervalt op de aarde.  Uit dit voorbeeld kunnen we leren dat instructietaal moeilijk is omdat we op school iets moeilijks met taal doen: we gebruiken taal om achter de schermen van de werkelijkheid te kijken. We proberen de mechanismen te beschrijven die aan de basis liggen van concrete ervaringen en fenomenen. We gebruiken taal om uit te leggen hoe een molecule is opgebouwd, hoe magnetisme en plooiveren werken, hoe je een staartdeling kan maken, en wat de kenmerken zijn van feodale systemen en neo-liberale economieën. We komen los van concrete staartdelingen, molecules of plooiveren, want wat we zeggen geldt voor alle staartdelingen, molecules of plooiveren.

“Het verschil tussen twee natuurlijke getallen is het getal dat bij het tweede opgeteld, het eerste als som oplevert.”

Deze definitie komt uit een handboek wiskunde van het eerste jaar secundair onderwijs. Alhoewel mijn dochters in het basisonderwijs honderden keren het verschil tussen 2 getallen hadden berekend, kregen ze het tijdens de eerste week van het secundair onderwijs behoorlijk moeilijk met deze definitie. Hier kijken ze immers achter de schermen van al die concrete berekeningen: er wordt beschreven wat elk van die berekeningen gemeenschappelijk heeft. De definitie is dus “gedecontextualiseerd” (ontdaan van een concrete context).  Het taalgebruik wordt daardoor onpersoonlijk, abstract, en we hebben ook speciale termen nodig (“condensatie”, “luchtlagen”) om tot precieze beschrijvingen te komen.

Om gedecontextualiseerde mechanismen te beschrijven, moeten we vaak ook ingewikkelde verbanden verwoorden:

Als water dat is verdampt en opgestegen, in koudere luchtlagen terechtkomt, zal de damp afkoelen en condenseren, met als gevolg dat waterdruppels onder invloed van de zwaartekracht neervallen en het begint te regenen.

Instructietaal is dus niet alleen gedecontextualiseerd, ze is ook cognitief veeleisend: je moet vaak een  aantal denkstappen zetten in je hoofd om echt tot de betekenis van de uitspraken door te dringen.

Het verschil tussen instructietaal op school (soms ook “schooltaal” genoemd) en de taal die leerlingen thuis spreken (“thuistaal”) is dus aanzienlijk. Thuis spreken we meestal gecontextualiseerd (“Jens, het regent, doe je jas aan…”) en doseren we onze denkstappen. Volgens Baker heb je ongeveer 2 jaar nodig om van een vreemde taal de thuistaal-versie onder de knie te krijgen, en 5 tot 8 jaar om de schooltaalversie te leren. Kinderen die thuis in het Nederlands zijn opgevoed, kunnen het op school dus ook behoorlijk lastig krijgen met de Nederlandse schooltaal.

Volgens de meeste pedagogen moeten we schooltaal niet uit de school bannen; we moeten haar ook niet nodeloos vereenvoudigen. Leerlingen moeten immers met gedecontextualiseerde en cognitief veeleisende taal leren omgaan, want dergelijke taal wordt in veel lagen van de maatschappij, op de arbeidsmarkt en in de media gebruikt. Iedereen moet voldoende “schools geletterd” zijn voor hij/zij het leerplichtonderwijs verlaat.

Maar dat betekent wel dat leerkrachten voldoende bewust met instructietaal moeten omgaan. Ze moeten hun leerlingen van opstapjes voorzien om schooltaal  te begrijpen. Twee opstapjes liggen alvast voor de hand: thuistaal en context. Met thuistaal bedoel ik dat leerlingen eerst in hun concrete, alledaagse taal proberen te verwoorden hoe (ze denken dat) regen ontstaat. Als ze dat samen doen, kunnen ze mekaar daarin aanvullen. Op die alledaagse thuistaal-interactie kan de leerkracht dan de moeilijkere, wetenschappelijke taal enten. Context betekent dat leerlingen eerst leren aan de hand van concrete ervaringen en voorbeelden (een verdampingsproefje), en dan onder begeleiding van de leerkracht doorschuiven naar het gedecontextualiseerde. Ze proberen een plooiveer correct aan te brengen en leren daaruit heel veel over hoe plooiveren in het algemeen werken. Zo ontstaan VERBINDINGEN tussen ervaring en kennis, tussen thuistaal en schooltaal. Het is geen toeval dat context en interactie sleutelkenmerken van “taalgericht vakonderwijs”.

Zo, ik zet een punt achter dit bericht, want ik moet nog naar de winkel. Het regent, dus ik zal mijn paraplu maar meenemen.