Thuistaal niet Nederlands? Hoe ga je daarmee om in het basisonderwijs?

1 op 6 leerlingen in het Vlaams onderwijs heeft niet het Nederlands als moedertaal. Hoe ga je daar als Nederlandstalige basisschool het best mee om? De volgende onderzoeksgebaseerde principes kunnen helpen.

  1. Een rijk en interessant taalaanbod voedt de taalverwerving Nederlands: Vanaf het kleuteronderwijs zijn kinderen sterk gebaat bij een intensief taalaanbod dat de hele schooldag aansluit bij de acties die zijzelf ondernemen en interessant vinden. Kleuterleidsters en leraren basisonderwijs doen er dus goed aan voortdurend te “ver-talen” wat zijzelf doen en wat hun leerlingen doen, en daarover gesprekken aan te knopen. Knutsel-, spel- en bewegingsactiviteiten zijn (in kleuter- én lager onderwijs) bijzonder geschikt voor taalverwerving, tenminste als ze worden uitgebuit voor het benoemen en bespreken van waar de kinderen (graag, geboeid en actief) mee bezig zijn. Een rijk taalaanbod betekent ook dat de leraar taalaanbod aanbiedt dat complexer is dan de taal die de leerlingen produceren en dat woorden en uitdrukkingen in veel gevarieerde contexten terugkomen. Herhaling voedt taalverwerving.
  2. Maak taalaanbod toegankelijk en concreet: Kinderen kunnen enkel de woorden en uitdrukkingen verwerven waaraan ze betekenis kunnen geven. Nieuwe woorden moeten ze kunnen verbinden worden met concrete voorwerpen, handelingen, illustraties of woorden die ze al kennen. Als het in de lessen wereldoriëntatie gaat over magneten, laat leerlingen dan eerst concreet met magneten experimenteren en hecht je (abstracte) uitleg en nieuwe termen vast aan die concrete handelingen.
  3. Geef alle kinderen rijke kansen op taalproductie, en geef hen feedback: Om vlot en vloeiend een taal te leren spreken, moeten kinderen veel kansen krijgen om te spreken. Daarbij gaat het liefst niet alleen om korte antwoorden op vragen van de leraar, maar om kansen om uitgebreid een verhaal, idee of mening uit de doeken te doen. Schoolteams kunnen dus best zoeken naar werkvormen en presentatievormen die kinderen uitdagen om uitgebreid het woord te nemen. Laat hen ook veelvuldig allerlei berichten en boodschappen schrijven, en geef hen feedback op inhoud en vorm. Kinderen worden niet zomaar betere schrijvers door te schrijven. Feedback voedt taalverwerving, maar mag het competentiegevoel en zelfbeeld van leerlingen niet naar beneden halen. Feedback werkt het best als die komt op een moment dat de leerling er nog iets mee kan doen, taakgericht is, concreet en duidelijk.
  4. Taalleren drijft op socio-emotionele factoren: Kinderen steken meer energie in het leren en gebruiken van een taal als ze rond die taal positieve gevoelens kunnen opbouwen. Een taal die een kind helpt om echt bij een groep te horen en in die groep waardering te krijgen, geeft energie-om-te-leren. Een taal gebruiken die je nog aan het leren bent, doe je ook makkelijker in een veilig klimaat, waar fouten niet worden afgestraft, luisteraars echt geïnteresseerd zijn in wat je hebt te vertellen en ze je helpen als je niet goed uit je woorden geraakt.
  5. Investeer in leesbevordering: Er is een sterke relatie tussen lezen in de vrije tijd, taalontwikkeling en schoolsucces. Schoolteams doen er dus goed aan om leerlingen op allerlei manieren te stimuleren om veel te lezen. Het maakt daarbij niet uit of om het kinderboeken, prentenboeken, strips, non-fictie of tijdschriften gaat: als kinderen maar lezen. Maak lezen plezierig en gezellig in de klas, investeer in klasbibliotheken en bib-bezoek, gun kinderen een uurtje vrij lezen op school, laat kinderen leuke dingen doen met boeken, beschouw lezen-voor-plezier als een van de beste huiswerken die een kind kan krijgen….
  6. Ga respectvol om met de moedertaal van de leerlingen: Het welbevinden van kinderen op school stijgt als schoolteams op een positieve manier met de thuistalen van de leerlingen omgaan. Dat kan op allerlei manieren: door die talen toe te laten op de speelplaats, door liedjes in die talen te zingen, door kinderen toe te laten af en toe in de eigen moedertaal te overleggen, door hen te stimuleren ook in hun thuistalen te lezen….
  7. Ga bewust om met stereotypen: Dé anderstalige leerling bestaat niet. De talige werkelijkheid in Vlaanderen is heel genuanceerd. Zo toont onderzoek dat veel niet-Nederlandstalige leerlingen in Vlaamse scholen (ook) naar Nederlandstalige tv-programma’s kijken en ook Nederlands thuis gebruiken. Velen onder hen praten Nederlands met hun zussen en broers. Ga dus bewust om met lage verwachtingen: veel niet-Nederlandstalige leerlingen doen het goed in ons onderwijs. De meeste niet-Nederlandstalige leerlingen verwerven het Nederlands tot op een zeer hoog niveau. Straal geloof en vertrouwen in hun taalleervermogen uit.
  8. Geef extra ondersteuning daar waar nodig: Van in het kleuteronderwijs moeten leraren bewust met hun beurtverdeling omgaan: onderzoek toont aan dat leerlingen die assertiever en mondiger zijn, meer kansen krijgen om te spreken in de klas. Leraren moeten dus heel bewust ervoor zorgen dat wie minder assertief is, ook volop aan de beurt kan komen. Geef in het eerste en tweede leerjaar extra aandacht aan leerlingen die trager leren technisch lezen. Geef in de klas extra ondersteuning aan leerlingen bij wie het taalleren trager verloopt. Laat in heterogene groepen de taalsterkere leerlingen de taalzwakkere leerlingen helpen. Organiseer samen met gemeentediensten en vrijetijdsbestedingen toffe activiteiten op woensdagnamiddag en tijdens de vakanties zodat leerlingen ook daar hun talenkennis, en kennis van het Nederlands kunnen ontwikkelen.
  9. Taal de hele dag! Beschouw elke activiteit die boeiend en uitdagend is voor kinderen als een unieke kans tot taalleren. Taalverwerving stimuleren kan uiteraard in de taallessen, maar zeker ook in lessen wereldoriëntatie, muzische vorming, lichamelijke opvoeding en wiskunde, tijdens spelmomenten, dans en muziek….

Live & Learn: levenslessen voor levenslang groeien

Wat leren jongeren uit het beroepsonderwijs van een dansworkshop op hun school? Heel wat meer dan clevere danspasjes, zo blijkt uit een video van de “Live & Learn” serie van het Europese EPALE-platform.

https://ec.europa.eu/epale/en/blog/learn-new-steps-live-learn-stories-adult-education

In dit filmpje staat Gloria centraal, een lerares lichamelijke opvoeding in een school voor beroepssecundair onderwijs in Spanje. Ze overwon borstkanker en geeft nu haar eigen passie voor dans en beweging aan haar leerlingen door. In het filmpje geeft ze duurzame levenslessen mee over levenslang leren:

  • Een school voedt niet alleen de cognitieve ontwikkeling van leerlingen, maar hun hele persoonlijkheidsontwikkeling en groei naar een eigen identiteit.
  • Samen aan een gezamenlijk project werken geeft immens veel energie-voor-leren en immens veel voldoening.
  • Leren vraagt motivatie en inzet, het gaat niet vanzelf.
  • Dans, beweging en sport zijn heel goed geschikt om jongeren allerlei sociale vaardigheden te doen ontwikkelen. Ze kunnen jongeren helpen om hun problemen even te vergeten, maar ook om met die problemen te leren omgaan.
  • Dans draait om verbondenheid en samenwerken: het helpt jongeren om met anderen een groep te leren vormen en samen een project tot een goed einde te brengen.
  • Onderwijs moet jongeren de kans geven om het beste in zichzelf boven te halen en trots te zijn op zichzelf.
  • Scholen moeten inclusief leren denken: alle leerlingen de kans geven om te participeren en te excelleren.
  • Leren drijft op passie: het onderwijs moet jongeren leren te ontdekken wat hen passioneert, en kansen geven om die passies in groei om te zetten.
  • In een dans- of sportproject kunnen jongeren veel waardevolle attitudes en competenties ontwikkelen die in de competitieve samenleving van belang zijn: doorzettingsvermogen, samen werken met anderen, streven naar afwerking, stiptheid, solidariteit, inclusief denken….

Meer lezen?

https://ec.europa.eu/epale/nl

Welke zijn de duurzame ontwikkelingsdoelen voor onderwijs van de Verenigde Naties?

Een jaar geleden, op 25 september 2015, verbonden de lidstaten van de Verenigde Naties zich ertoe om tegen 2030 een aantal concrete doelstellingen rond duurzame ontwikkeling te behalen. Deze doelstellingen moeten ertoe bijdragen dat tegen 2030 veel meer mensen een welvarend leven kunnen leiden, de armoede uit de wereld verdwijnt en het leven op deze planeet wordt beschermd. Voor het thema “onderwijs” leidde dat tot de volgende concrete doelstellingen en verbintenissen:

  • In 2030 moeten alle jongens en meisjes gratis toegang hebben tot kwalitatief hoogstaand onderwijs en gelijke onderwijskansen hebben om relevante competenties te verwerven.
  • In 2030 moeten alle jongens en meisjes toegang hebben tot kwalitatief hoogstaand kleuteronderwijs, voorschoolse opvang en kinderopvang zodat ze goed voorbereid aan het lager onderwijs kunnen beginnen.
  • In 2030 moeten mannen en vrouwen gelijke toegang hebben tot betaalbaar technisch, beroeps- en hoger onderwijs (inclusief universitaire studies).
  • In 2030 moet een substantieel hoger aantal jongeren en volwassenen relevante 21ste-eeuwse competenties hebben verworven, met inbegrip van technische en beroepscompetenties die vereist zijn voor goede kansen op werkgelegenheid, een deftige baan en ondernemerschap.
  • In 2030 moet er gendergelijkheid heersen in het onderwijs en moeten kwetsbare leerlingen (inclusief mensen met beperkingen, minderheden en kinderen in kwetsbare situaties) gelijke toegang hebben tot alle niveaus van het onderwijs.
  • In 2030 moeten alle jongeren en een substantieel deel van de volwassen bevolking voldoende hoge niveaus van geletterdheid en gecijferdheid hebben behaald.
  • In 2030 moeten alle leerlingen de kennis en vaardigheden bezitten om duurzame ontwikkeling te bevorderen en moeten ze onderwijs hebben gekregen rond duurzame leefgewoonten, mensenrechten, de gelijkheid tussen man en vrouw, de bevordering van een cultuur van vrede en geweldloosheid, globaal burgerschap, een positieve houding ten opzichte van culturele diversiteit, en de bijdrage van cultuur tot duurzame ontwikkeling.
  • De onderwijsfaciliteiten die inspelen op de behoeften van kinderen en mensen met beperkingen moeten verder uitgebouwd worden, alsook de zorg voor veilige, geweldloze, inclusieve en effectieve onderwijsomgevingen voor alle leerlingen.
  • In 2020 moet het aantal beurzen voor studenten uit ontwikkelingslanden (met name uit de minst ontwikkelde landen) substantieel verhogen, zodat zij zich kunnen inschrijven in het hoger onderwijs en kunnen deelnemen aan opleidingen rond informatie- en communicatietechnologie, aan technische, wetenschappelijke en ingenieursopleidingen in de ontwikkelingslanden zelf en in meer welvarende landen.
  • In 2030 moet het aantal gekwalificeerde leerkrachten substantieel verhogen, met inbegrip van het aantal leerkrachten in ontwikkelingslanden (bv. via internationale samenwerkingsverbanden).

Zeer nobele en ambitieuze doelstellingen, waarvoor beslist een doorgedreven en intensief onderwijsbeleid nodig is, alsook een verhoogde investering in de professionalisering van onze leerkrachten. Ontwikkelt de Vlaamse regering dat ambitieuze geletterdheids-, onderwijs-, en gelijkeonderwijskansenbeleid voor 2020?

Meer lezen?

http://www.un.org/sustainabledevelopment/education/

 

Nog meer eindtermen of eigentijdse kerndoelen?

Dit opiniestuk verscheen vandaag in de krant De Standaard:

Begin september gaven 17.000 scholieren in het “Scholierenrapport” een duidelijk signaal: de échte hervorming van het secundair onderwijs gaat niet over structuren, maar over inhoud. Ons onderwijs moet eigentijdser en levensechter worden. Jongeren willen zich dankzij onderwijs ontwikkelen tot weerbare, kritisch denkende mensen die met zelfvertrouwen de uitdagingen van de moderne samenleving aankunnen. Het Vlaams parlement en de regering mogen dit najaar de historische kans dus niet missen om de eindtermen beter af te stemmen op de maatschappelijke realiteit van vandaag.

Regering en parlement kunnen dus maar beter uitkijken voor de valkuilen die zich bij de nakende herziening van de eindtermen aandienen. De eerste valkuil betreft het “stapelprincipe”. De makkelijkste manier om eindtermen te actualiseren is om een aantal nieuwe toe te voegen aan de reeds bestaande lijst. Burgerschapscompetenties? Voegen we nog even toe aan de 900 eindtermen die we al hebben… Het resultaat van al dat stapelen laat zich raden: leerkrachten krijgen steeds meer het gevoel dat hun programma, leerplan en methodes overladen, ja zelfs onhaalbaar worden. En daarvan zijn ook de leerlingen de dupe: hoe meer leerstof er moet worden behandeld, hoe minder leerlingen echt leren. Leraren hebben immers de tijd en ruimte niet meer om leerlingen tot echt begrip, diepgaande verwerking en creatieve toepassing van echt relevante kennis te brengen; ze hebben ook de ruimte niet meer om meer ondersteuning te bieden aan jongeren bij wie het leerproces minder vlot verloopt of meer uitdaging aan wie die nodig heeft. Kwantiteit nekt kwaliteit.

De tweede valkuil heet “door het bos de bomen niet meer zien”. Het huidige bos eindtermen wordt door veel leraren en directies als ondoorzichtig en weinig transparant ervaren. Het is onvoldoende duidelijk wat primeert. De meeste eindtermen zijn bovendien 25 jaar oud en werden geschreven  voor digitalisering en globalisering ons leven drastisch hertekenden. De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) adviseerde de Vlaamse regering daarom om te streven naar een beperkte, eigentijdse set van kerndoelen rond de sleutelcompetenties die voor jongeren in de 21ste eeuw cruciaal zijn. Ook de 17.000 scholieren pleiten daar sterk voor. Zij willen primaire aandacht voor competenties die in de hedendaagse maatschappij onontbeerlijk zijn geworden: leren omgaan met sociale diversiteit en moderne technologie, creatief leren denken, leren omgaan met stress en verandering in een hyperactieve omgeving, hun eigen identiteit en talenten ontwikkelen…  Eindtermen uitvaardigen is kleur bekennen. De scholieren vragen met aandrang dat de nieuwe eindtermen de kleuren aannemen van het echte, hedendaagse leven. Zij willen zinvol, eigentijds onderwijs. Ja, ze willen kennis opdoen, maar dan wel kennis die hen echt helpt om sterker in het leven van vandaag en morgen te staan.

De derde valkuil heeft te maken met de afdwingbaarheid van de eindtermen. Als eindtermen duidelijk aangeven welk minimumniveau elke leerling moet halen, dan kan dat leraren en directies aanjagen om in alle studierichtingen de lat voldoende hoog voor iedereen te blijven leggen. En dat is in bepaalde gevallen broodnodig. Bijvoorbeeld, van functionele geletterdheid (de vaardigheid om met geschreven en numerieke informatie om te gaan) toont onderzoek aan dat wie als 18-jarige niet een minimumniveau beheerst, meer kans maakt op werkloosheid. Voor dergelijke cruciale eindtermen is het aangewezen dat de overheid voldoende streng is in het bepalen van de minimumnorm en het controleren van scholen op het nastreven en bereiken ervan. Boven dat minimumniveau kunnen eindtermen uiteraard differentiatie qua verdieping en verbreding toelaten.

De allergrootste valkuil schuilt wellicht in de combinatie van de vorige drie: de regering stapelt zonder te kiezen en dwingt te weinig af. Dat is bijvoorbeeld mogelijk als het debat in parlement en regering over de actualisering van de eindtermen uitdraait op een kleurloos compromis waarbij de geit en de kool worden gespaard om iedereen een beetje tevreden te houden. Daar wordt uiteindelijk niemand beter van. De opdracht van scholen bestaat erin om aan alle jongeren maximale kansen te bieden om de beste versie van zichzelf te worden en goed voorbereid te zijn op het echte leven na het leerplichtonderwijs. Scholen worden in die opdracht sterk ondersteund als de overheid concreet omschrijft wat jongeren zeker op school moeten leren. Het valt dus maar te verhopen dat de Vlaamse parlements- en regeringsleden dit najaar evenveel voeling met de hedendaagse samenleving en evenveel lef vertonen als de Vlaamse Scholierenkoepel met de publicatie van hun erg volwassen Scholierenrapport.

Inburgeren en digitale geletterdheid ontwikkelen: 2 vliegen in 1 klik?

Om nieuwkomers te helpen bij hun integratie in de Vlaamse samenleving, krijgen ze in een inburgeringstraject onder andere lessen Nederlands als tweede taal en maatschappelijke oriëntatie. De Vlaamse samenleving wordt echter steeds digitaler: de overheidsdiensten gaan “radicaal digitaal”  en allerhande dienstverlening, communicatie en informatieverstrekking verloopt steeds meer via digitale applicaties. Veel van de nieuwkomers zijn laaggeletterd en hebben een relatief lage digitale geletterdheid: dat kan hun kansen op integratie en werk verkleinen. Het HIVA en Centrum voor Taal en Onderwijs (beide KU Leuven) gingen daarom in een onderzoek na in welke mate de digitale geletterdheid van nieuwkomers kan worden bevorderd binnen hun inburgeringstrajecten.

Dat kan, zo blijkt, en dan vooral als er rekening wordt gehouden met de volgende bevindingen en aanbevelingen:

  1. Stem ondersteuning rond digitale geletterdheid af op de persoonlijke noden van inburgeraars: “De” laaggeletterde bestaat niet, “de” inburgeraar ook niet. Wat inburgeraars al kunnen met digitale media, en wat ze ermee willen (of moeten) leren doen, verschilt erg sterk van persoon tot persoon. Algemene cursussen dreigen dus weinig zoden aan de dijk te zetten. Ondersteuning heeft meer effect als ze rechtstreeks aansluit bij de specifieke noden en behoeften van individuele inburgeraars, en vertrekt van toestellen en applicaties die de individuele inburgeraar al kent.
  2. Werk geïntegreerd, en bied praktijkgerichte ondersteuning in authentieke contexten: Tijdens het inburgeringstraject komt de nieuwkomer in tal van authentieke situaties terecht waarin digitale geletterdheid van toepassing is. Die situaties moeten maximaal gebruikt worden om tegelijkertijd de integratie en digitale geletterdheid van de nieuwkomer te bevorderen. Vanuit levensechte, concrete situaties als de weg zoeken, de bus leren nemen en werk zoeken kan de nieuwkomer leren om met de digitale tools te leren omgaan die daarvoor bruikbaar zijn. Dat werkt voor de nieuwkomer het meest motiverend.
  3. Gebruik de moedertaal van de nieuwkomer: Net zoals binnen de cursussen Maatschappelijke Oriëntatie kan de moedertaal van inburgeraars (of een internationale contacttaal) worden gebruikt om ICT-toepassingen toe te lichten of ondersteuning te bieden.
  4. Bouw toegankelijke en laagdrempelige ondersteuningsnetwerken uit: Binnen een inburgeringstraject is de tijd beperkt. Het is daarom van belang dat buiten dat traject ook andere ondersteuningsnetwerken voor nieuwkomers worden uitgebouwd. Een mooi voorbeeld zijn de Webpunten in Antwerpen. Het moet bij voorkeur gaan om punten waar de nieuwkomers elkaar makkelijk kunnen ontmoeten en waar ze hun digitale geletterdheid samen verder kunnen ontwikkelen. Ook gratis internet in openbare bibliotheken kan dit bijvoorbeeld bevorderen.
  5. Voorzie expert-ondersteuners: Heel wat digitale toepassingen zijn moeilijk voor laaggeletterde nieuwkomers. De nieuwkomers moeten voor praktische aspecten van digitale toepassingen (opstarten, wat doen bij vastlopen, foutmeldingen) en inhoudelijke begeleiding kunnen rekenen op een lesgever of vrijwilliger die hen wegwijs maakt, helpt bij problemen, demonstreert, feedback geeft, en dergelijke. Gemeentelijke overheden moeten hier hun verantwoordelijkheid opnemen. Zo stelde de stad Antwerpen een expert e-inclusie aan die lesgevers NT2 en Maatschappelijke Oriëntatie coaching geeft rond de digitale geletterdheidsnoden van nieuwkomers.
  6. Het moet van twee kanten komen: De ervaringen van laaggeletterde nieuwkomers tonen dat heel wat digitale toepassingen nodeloos complex worden gemaakt. Zo moet een gebruiker zich voor veel toepassingen eerst registreren met een e-mailadres en een paswoord. Dat vormt op zich al een mogelijke drempel voor laaggeletterden. Makkelijkere alternatieven om in te loggen (bv. via telefoonnummer, profiel op sociale media of WhatsApp) moeten overwogen worden. Jobsites bevatten vaak overvloedig veel informatie en te weinig richtingaanwijzers; andere sites gebruiken onnodig moeilijke taal of hebben een complexe interface. Met andere woorden, ook de ontvangende maatschappij moet haar steentje bijdragen tot een vlot gebruik van haar digitale toepassingen.
  7. Creëer veilige oefenomgevingen: Er zouden meer oefensites moeten komen waarop nieuwkomers en laaggeletterden veilig kunnen oefenen. Die zouden maximaal op de echte sites moeten lijken. Een interessant idee is een “digitale stad in de school” op te richten waarbij de nieuwkomers kunnen oefenen op simulaties van de sites als die van de Lijn en de NMBS of van parkeer- en betaalautomaten.

Meer lezen?

op-zoek-naar-een-inburgeringstraject-dat-klikt_eind

Is spelling het grootste probleem van jongeren als ze schrijven?

We beschikken over steeds meer data over de schrijfvaardigheid van de Vlaamse 18-jarigen. Niet alleen de periodieke peilingen aan het einde van het secundair onderwijs, maar ook de taalvaardigheidstoetsen die aan het begin van hogeschool- en universiteitsopleidingen van bachelor 1-studenten worden afgenomen, spreken boekdelen. De Nederlandse Taalunie zorgde voor een mooi syntheserapport. En wat blijkt? Veel van onze jongeren zijn matige schrijvers, en spelling is niet het allergrootste zorgenkind.

Wellicht het grootste probleem hebben jongeren met een heldere tekstopbouw. Vooral bij het schrijven van zakelijke, informatieve verslagen, teksten en samenvattingen hebben jongeren het moeilijk met het logisch ordenen van de informatie, het expliciet markeren van hun tekststructuur (bijvoorbeeld met goed gekozen signaalwoorden) en het logisch doen opeenvolgen van tekstgedeelten.

Een tweede groot probleem betreft registerkeuze. Dat manifesteert zich in woordkeuze en het respecteren van genreconventies. Jongeren hanteren soms een te informele stijl als ze wat formeler moeten schrijven, of worden net hyper-formeel als ze doorhebben dat ze wat formeler of beleefder moeten klinken. Hun woordkeuze is vaak te weinig precies en te weinig aangepast aan het onderwerp waarover ze het hebben.

Tegen een correcte spelling zondigen veel leerlingen ook, maar globaal gesproken minder dan velen denken. Wellicht vallen spellingfouten meer op omdat ze maatschappelijk meer ergernis opwekken (vooral in Vlaanderen, minder in Nederland). Er zijn echter duidelijke aanwijzingen dat als leerlingen echt focussen op spellingcorrectheid ze het vrij tot zeer behoorlijk doen. Er is dus eerder een probleem met hun spellingattitude: ze gaan soms te nonchalant om met spellingcorrectheid, lezen hun draft onvoldoende na op spellingfouten, of zijn zich zelfs te weinig bewust dat voor een bepaalde tekst spelling belangrijk is. Bonset suggereerde een aantal jaren geleden dat binnen een effectieve spellingaanpak in het secundair onderwijs (a) de jongeren zich vooral bewust moeten worden van het belang van een correcte spelling in bepaalde situaties, (b) systematisch moeten aangezet worden om hun drafts op spelling, register en tekstopbouw na te lezen en te reviseren, (c) het recht moeten krijgen om hulpmiddelen te gebruiken (bv. woordenboeken en spellingcontroles), en (d) desgevallend opfrissingslessen moeten krijgen over veel voorkomende spellingregels.

In de 21ste eeuw is helder schrijven een sleutelvaardigheid in tal van studies en beroepstakken. Bouwen aan schrijfvaardigheid is dus een opdracht voor alle leraren in alle studierichtingen. Om te werken aan die vaardigheid hebben we een 21ste-eeuwse schrijfdidactiek nodig die studenten veel aan het schrijven zet, hen veel diverse soorten teksten (met uiteenlopende genrevereisten) doet schrijven, hen daarbij procesgericht begeleidt (door het geven van goede feedback), en hen bewust doet nadenken over de aspecten van hun teksten die nog niet helemaal op punt staan. En wat dat laatste betreft, dat houdt dus meer in dan het puntje op de i en de “d” of “t” achter een bepaalde werkwoordsvorm…

Meer lezen?

rapport_nederlands_in_het_hoger_onderwijs_0

 

Waarom willen we leren?

Mensen worden geboren met een aangeboren drang om te leren. Ze willen hun grenzen verleggen, onbekende stukjes wereld verkennen en nieuwe kennis verwerven. Waarom? Wat drijft ons toch om energie te investeren in het leren van nieuwe, en soms moeilijke, dingen?

Het meest voor de hand liggende antwoord is dit: we leren nieuwe dingen omdat we daardoor allerlei persoonlijke behoeften beter kunnen vervullen. We leren omdat we zo doelen kunnen bereiken die we belangrijk vinden. We leren skypen om contact te houden met familieleden in het buitenland, we leren een plafond schilderen om onze woning op te knappen, we lezen over voeding om gezond te blijven… Mensen hebben doelen en het zijn die doelen die leerprocessen voortstuwen. Het zijn die doelen die mensen energie-voor-leren geven.

Ook al zijn de doelen die ons tot leren aanzetten erg divers, toch hebben de meeste mensen gemeenschappelijk dat hun intrinsieke leermotivatie wordt versterkt door de basisbehoefte om sociale relaties aan te knopen en te onderhouden. We leren allerlei dingen om bij een groep te behoren, bij voorkeur een groep waarin we gewaardeerd worden. Jongeren pikken allerlei woorden op en leren sms-spelling om bij een groep te horen en te tonen dat ze mee zijn. Leren om erbij te horen zit in ons genetisch materiaal verankerd.

Soms kunnen we door iets nieuws te leren verschillende doelen tegelijkertijd vervullen. Sommige jongeren leren een moeilijk game tot op een hoog niveau spelen om zo hun eigen status te verhogen, bij een groep (van mede-gamers) te horen en daarin gewaardeerd te worden, én tegelijkertijd het spook van de verveling tegen te gaan. Doelen die we intrinsiek waardevol vinden om diverse redenen, en die mits wat moeite en ondersteuning haalbaar lijken, geven ons extra veel energie-om-te leren.

En dan is er nog de kick van het leren zelf. Volgens Lawrence en Nohria leren we niet alleen om er allerlei behoeften mee te vervullen, maar ook om het plezier van het leren zelf. Iets nieuws ontdekken, een puzzel of een mysterie oplossen, een nieuw inzicht opdoen, iets voor de eerste keer zelfstandig doen dat we voorheen enkel met ondersteuning van anderen konden: het geeft ons een kick. In ons brein komen chemische stoffen vrij die ons een goed gevoel geven telkens we onze competentie uitbreiden en beter in iets worden. De kick van het leren zet ons aan om nog te leren. Door succesvolle leerervaringen wordt onze energie-om-te-leren hernieuwd.

Zo komen we naadloos bij een van de grootste uitdagingen van het onderwijs: de energie-voor-leren van elke leerling voeden en hernieuwen. Elke leerling zou aan het einde van zijn/haar onderwijsloopbaan even leergierig moeten zijn als op de dag dat hij/zij het kleuteronderwijs binnenstapte. Elke leerling zou evenveel geloof in de eigen “leer-kracht” moeten hebben als toen. Elke leerling zou evenveel zin en veel meer leerstrategieën moeten bezitten om de eigen grenzen levenslang te blijven verleggen. Om dat te bevorderen, zullen schoolteams bewust moeten omgaan met de factoren die ons energiepeil-voor-leren sterk beïnvloeden: Wordt er in het onderwijs ingespeeld op doelen die de leerlingen intrinsiek motiverend vinden? Krijgen de leerlingen een zekere autonomie om mee te bepalen hoe en wat ze leren? Krijgen de leerlingen persoonlijke ondersteuning als het leren wat moeilijker gaat? Mogen ze echt bij de groep horen? Mogen ze tijdens het leerproces fouten maken en worden ze daarvoor niet meteen afgestraft? Worden ze ondersteund om te blijven geloven in hun eigen leer-kracht? Draait het onderwijs primair om leren of om presteren? Om groeien of om punten?

 

 

17.000 scholieren spreken: wat willen ze leren op school (en hoe)?

Verplicht leesvoer voor alle leerkrachten in Vlaanderen, als je het mij vraagt. Liefst 17.000 scholieren uit alle onderwijsvormen en studierichtingen deden mee aan het debat over de actualisering van de eindtermen en presenteren hun bevindingen in het Scholierenrapport. Wat opvalt in hun rapport is dat het “wat” (wat willen de scholieren zeker leren op school?) doordesemd wordt met uitspraken over het “hoe” (hoe denken ze dat het best te kunnen leren?). De 17.000 scholieren verdienen het om au sérieux genomen te worden: zij zijn immers ervaringsdeskundigen, ze ondervinden dagelijks aan den lijve welk soort onderwijs het best voor hen werkt en ze hebben een verdomd goed zicht op wat voor hun ontwikkeling en hun leven in de 21ste eeuw van cruciaal belang is. Ze clusterden hun aanbevelingen in 6 categorieën.

  1. Gezond en wel

Wat? Scholieren willen leren hoe ze gezond(er) kunnen leven. Ze willen kritisch en goed geïnformeerd kunnen oordelen over voedings- en leefgewoonten. Ze willen kennismaken met diverse sporten en manieren om in beweging te blijven. Ze willen leren hoe ze verslavingen kunnen weerstaan en verslaan.

Hoe? De scholieren willen leren aan de hand van concrete ervaringen die ze zelf meemaken (bv. de pepdrankjes die ze zelf drinken) en vanuit positieve voorbeelden (bv. een gezonde middaglunch op school). Ze willen kennis opdoen, maar dan wel bij voorkeur tijdens lessen die vertrekken vanuit hun concrete vragen en dagelijkse bekommernissen. Ze willen échte inspraak hebben in het gezondheidsbeleid op hun school. Ze willen op een prettige, positieve en niet-prestatiegerichte manier kennismaken met tal van sporten.

  1. Mentaal in evenwicht

Wat? Scholieren willen leren hoe je kan omgaan met stress en faalangst. Ze willen leren hoe je mentaal gezond kan blijven en je weerbaarheid kunt verhogen. Ze willen meer inzicht opbouwen in leerstoornissen en beter begrijpen waarom sommige leerlingen extra zorg behoeven.

Hoe? Scholieren willen een open klassfeer waarin er zonder taboes over gevoelens en problemen kan gepraat worden. Ze willen de aanhoudende prestatiedruk omlaag en willen af van de schoolse obsessie voor punten. Het accent moet verlegd worden van presteren naar leren. Fouten maken moet kunnen, meer zelfs, in het onderwijs moet je kunnen leren uit fouten en mislukkingen.

  1. Eigen kracht

Wat? Scholieren willen hun eigen sterktes leren ontdekken en ontwikkelen. Ze willen hun eigen levenspad leren uitstippelen. Ze willen hun creativiteit ontwikkelen en hun eigen identiteit via kunst en cultuur leren uiten.

Hoe? “Keuzes, keuzes, keuzes”: scholieren willen meer eigen keuzes maken in het curriculum. Ze willen af van een onderwijssysteem waarin alle leerlingen gedwongen worden om hetzelfde programma te volgen; ze willen meer keuzevakken en -activiteiten rond de competenties die hen sterk interesseren en waar ze goed in zijn. Onderwijs moet ook meer gedifferentieerd inspelen op wat leerlingen al kunnen of buiten de school hebben geleerd. Er moet meer aandacht voor kunst, cultuur en creativiteit in alle vakken komen: stimuleer leerlingen om te proeven van diverse kunst- en cultuuruitingen, en laat hen op creatieve wijze uiting geven aan hun eigen identiteit.

  1. Klaar voor het leven na het middelbaar

Wat? Scholieren willen leren hoe ze op eigen benen kunnen staan. Ze willen competenties ontwikkelen die hen wapenen voor het echte leven buiten de school. Ze willen leren zorgen voor zichzelf en voor anderen. Ze willen EHBO-vaardigheden opdoen, een belastingbrief leren invullen, een rijbewijs halen, leren omgaan met administratie. Ze willen zelfstandig leren beslissingen nemen. Ze willen financiële verantwoordelijkheid ontwikkelen en prijsbewust leren consumeren. Ze willen via het talenonderwijs vooral leren communiceren met echte mensen in de echte wereld. Ze willen kritisch en efficiënt leren omgaan met moderne technologie en informatie. Ze willen leren hoe je een job vindt.

Hoe? Leraren moeten het nut van leerstof voor het echte leven duidelijker maken. Ze moeten de leerstof vaker ophangen aan ervaringen en competenties die voor scholieren echt nuttig zijn. Scholieren willen leren vanuit concrete toepassingen en levensechte ervaringen. Scholen moeten ook investeren in goede computerapparatuur en ze moeten moderne technologie (inclusief smartphones) integreren in het onderwijs- en studieproces. Ook al is ICT geen doel op zich, het zorgt voor variatie in het onderwijsaanbod en kan de interesse van leerlingen verhogen. Scholieren willen de realiteit van de buitenwereld en van de werkvloer meer aan den lijve meemaken, bijvoorbeeld via buitenschoolse stages en opdrachten.

  1. Verbonden met elkaar

Wat? Scholieren willen leren hoe je met sociale diversiteit omgaat. Ze willen wederzijds respect, beleefdheid en communicatieve vaardigheden ontwikkelen. Ze willen meer leren over seksualiteit, relaties en romantiek. Ze willen ook leren hoe ze daarbij grenzen kunnen stellen en hun eigen veiligheid bewaken.

Hoe? Om scholieren respectvol te leren zijn, moet de school zelf respectvol met leerlingen omgaan. Leerlingen moeten zich veilig voelen op school. Om hun sociale competenties te ontwikkelen, vragen scholieren meer activiteiten die hen met leerlingen uit andere klassen, scholen en studierichtingen in contact doen komen. De nadruk moet ook hier liggen op het leren vanuit concrete situaties die zich voordoen op school of in het echte leven, eerder dan op theoretische lessen. Ze willen vanuit concrete, positieve voorbeelden en een open debat leren wat er mogelijk is en bestaat op het vlak van relaties, samenlevingsvormen en seksualiteit.

  1. Met beide voeten in de wereld

Wat? Leerlingen willen zich ontwikkelen tot goed ontwikkelde en kritische wereldburgers. Ze willen kritisch leren denken om een onderbouwde mening op te bouwen. Ze willen in dialoog leren gaan met anderen. Ze willen inzicht opbouwen in andere culturen, religies, meningen en andere zienswijzen echt leren begrijpen. Ze willen leren hoe ze met de hedendaagse vermenging van culturen kunnen omgaan. Ze willen ook competenties opbouwen op economisch en politiek vlak: hoe je eigen budget beheren, hoe je politieke mening vormen, hoe een onderneming opstarten? Scholieren willen de school verlaten als actieve burgers die kunnen meedraaien in de samenleving; ze willen ook leren hoe je reeds op school kan participeren aan de besluitvoering en het schoolbeleid.

Hoe? Scholieren moeten tijdens de lessen meer ruimte krijgen om te filosoferen, zelf vragen te stellen en stil te staan bij de zin van het leven. Ze moeten in een open, veilig klimaat de kans krijgen om hun mening te uiten en die bij te stellen. Ze moeten op school actief de kans krijgen om mee te beslissen en inspraak krijgen, zodat ze al doende hun burgerschapcompetenties kunnen ontwikkelen. Aandacht voor diversiteit moet het hele curriculum en het hele schooljaar doordringen en mag niet beperkt blijven tot één themadag. Leerlingen willen meer activiteiten uitvoeren met leerlingen van andere studierichtingen (op dezelfde school). Ze willen niet de les gelezen krijgen over waarden en normen, maar zelf aan het denken gezet worden in activiteiten rond levensbeschouwing. Leerlingen willen actief nadenken en overleggen over hoe bepaalde wereldproblemen aangepakt kunnen worden: de lessen mogen niet beperkt blijven tot louter informatie-overdracht. In dit verband verdient het sterke aanbeveling om de leerstof op school in alle vakken veel vaker te verbinden met de actualiteit buiten de school.

Het was al duidelijk, en het wordt dankzij dit rapport zo mogelijk nog duidelijker: we staan op een scharnierpunt. De scholieren hebben hun verantwoordelijkheid genomen en een sterk signaal gegeven. Ze willen een eigentijds onderwijs dat hen helpt om hun eigen leven in handen te nemen en met de uitdagingen van de 21ste-eeuwse samenleving te leren omgaan. Of zoals zij het zelf zeggen:

“Leerlingen en leerkrachten merken dat het onderwijs achterop hinkt en dat het anders moet en kan. Het risico om volledig passé te zijn en de trein te missen is te groot. Tijd om in actie te schieten dus en een frisse en moderne wind door ons onderwijs te laten waaien” (Scholierenrapport, 2016, p. 11)

 

Het volledige Scholierenrapport lezen?

7 frisse voornemens voor het nieuwe schooljaar

Duizenden leraren staan met opgeladen batterijen klaar om het nieuwe schooljaar aan te vatten. Voor allen onder hen die de ambitie hebben om dit schooljaar nog effectiever, eigentijdser en duurzamer onderwijs aan hun leerlingen aan te bieden, kunnen de volgende 7 ideeën inspiratie bieden.

  1. Breng de buitenwereld nog wat vaker de klas binnen

Bouw je les nog wat vaker op vanuit een actueel nieuwsitem of een gebeurtenis in de buurt. Of nodig eens een expert, ervaringsdeskundige, beoefenaar van een bepaald beroep, rolmodel of afgestudeerde uit in de klas en laat de leerlingen met die persoon in gesprek gaan. Op die manier kunnen leerlingen ervaren dat het onderwijs in de klas gaat over het echte leven buiten de school, kunnen ze zich optrekken aan bepaalde rolmodellen, en/of kunnen ze schoolse kennis toetsen aan levenservaring. Bovendien wekken andere stemmen en andere bronnen vaak nieuwe interesse.

  1. Gebruik moderne technologie nog vaker om je onderwijs aanschouwelijker te maken

Abstracte kennis kan maar door leerlingen begrepen en verworven worden als ze die kunnen verbinden met concrete manifestaties die ze (her)kennen. Gebruik de rijkdom van moderne technologie om concrete illustraties van abstracte principes te tonen. Een tip voor leraren die ermee worstelen om een complex en saai onderwerp op een duidelijke manier over te brengen: Zoek een Youtube-filmpje of een stuk van een reportage waarin via beeld, geluid en tekst het moeilijke onderwerp wordt toegelicht. Het is zelfs geen ramp dat in het filmpje bepaalde informatie oppervlakkig of foutief wordt weergegeven. Dat kan immers de basis vormen voor een boeiende les waarin de leerlingen samen met de leraar de betrouwbaarheid van de informatie in het filmpje controleren. Op die manier ontwikkelen de leerlingen tegelijkertijd vakkennis en mediawijsheid.

  1. Doorbreek wat vaker de grenzen van je vak

Leerlingen kunnen maar echt een diepgaand inzicht in (bijvoorbeeld) de oorzaken en gevolgen van migratiegolven verwerven als ze economische, aardrijkskundige, historische en sociale inzichten met mekaar verbinden. Het onderwijs wordt rijker en eigentijdser als de grenzen van de vakken worden doorbroken en kennis van verschillende vakken met mekaar wordt verbonden. Probeer dit schooljaar eens een mini-project op te zetten waarbij je een eigen vakles verbindt met een les van een ander vak (of twee andere vakken) over hetzelfde onderwerp. Of experimenteer eens wat vaker met co-teaching, waarbij leerkrachten van diverse vakken samen mini-projectonderwijs geven. Creëer eens een taalzone, waarin je de les Nederlands, Frans en Engels meteen op mekaar laat volgen, en drie achtereenvolgende lessen rond één thema uitwerkt. En kies dan bij voorkeur voor een thema dat de leerlingen echt beroert en bezighoudt. Globaliseer je onderwijs: laat kennis over de grenzen van vakken heen vloeien.

  1. Werk nog wat vaker met groepswerk

Er is niets mis met een goed georganiseerd, interactief onderwijsleergesprek. Maar effectief onderwijs wordt volgens onderzoekers gekenmerkt door een variatie aan werkvormen. Geef je leerlingen dus nog vaker de kans om in duo’s of groepen te werken. Groepswerk kan sommige leerlingen die zich onzeker voelen tijdens klassikale momenten kansen bieden om actief te participeren en uit hun schulp te komen. Tijdens groepswerk kunnen leerlingen ook leren om met sociale diversiteit om te gaan en rekening te houden met anderen. Tijdens groepswerk kunnen leerlingen mekaar helpen en uitleg verschaffen. Tijdens groepswerk kunnen alle leerlingen actief aan de slag, en kunnen meerdere leerlingen tegelijkertijd aan het woord. Groepswerken en klassikale werkvormen zijn sterk complementair.

  1. Besteed extra zorg aan de feedback die je bij een toets of huiswerk aan de leerlingen geeft

Feedback is cruciaal voor effectief leren. Feedback voedt duurzame leerontwikkeling. Het leereffect van toetsen en huiswerken is voor een groot gedeelte afhankelijk van de feedback die leerlingen krijgen. Dat kan best feedback zijn die verder gaat dan “goed” of “fout”, of dan “goed gedaan”, maar die leerlingen helpt om in te zien waarom iets goed of fout is, hoe ze uit hun fouten kunnen leren,  hoe ze hun prestatie kunnen verbeteren. Probeer voor een toets met beperkte feedback eens extra na te denken over meer effectieve feedback. Geef de leerlingen ook eens wat vaker een punt na de feedback: laat hen een eerste versie van een toets, taak of huiswerk inleveren, geef hen daarop feedback waarmee ze hun werk nog kunnen verbeteren, en geef pas op de finale versie punten. Met duidelijke criteria kunnen ook leerlingen mekaar feedback en punten geven: zo bouwen zij bewuster inzicht in die criteria op, en het scheelt correctiewerk voor jou als leerkracht.

  1. Geef je leerlingen wat vaker autonomie en medezeggenschap

Introduceer het onderwerp van de les, maar laat je leerlingen de vragen bepalen die zij over dat onderwerp beantwoord willen zien. Als je je les aan de hand van die vragen opbouwt, is de kans groot dat de intrinsieke interesse van veel leerlingen verhoogt. Geef leerlingen eens wat vaker de kans om mee te bepalen welke werkvorm de meest geschikte is, of in welke volgorde ze een reeks oefeningen zullen maken. Autonomie en medezeggenschap verhogen de motivatie van leerlingen, en bieden hen ook kansen om te leren met die autonomie om te gaan en daarbij rekening te houden met de mening van anderen.

  1. Actualiseer je curriculum: integreer de sleutelcompetenties in je vakonderwijs

Kijk naar het lijstje van de 21ste-eeuwse sleutelcompetenties hieronder, en probeer eens wat vaker een (of meerdere) van die sleutelcompetenties in je vaklessen te integreren. Daarvoor moet je niet altijd spectaculaire ingrepen doen, maar eerder bewust bedenken hoe je iets meer ruimte voor die sleutelcompetenties in bepaalde fasen van je les kunt creëren. Je vakonderwijs zal er krachtiger en eigentijdser door worden, en zal vooral je leerlingen meer kansen bieden de competenties te verwerven die er in de 21ste eeuw écht toe doen:

taal en informatie doen werken: kritisch en effectief leren omgaan met informatie en daarover helder communiceren;

kennis doen werken: kennis toepassen om problemen op te lossen in authentieke situaties;

verbeelding doen werken: creatief leren denken;

moderne technologie doen werken: mediawijs, effectief en kritisch omgaan met moderne technologie;

sociale relaties doen werken: respectvol en constructief leren omgaan met sociale diversiteit;

verandering doen werken: leren omgaan met plotse wendingen en veranderingen;

je leer-kracht doen werken: leerstrategieên voor levenslang leren ontwikkelen en het geloof in je leervermogen behouden;

je eigen leven doen werken: opgroeien tot een zelfstandig denkend wezen dat autonoom beslissingen kan nemen en voor zichzelf kan zorgen;

het leven op deze planeet doen werken: een bijdrage leveren tot een betere wereld om ons heen.

 

Meer lezen?

Kris Van den Branden (2015). Onderwijs voor de 21ste eeuw: een boek voor leerkrachten en ouders. Leuven: ACCO.

Kwaliteit van interactie in de klas: 3 cruciale parameters

De kwaliteit van de interactie tussen leerkracht en leerling is van doorslaggevend belang voor de ontwikkeling van de leerling. Op basis van jarenlang, uitgebreid onderzoek in klassen van het basis- en secundair onderwijs kwamen Robert Pianta en zijn collega’s tot de conclusie dat de kenmerken van rijke, leerbevorderende interactie tussen leerkracht en leerling kunnen worden ondergebracht in 3 grote categorieën:

Social and Emotional Support: In welke mate bevordert de leerkracht het socio-emotioneel welbevinden van de leerlingen en een positief sociaal klimaat in de klas?

Organizational and Management Support: In welke mate zorgt de leerkracht voor een vlotte en effectieve organisatie van het klasgebeuren?

Instructional Support: In welke mate ondersteunt de leerkracht de leerlingen in het actief verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden en het ontwikkelen van hoger-orde-denkvaardigheden?

Voor de eerste categorie, Social and Emotional Support,  leiden de volgende kenmerken van interactie tot verhoogde leerwinst:

Class climate:  In effectieve klassen hecht de leerkracht veel belang aan een positief klasklimaat waarin leerlingen en leerkrachten respectvol met elkaar omgaan. De leerkracht zorgt ervoor dat de leerlingen het leren prettig vinden en dat de leerlingen goed opschieten met elkaar.

–  Teacher sensitivity: De leerkracht speelt veel in op de vragen, interesses en zorgen van de leerlingen. De leerkracht past zijn ondersteuning aan de noden van specifieke leerlingen aan.

Regard for student perspectives: De leerlingen krijgen veel kansen om zelf keuzes te maken, beslissingen te nemen en autonomie op te bouwen. De leerkracht maakt de inhoud van de lessen relevant en bruikbaar voor de leerlingen. De leerkracht respecteert de mening van de leerlingen, en geeft de leerlingen veel kansen om mekaar in interactie te gaan.

Voor de tweede categorie, Organizational and Management Support, zijn de volgende kenmerken van groot belang voor het bevorderen van leerwinst:

Behavior management: De leerkracht hanteert heldere regels voor het klashouden en maakt er duidelijke afspraken met de leerlingen over. De leerkracht past de regels consistent en fair toe. De leerkracht tracht op een positieve manier storend gedrag te voorkomen.

Productivity: In een productieve klas gaat weinig tijd verloren aan zaken die weinig met de kern van leren hebben te maken (bv. administratie, doelloos wachten…). Groepswerk wordt vlot georganiseerd aan de hand van heldere instructies.

Strategies for engaging students: In effectieve klassen gebruikt de leerkracht een variatie aan werkvormen en zet de leerlingen actief aan het werk. De leerlingen krijgen kansen om op diverse manieren te leren. De leerkracht zoekt naar manieren om de leerlingen veel kansen te geven om actief te participeren aan de klasinteractie.

Voor de derde categorie, Instructional Support, zijn de volgende kenmerken van groot belang voor het verhogen van de leerwinst:

Strategies that foster content knowledge: De leerkracht hecht er veel belang aan dat de leerlingen niet zomaar losse feiten kunnen reproduceren, maar belangrijke feiten, concepten en verbanden echt begrijpen.

Strategies that foster analysis and reasoning skills: In effectieve klassen worden leerlingen veelvuldig aangezet om zelf redeneringen op te zetten, verbanden te zoeken en verwoorden,  probleemoplossend te denken, vragen te stellen en hypotheses te onderzoeken.

Strategies that foster the knowledge of procedures and skills:  In effectieve klassen doen leerkrachten veel moeite om procedures (zoals wiskundige bewerkingen of de stappen in een schrijfproces) helder uit te leggen en met veel voorbeelden te verduidelijken. Leerkrachten geven de leerlingen veel kansen om die procedures al doende onder de knie te krijgen. Ze zorgen voor gedifferentieerde ondersteuning als de leerlingen bewerkingen inoefenen en bouwen die ondersteuning geleidelijk af.

Quality of feedback: Leerlingen leren het meest als ze systematisch feedback op hun werk krijgen. Effectieve feedback gaat verder dan “juist of fout”, of “goed gedaan”. Het is feedback die de leerling helpt om fouten te begrijpen en eruit te leren, hun werk te verbeteren, te begrijpen waarom iets goed of fout is, en het proces van een taakuitvoering beter te doorgronden. Feedback komt bij voorkeur op een moment dat de leerling er iets mee kan doen.

Instructional dialogue: In effectieve klassen ondersteunt de leerkracht tijdens alle vakken de taalontwikkeling van de leerlingen. Hij geeft de leerlingen de kans om hun denken hardop te verwoorden en speelt daar met zijn feedback op in. De leerkracht herformuleert de uitingen van de leerlingen in rijkere verwoordingen, stelt vervolgvragen en benoemt acties van leerlingen. De leerkracht biedt een rijk taalaanbod, stelt gevarieerde vragen en geeft de leerlingen veel gevarieerde kansen om nieuwe woordenschat te verwerven.

De lijst van interactiekenmerken van dit Pianta-raamwerk vertoont erg veel overeenkomsten met andere gelijkaardige, onderzoeksgebaseerde raamwerken voor krachtige interactie in de klas (bijvoorbeeld de 7C’s, het PLATO-raamwerk van Pamela Grossman of het raamwerk van Charlotte Danielson – zie hierover andere berichten op deze blog). Dat in deze raamwerken steeds dezelfde factoren bovenkomen, toont aan dat die factoren wel degelijk een robuuste relatie hebben met leerwinst, en dus duurzaam leren bevorderen.

 

Meer lezen?

CASTL_practioner_Part2_single

CLASS-MTP_PK-12_brief