Een duurzaam straatproject op school

Een prachtig straatmeubel, niet?

En laten we nu even doorbomen over dat prachtige meubel in termen van duurzaam onderwijs: zou het niet mooi zijn als dit een schoolproject was? Stel je voor: leerlingen van de afdelingen Bouw (BSO) en Bouwtechnieken (TSO) vormen projectteams samen met leerlingen van de afdelingen Toerisme (TSO) en Humane Wetenschappen (ASO). De projectteams leggen contact met het gemeentebestuur en bepalen in overleg met de gemeentediensten vier plaatsen waar een uniek straatmeubel – ontworpen en gemaakt door de leerlingprojectteams – zal worden geplaatst. Op die vier plekken wordt door de leerlingen een klein buurtonderzoek uitgevoerd om te bepalen of de buurtbewoners geen bezwaren tegen het straatmeubel hebben. Het ontwerp wordt gemaakt door de leerlingen, het meubel wordt gefabriceerd en helemaal afgewerkt door de leerlingen, en de buurtbewoners krijgen twee weken op voorhand een flyer in hun bus (ook ontworpen door de leerlingen) om aanwezig te zijn op de feestelijke onthulling van het meubel.

Een project dat aan heel veel kenmerken van duurzaam onderwijs beantwoordt: Leren vanuit een zinvolle opdracht. Leren vanuit het geïntegreerd toepassen van kennis, vaardigheden en attitudes. Samenwerking – en samen-leren van elkaar en met elkaar – over studierichtingen heen: leerlingen die hun expertise in hun studiedomein kunnen toepassen en ontwikkelen, maar die dat eigen vak en hun eigen competenties kunnen overstijgen dankzij hun samenwerking en zo meerwaarde voor de samenleving creëren. Leerlingen die al doende leren omgaan met de diversiteit in hun teams.

Samen in team  een doelgerichte opdracht met maatschappelijk nut uitvoeren: voor de leerlingen kan dat niet anders dan energie-voor-leren opleveren! Voor de school een staaltje van positief aanwenden van het sociaal kapitaal op school. En niet te vergeten: voor de buurtbewoners een schitterend,  duurzaam meubel in het straatbeeld….

(de foto van het straatmeubel ontleende ik aan de facebook-pagina van Mohammed Aitba, via een link van Lief Vandevoort: dank aan beiden voor deze inspirerende beelden!)

Ouders in interactie met de school… of toch niet?

Het idee achter het project “Ouders in interactie” is simpel: (a) bied aan niet-Nederlandstalige ouders een cursus Nederlands als tweede taal aan die helemaal gericht is op de communicatie tussen school en ouders: de ouders leren de brieven van de school begrijpen, het rapport interpreteren, ze leren hoe je uitlegt dat je kind niet naar school kan komen of het huiswerk van gisteren niet begreep…; (b) bied de cursus aan op de school van de kinderen: de cursus gaat dus niet door in een centrum voor volwassenenonderwijs, maar in de gebouwen van de school zelf, zodat er volop kans is om met het materiaal van de school te werken en echt te communiceren met de leerkrachten en directie; (c) nodig de ouders als onderdeel van de cursus ook uit om een activiteit op de school te organiseren of eraan te participeren (bv. een ontbijt op school, een spelnamiddag, een moment waarop de ouders de klas bezoeken): door die activiteit krijgen de ouders ook volop kans hun nieuwe taalkennis in de praktijk om te zetten en krijgen ze volop kans om op een heel informele, laagdrempelige manier met de leerkrachten en directie te communiceren. Zo wordt de cursus een brug tussen ouders en schoolteam; zo komt er meer contact tussen niet-Nederlandstalige ouders en Nederlandstalige leerkrachten; zo worden leerkrachten en directie zich ook beter bewust van de moeilijkheid en onduidelijkheid van sommige van hun boodschappen. Zo wordt echte, informele communicatie tussen ouder en leerkracht over het kind (die zo cruciaal is voor duurzaam schoolsucces) aangewakkerd.

Het project werd een aantal jaren geleden ontworpen en helemaal uitgewerkt (met lesmateriaal en voorbeelden van goede praktijk) door het Centrum voor Taal en Onderwijs van de KU Leuven. Vandaag leeft het project enkel in de stad Antwerpen (het KAAP-project) dankzij de steun van het stadsbestuur. In andere regio’s is er slechts hier en daar een enkele school die er zich aan waagt, ondanks de steengoede ervaringen van de eerste proefprojecten.  Hoe komt dat? Van in den beginne botste het project op de strakke structuur van het reguliere NT2-onderwijs: hoe moet dat met de niveaugroepen van de reguliere NT2-cursussen? Hoe moet dat met examens? Wat met het leerplan en het curriculum? En wat voor paperassen komen er kijken bij het tijdelijk ‘transfereren’ van leerkrachten naar een basis- of secundaire school? Het Antwerpse voorbeeld leert dat het project goed werkt als verschillende partijen er zich samen achter scharen, en ook bereid zijn om naar oplossingen te zoeken voor die uiteindelijk makkelijk overbrugbare formele obstakels: de schoolteams, de pedagogische begeleiding, de lokale overlegplatforms of ondersteuningsdiensten, dat zijn de partners die samen de omstandigheden kunnen scheppen om ouders en leerkrachten op deze unieke manier dichter bij mekaar te brengen. Goede ideeën zijn er genoeg, er is zelfs een hele website aan het project gewijd. Nu de goede wil nog…

http://www.schoolenouders.be/?idWs=10

 

 

Omgaan met diversiteit in duurzaam onderwijs: leerkrachten zijn de tovenaars van de 21ste eeuw

Leerlingen verschillen. Hun leerprocessen verschillen. Hun toekomstdromen en verleden verschillen. Hoe kan het onderwijs omgaan met die diversiteit? Hieronder volgen 10 korte overwegingen (waarover de lezers van mening mogen verschillen, want uit een verschil van meningen groeien de beste ideeën…):

  1. Elke leerling is een vat vol diversiteit: dat vat moet open! Op een leerling kan je geen etiket plakken dat in 1 of 2 termen samenvat wie die leerling is. Elke individuele leerling is een vat vol talenten en interesses. Het is dan ook cruciaal dat in het onderwijs een breed palet aan inhouden, werkvormen, groeperingsvormen, vakken en activiteiten wordt aangeboden dat leerlingen toelaat hun eigen talenten te ontdekken en ontwikkelen, en het schoolteam toelaat te ontdekken wat elke leerling in zijn mars heeft.  Het eindrapport van het basisonderwijs of een graad in het secundair onderwijs zou dus veel meer moeten zijn dan een lijst met punten: idealiter is het een breed portret van een leerling dat in geuren en kleuren de talenten, interesses, mogelijkheden en toekomstperspectieven  van een rijk individu beschrijven.
  2. Diversiteit in de onderwijsaanpak loont: Leerkrachten die niet alleen uitleg geven, maar ook ruimte scheppen voor buitenschools leren, zelfontdekkend leren, taakgericht leren, projectwerk en groepswerk geven leerlingen kansen om nieuwe inhouden op diverse wijzen te exploreren en duurzamer te verwerven: kennis komt zo tot leven, ervaring wordt uitgediept. Ze geven leerlingen zo ook kansen om te leren op de manier die hen het best ligt. Ze geven leerlingen zin in leren omdat het leren zinvoller en gevarieerder wordt. Leerkrachten die het leerproces van de leerling in het oog houden en hun methode proberen aan te passen aan hoe dat proces verloopt, kunnen het verschil maken.
  3. Efficiënte onderwijssystemen gaan flexibel om met groeperingsvormen:  In de meest efficiënte onderwijssystemen ter wereld zitten leerlingen niet alle uren van de week in dezelfde groep. Ze werken samen in groepjes met wisselende samenstelling (binnen dezelfde klas) en werken soms ook samen met leerlingen die uit andere klassen komen, maar die bijvoorbeeld dezelfde noden aan ondersteuning hebben. Leerlingen kunnen zo met veel andere leerlingen leren samenwerken en kunnen mekaar – over klassen heen – helpen en tutoren: zo maakt een school dankbaar gebruik van de energiebasis die er op de school aanwezig is. Het onderwijs mag zich dus niet door haar eigen structuren laten afschrikken om flexibel op de leernoden van leerlingen in te spelen.
  4. Hoe het beste halen uit elke leerling? Een dialoog tussen diverse partners kan een verschil maken!  Leerkrachten willen het beste halen uit elke leerling. Maar ouders willen dat ook. Als ouders, leerkrachten én leerlingen samen nadenken over wat een leerling interesseert, wat die leerling tot leren brengt,  wat energie-voor-leren opwekt, dan is de kans groter dat een optimaal menu voor de bevordering van het leren samengesteld kan worden.  Duurzaam omgaan met diversiteit is een kwestie van verbindingen leggen. Dus ook verbindingen tussen mensen.
  5. Wie leerlingen wil leren omgaan met diversiteit, mag die diversiteit niet uit de weg gaan:  veel leerlingen praten in de klas over diversiteit, maar praten niet met diverse partners. Als leerlingen zelden buiten hun eigen kring moeten treden of out-of-the-box moeten denken, dan kan je het hen niet kwalijk nemen dat hun wereldbeeld onveranderd blijft. Als de ASO-, TSO- en BSO-richtingen van een secundaire school in verschillende gebouwen gehuisvest zijn, dan kan je het jonge mensen niet kwalijk nemen dat ze het beeld opbouwen dat de leerlingen van verschillende studierichtingen tot verschillende klassen,  standen of werelden behoren. Dan ligt het vormen van stereotypen en denken in gradaties zelfs sterk voor de hand. In een recent artikel in Klasse (nr 228) wordt een school in Zelzate voorgesteld waar de studierichtingen op dezelfde campus liggen en waar de ASO-leerlingen de kans krijgen de TSO- en BSO-leerlingen te ontmoeten, met mekaar leertaken uit te voeren, en te observeren waar de leerlingen van andere studierichtingen mee bezig. Opvallend is dat dit soort ontmoetingen heel wat stereotypen doorbreekt: “Ik had wel een negatief beeld van tso’ers en bso’ers, maar door samen te zitten, zijn die vooroordelen grotendeels verdwenen”, zegt Kato Van den Fonteyne uit 6 aso Moderne talen – Wetenschappen van deze school.
  6. Leerlingen leren niet zomaar ‘al doende’ omgaan met diversiteit: Leren omgaan met diversiteit is een sleutelcompetentie voor de 21ste eeuw. Leerlingen moeten respectvol leren omgaan met verschillen tussen mensen, of die nu van religieuze, culturele, of andere aard zijn. Leerlingen moeten leren samenwerken met mensen die andere ideeën hebben dan zijzelf. Hoe bouwen jonge mensen die vaardigheid op? Volgens Nobelprijswinnaar Kahneman, die veel onderzoek deed naar de werking van ons brein, leren leerlingen dat niet zomaar automatisch door in groepjes samen te werken. Hoe komt dat? Heel wat breinonderzoek toont aan dat elke mens over 2 denksystemen beschikt: ‘Type 1’ is ons intuïtieve, ervaringsgebaseerde systeem dat heel snel beslissingen kan nemen, onbewust werkt, en ons doorheen het dagelijks leven loodst. Type 2  is het systeem dat bewust redeneert: het is veel explicieter, maar verbruikt ook meer energie en concentratie. Als leerlingen samen groepswerken uitvoeren, is de kans groot dat vooral hun type 1-denken aan het werk is, en dat is net heel sterk met ons gevoelsleven verbonden. Omdat Type 1 snel beslissingen moet nemen, vormt het ook heel snel beelden en oordelen (en dat zijn vaak oppervlakkige beelden). Het is net ons type 2-denken (het bewust, rationele denken) dat we moeten gebruiken om onze eigen stereotypen te ontdekken en doorbreken, en onze te snelle conclusies (bijvoorbeeld over mensen) te doorprikken. Dus: leerlingen moeten niet alleen samenwerken met andere leerlingen, ze moeten ook rationeel nadenken over hoe ze samenwerken, over welke beelden ze hebben van andere leerlingen, over hoe ze andere mensen soms benadelen of kwetsen zonder dat ze zich daarvan bewust zijn, over de gevolgen van hun handelingen voor andere mensen. Ze moeten hun impulsieve reacties ten opzichte van mekaar  leren rationeel benaderen.
  7. Verschillen in meningen, ideeën en perspectieven zijn vaak heel vruchtbaar:  Veel van de meest vruchtbare ideeën komen tussen mensen tot stand die het niet helemaal eens zijn of bepaalde zaken vanuit een andere hoek bekijken. Door verschillende ideeën, perspectieven en meningen aan bod te laten komen, wordt de voedingsbodem voor het vinden van efficiënte of creatieve oplossingen veel groter. Mensen die het over alles eens zijn en heel veel ideeën delen, lopen soms vast in hun eigen cirkeltjes. Klassen waar leerlingen hun meningsverschillen of kennisverschillen kunnen uitbuiten om positieve of creatieve oplossingen te bedenken, zijn klassen waard diversiteit duurzaam wordt uitgebuit.
  8. Als talen en energie verloren gaan, gaat een brok positieve diversiteit verloren:  Ons onderwijs verliest nog te veel talent en verspilt nog te veel positieve energie van jongeren. De school vormt voor jongeren een groot deel van hun leven, het deel waar ze veel van hun identiteit aan ontlenen. Het gevoel van niet-thuishoren op de school mag niet overheersen. De school mag geen haven zijn waar sommige schepen niet mogen aanmeren.  Als scholen dag-in-dag-uit kunnen uitademen dat diversiteit loont, de norm is, positief gebruikt kan worden, dan ademen leerlingen dat in, en kunnen zij met dat geloof, met die ervaringen, en met die kennis de wijde wereld in. De diverse wereld. Dan hebben ze op school geleerd dat verschillen tussen mensen geen ondoordringbare muren, geen onoverbrugbare kloven of onoplosbare geschillen hoeven op te werpen. En dat als er al geschillen optreden, die uitgepraat kunnen worden.
  9.  Leren omgaan met diversiteit is een competentie: een samenspel van kennis, attitudes en vaardigheden. Voor leerkrachten is het omgaan met diversiteit geen sinecure. Dat vereist kennis (soms zelfs gespecialiseerde kennis over bepaalde leerstoornissen of bepaalde methodieken), de vaardigheid om te differentiëren en breed te evalueren, en bovenal de attitude van mensen met een groot hart en met een torenhoog geloof in de ‘leer-kracht’ en positieve bijdrage van elke leerling. Leerkrachten zijn de tovenaars van de 21ste eeuw.
  10. Noch een idealistische, noch een fatalistische visie op diversiteit zullen veel zoden aan de dijk brengen: Diversiteit is niet per definitie heilzaam. Verschillen tussen mensen leiden soms tot conflicten, geweld, brutaliteiten. Diversiteit is ook niet per definitie problematisch. Alles hangt af van hoe de diversiteit wordt benaderd en bespeeld. De duurzaamheid van ons onderwijs zal in grote mate afhangen van de professionaliteit waarmee leerkrachten de diversiteit onder de leerlingen weten te bespelen.  Om maar een paar voorbeelden te geven: een basisvorming tot 14 jaar zal maar echt renderen als er op de diverse interesses, talenten en leernoden van leerlingen flexibel kan worden ingespeeld door leerkrachten. Heterogene klassen en groepen kunnen profijt opleveren voor alle leerlingen als de leerkracht professioneel differentieert en gebruik maakt van peer tutoring. Leerkrachten verdienen het om in het opbouwen van die competentie maximaal ondersteund te worden. Geen hervorming van onderwijs zonder vorming van leerkrachten. Geen positieve diversiteit in het onderwijs zonder expert-professionaliteit van onze leerkrachten.

Vroegtijdig schoolverlaten: waarom haken jongeren af?

Nog steeds gaat er in het Vlaamse onderwijs te veel energie en talent verloren. Heel wat jongeren verlaten het secundair onderwijs vroegtijdig en zonder een diploma. Maar waarom haken ze af? Geen betere manier om het te weten te komen dan het aan de jongeren te vragen. Dat is wat de Ierse onderzoekers Byrne en Smyth (in hun ophefmakende rapport ‘No Way Back?’) deden in hun studie naar vroegtijdig schoolverlaten. Ze volgden meer dan 1000 leerlingen tijdens hun loopbaan in het secundair onderwijs aan de hand van jaarlijkse vragenlijsten; 184 haakten vroegtijdig af en werden door de onderzoekers gecontacteerd.  Met 25 van hen werden diepte-interviews uitgevoerd. De interviews zijn pakkend en soms ronduit verscheurend. Dit zijn de belangrijkste tendensen die uit het onderzoek kwamen:

  1. De meeste leerlingen haken af omdat ze allerlei negatieve ervaringen op school opstapelen. Vaak voelen ze zich afgekeurd, ‘opgegeven’, of verworpen door de leerkrachten en directie. Velen van hen ontwikkelen baldadig en opstandig gedrag nadat de relatie met hun leerkrachten is verstoord geraakt. Ze hebben het gevoel dat de leerkrachten lage verwachtingen over hen koesteren, niet in hen geloven, hen als minderwaardig behandelen.
  2. Opvallend is dat voor velen van hen het gevoel van afgekeurd zijn en falen al heel vroeg, zelfs reeds in het basisonderwijs start. Zo stapelen de negatieve gevoelens zich geleidelijk op tot de emmer overloopt. Met andere woorden, vroegtijdig schoolverlaten is zelden een beslissing die plots wordt genomen; het is eerder het eindpunt van een proces dat al heel lang aansleept.
  3. Veel hangt af van hoe scholen met de negatieve ervaringen van de leerlingen omgaan: als schoolteams de leerlingen systematisch als minderwaardig behandelen, komen de leerlingen sneller in een negatieve spiraal terecht. Het schoolklimaat – en de relaties tussen leerkrachten en leerlingen – zijn van levensbelang. Opvallend is dat onderwijssystemen en scholen die met strakke niveaugroepen werken, sneller negatieve gevoelens van minderwaardigheid bij de leerlingen in de ‘zwakste groepen’ aanwakkeren: als de leerkrachtverwachtingen dalen voor de leerlingen in de ‘laagste niveaugroepen’, versterkt dat het gevoel van falen bij de leerlingen.
  4. Ook negatieve ervaringen met klasgenoten en een moeilijke thuissituatie dragen bij tot de negatieve spiraal en het gevoel van niet thuishoren op de school.
  5. De aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt (en het vooruitzicht om geld te verdienen) heeft invloed op sommige jongeren, maar die invloed wordt pas echt belangrijk als de negatieve gevoelens op school beginnen door te wegen.
  6. De meeste jongeren hadden gesprekken met hun ouders over hun negatieve gevoelens en hun plannen om de school te verlaten vooraleer ze de cruciale stap zetten. De ouders stribbelden heel vaak tegen, maar dat had niet altijd het gewenste effect.
  7. Kinderen van laaggeschoolde ouders en jongens zijn oververtegenwoordigd in de groep van de vroegtijdige schoolverlaters. In scholen met een sociaal en cultureel gemengde leerlingpopulatie is de proportie van vroegtijdig schoolverlaten lager.

In hun aanbevelingen pleiten de onderzoekers voor een positief schoolklimaat met veel aandacht voor persoonlijke relaties tussen leerkracht en leerlingen. Hun studie “points to aspects of school process, including active teaching methods, flexible ability grouping and positive school climate, which enhance student engagement in learning, an engagement in learning which can serve to promote both retention and achievement equally.” In termen van duurzaam onderwijs: scholen moeten actief zoeken naar manieren om de energie die jongeren voor leren hebben, aan te wakkeren en om te zetten in positieve leerervaringen. Dat levert immers nieuwe positieve energie voor leren. Activerende leermethoden, flexibele groeperingsvormen die zich aanpassen aan het leerproces van de leerling, en een positief schoolklimaat kunnen het cruciale verschil maken tussen schoolverlaten (en ‘school haten’, zoals sommige geïnterviewde leerlingen het uitdrukken) en schoolsucces.

 

Begrijpend-leesonderwijs: wat werkt?

Welke kenmerken van begrijpend-leesonderwijs maken voor leerlingen het verschil? En werken die kenmerken voor alle leerlingen? In een recent onderzoek van de KU Leuven (gefinancierd door het Ministerie van Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap) werden die vragen onderzocht.

Wat werkt? De volgende kenmerken van leesonderwijs bleken een positief effect te hebben op de  leerwinst die leerlingen in het vijfde leerjaar van het basisonderwijs voor begrijpend lezen boekten:

  1. Goed georganiseerde en aantrekkelijke lessen: leerlingen leerden meer bij als ze de (lees)lessen ervoeren als interessant, goed georganiseerd en goed gestructureerd.
  2. Aandacht voor leesstrategieën: leerlingen leerden meer bij als er aandacht werd geschonken aan leesstrategieën (bijv. hoofdzaken van bijzaken onderscheiden, tussentitels gebruiken….). Internationaal onderzoek leert ons dat dit het meest oplevert als er aandacht aan leesstrategieën wordt geschonken terwijl de leerlingen een interessante begrijpend-leestaak uitvoeren. Er mag dus niet zomaar in het luchtledige aan strategieënonderwijs gedaan worden.
  3. Coöperatief leren: regelmatig gebruik van werkvormen waarbij leerlingen moeten samenwerken aan een begrijpend-leestaak heeft een positief effect op leerwinst.
  4. Veilig en stimulerend leerklimaat: de leerlingen boeken meer leerwinst als ze het leerklimaat als veilig, niet-bedreigend en stimulerend ervaren. Er moet dus een positieve sfeer in de klas hangen.
  5. Vakoverschrijdende leeractiviteiten: de leerlingen boekten meer leerwinst voor begrijpend lezen als er niet alleen in de taallessen, maar in alle domeinen aan begrijpend lezen werd gewerkt.
  6. Differentiëren in het leesonderwijs: de leerlingen boekten meer leerwinst als de leerkracht haar ondersteuning afstemde op de leerbehoeften van de leerlingen en oog had voor verschillen (bv. in leesbegrip) tussen leerlingen.
  7. Werken met leesouders: ook deze maatregel had een positief effect op de leerwinst voor begrijpend lezen.

Deze resultaten bevestigen de steeds weerkerende trends in internationaal onderzoek naar leesonderwijs: het werken met interessante en uitdagende leestaken (die leerlingen zin doen krijgen in lezen), waarbij de leerlingen gedifferentieerd ondersteund worden en regelmatig mogen samenwerken en waarbij aandacht wordt besteed aan leesstrategieën werpt vruchten af, zeker als dat gebeurt in een positief, veilig, stimulerend klimaat, en als dat niet alleen in de taallessen gebeurt, maar doorheen het curriculum.

Werken deze ingrediënten voor alle leerlingen? JA. Zowel het Vlaams onderzoek van de KU Leuven als het internationaal onderzoek geven duidelijk aan dat alle leerlingen (sterkere lezers en zwakkere lezers, allochtone en autochtone leerlingen, kinderen van hooggeschoolde en laaggeschoolde ouders) van deze maatregelen profiteren. Ze worden er betere lezers van, en dat is een sleutelcompetentie in het onderwijs van de 21ste eeuw. Zwakkere lezers mogen dus niet op leesdieet gezet worden: ook zij hebben nood aan leuke, uitdagende, motiverende begrijpend-leestaken waarbij ze goed ondersteund worden terwijl ze de taken uitvoeren.

Voor meer info over dit onderzoek, zie http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/2009/0904/default.htm

Gelijke(re) onderwijskansen in het Vlaams onderwijs?

Het Vlaams onderwijs is zeer goed. Maar het moet beter. De sociale kloof is te groot. De kinderen van laagopgeleide ouders lopen een te hoog risico om ook als laagopgeleide ons onderwijssysteem te verlaten. Dat verlies aan energie en talent kunnen we ons niet veroorloven.  Het Vlaams onderwijs moet duurzamer omspringen met de energie en het talent van alle kinderen, ongeacht hun achtergrond.

Wat zegt internationaal wetenschappelijk onderzoek over effectief onderwijs voor kinderen van laagopgeleide ouders? Hoe slagen andere onderwijssystemen erin om meer gelijke onderwijskansen te creëren? Hieronder lijst ik een aantal cruciale wetenschappelijke bevindingen op:

  1. Investeren in kleuteronderwijs loont. Kleuters kunnen in het kleuteronderwijs al heel wat basisvaardigheden opdoen vooraleer ze naar het eerste leerjaar gaan. Kleuteronderwijs werkt vooral goed als het inspeelt op de belangstelling van de kleuter, en  als er heel veel wordt gepraat over onderwerpen, spel en acties waarin kleuters intrinsiek geïnteresseerd zijn. Zo wordt de spontane energie van kleuters al  spelend en explorerend omgezet in leren. Het helpt ook als van in den beginne de ouders op een heel informele en laagdrempelige manier bij het onderwijs betrokken worden.
  2. Differentiatie is essentieel.  Leerlingen verschillen in hoe ze leren en in de snelheid waarmee ze bepaalde competenties ontwikkelen. Leerlingen verschillen qua voorkennis, motivatie, interesse en talent. In de beste onderwijssystemen ter wereld wordt veel aandacht besteed aan differentiatie: leerlingen krijgen bijkomende ondersteuning als het leren wat moeilijker loopt, en krijgen nieuwe uitdagingen als het leren goed loopt; de groepering van leerlingen wordt aangepast aan de leernoden van de leerlingen en is niet voor alle vakken en domeinen dezelfde; als aanpak A niet werkt, wordt naar een andere aanpak (een andere manier van uitleggen of ontdekken) gezocht…
  3. Coöperatief leren in heterogene groepen helpt.  Leerlingen kunnen veel leren van andere leerlingen. Leerlingen die het wat moeilijker hebben met bepaalde vakken, kunnen profiteren van het voorbeeld en de steun van leerlingen die sterker zijn voor die vakken. Bovendien is in kleine groepen het leerklimaat vaak veiliger dan in de grote groep.
  4. Ouderbetrokkenheid is belangrijk. In effectieve onderwijssystemen wordt de afstand tussen school en thuis klein gehouden. Leerinhouden worden verbonden met de thuis- en leefwereld van de kinderen; de ouders zijn goed op de hoogte van wat er op school gebeurt, kunnen informeel met leerkrachten over de ontwikkeling van hun kind praten, en zijn zo beter gewapend om het kind thuis te ondersteunen.
  5. De leerkracht maakt het verschil.  Zowel in basis- als secundair onderwijs speelt de leerkracht een cruciale rol in het stimuleren van de ontwikkeling van de leerling. Leerkrachten die het verschil maken,
    1. leggen de lat hoog en koesteren tegelijk hoge verwachtingen voor hun leerlingen: ze  (blijven) geloven in de ‘leer-kracht’ van elke leerling;
    2. kiezen voor zinvolle, interessante inhouden en rijke, uitdagende taken die de leerlingen relevant vinden en die hen energie-tot-leren geven. De intrinsieke motivatie van leerlingen is, op lange termijn, immers veel krachtiger als energiebron voor leren dan extrinsieke motivatie (punten, complimenten…);
    3. verbinden nieuwe inhouden met ervaringen, kennis en vaardigheden die de leerlingen al hebben opgebouwd, ook buiten de school; wat de leerlingen al weten, kunnen en kennen is immers brandstof voor verder leren.
    4. smeden een warme, veilige band met hun leerlingen, en zorgen ervoor dat leerlingen zich een volwaardig en gewaardeerd lid van de groep voelen; ze creëren vaak het gevoel dat alle leerlingen samen aan een grandioos project werken;
    5. besteden de beschikbare tijd zo maximaal mogelijk aan leren: ze trachten hun lessen  goed te structureren en efficiënt te organiseren;
    6. voorzien in veel variatie qua werkvormen, met een goede afwisseling van directe instructie, zelfontdekkend leren, groepswerk, individueel werk en buitenschoolse opdrachten, zodat leerlingen nieuwe inhouden op verschillende manieren kunnen ontdekken, toepassen en herhalen.
    7. overleggen samen met collega’s over het best mogelijke onderwijs, blijven zich verder professionaliseren, en trachten te leren uit wetenschappelijk onderzoek wat het best werkt voor sociaal kwetsbare leerlingen.

Uit de bovenstaande bevindingen kunnen we afleiden waarom zittenblijven voor zoveel leerlingen geen duurzame oplossing blijkt te zijn. Als zittenblijven inhoudt dat leerlingen hetzelfde leerjaar op dezelfde manier moeten overdoen, dan dreigen dezelfde leerproblemen snel weer de kop op te steken. Dan is zittenblijven een gok: we gooien de dobbelsteen nog eens, en  hopen dat er een hoger cijfer uitkomt.  GOK (werken aan Gelijke OnderwijsKansen), daarentegen, is doelbewust werken aan de duurzame ontwikkeling van kinderen. Daarvoor moeten we naar een individuele leerling durven kijken om te ontdekken (a) hoe de natuurlijke energie-voor-leren van die leerling maximaal kan worden opgewekt, (2) hoe aan die leerling de best mogelijke ondersteuning kan worden gegeven zodat die energie wordt omgezet in daadwerkelijk leren. Dat is immers de beste garantie dat er een positieve leerervaring ontstaat die nieuwe energie-voor-leren opwekt. Het wiel blijft dan duurzaam draaien.

Aan alle leerlingen duurzame ontwikkelingskansen bieden is zonder twijfel een prachtige uitdaging voor het nieuwe schooljaar: de ultieme uitdaging om in alle opzichten rijke verbindingen tot stand te brengen met elke leerling in de klas.

Directe instructie of zelfontdekkend leren?

Ik heb eindelijk, na al die jaren, begrepen hoe een regenboog ontstaat. Ook begrijp ik beter waarom licht wel door vloeistoffen schijnt (je ziet de bodem van de emmer waarin je water hebt laten lopen) en niet door vaste stoffen (je ziet de bodem van de kei niet). Dat heb ik te danken aan het boek “De betoverende werkelijkheid” van de natuurwetenschapper Richard Dawkins. Daarin legt hij aan scholieren van het middelbaar onderwijs uit wat de wetenschap vandaag weet over een aantal grote vragen: hoe is het heelal ontstaan? Waaruit bestaat materie? En dus ook: hoe ontstaat een regenboog?

De uitleg van Dawkins werkt wonderwel. Hij start met een fascinerende vraag, roept allerlei herkenbare ervaringen uit het echte leven op, en bouwt zijn verklaring stapsgewijs op. Voor de vraag van het licht legt hij je eerst nog eens uit hoe atomen in mekaar zitten, vervolgens legt hij uit hoe de atoomstructuur van vaste stoffen en vloeistoffen verschilt, waarna hij kan uitleggen waarom licht makkelijker doorheen vloeistoffen kan dringen. Hij verbindt dus telkens het nieuwe met het reeds gekende. Bovendien doet hij dat op een erg sympathieke manier: hij doet alle moeite om begrijpelijk te blijven, hij pakt niet uit met onnodig termengezwier en specialistische kennis, hij zegt herhaaldelijk dat hijzelf ook niet alles snapt en weet, en hij geeft je vooral het gevoel dat er geen domme vragen zijn. Hij is de toffe opa die je wel eens wil vertellen over wat hij weet, maar die daarmee stopt als hij merkt dat je er genoeg van hebt. Hij is een auteur met wie je je makkelijk verbindt. Ik kan nu geen emmer water meer voorbijlopen zonder aan Dawkins (en zijn verklaring) te denken.

Leerkrachten vragen me wel eens wat het best werkt: directe instructie (uitleg door de leerkracht) of zelfontdekkend leren (zoals bijvoorbeeld tijdens groepswerk). Uit het onderzoek naar onderwijseffectiviteit blijkt dat beide werkvormen een sterke bijdrage leveren aan leerwinst. Het zou wel eens kunnen dat als directe instructie en zelfontdekkend leren effectief zijn, dezelfde mechanismen als die in Dawkins boek werkzaam zijn: er wordt ingegaan op vragen die voor de leerders fascinerend en zinvol zijn; de leerder slaagt erin verbindingen te leggen tussen eerdere ervaringen/voorkennis en het nieuwe; het leerproces voltrekt zich in een veilig klimaat waarbij de leerders zich verbonden voelt met de anderen in de leeromgeving. Leren is verbinden.

Directe instructie en zelfontdekkend leren laten zich overigens goed combineren: bijvoorbeeld, als leerlingen tijdens het zelfontdekkend leren vastlopen, kan een streepje directe instructie voor een doorbraak zorgen; ook kan dat streepje directe instructie een ‘zelf-ontdekt’ inzicht verdiepen of verbinden met wetenschappelijke kennis of terminologie. Omgekeerd kan zelfontdekkend, al doende leren leerders de kans geven om theoretische kennis (die via directe instructie werd verworven) in een authentieke, complexe situatie toe te passen en uit te diepen. Beide werkvormen zijn op vele manieren complementair, en dat is ook nodig: sommige competenties zijn zo complex dat je ze niet via directe instructie uitgelegd (en dus verworven) krijgt, maar evenzeer is sommige wetenschappelijke kennis zo ingewikkeld dat zelfontdekkend leren er wellicht niet toe zou leiden.

In een krachtige leeromgeving vullen zelfontdekkend, al doende leren en directe instructie mekaar op heel slimme wijze aan. Om het anders uit te drukken: we kunnen ‘directe instructie’ en ‘zelfontdekkend leren’ beter niet als vaste stoffen beschouwen, maar eerder als vloeistoffen die makkelijk in mekaar kunnen overvloeien. En waar dan het licht doorheen gaat schijnen….

Creativiteit in het onderwijs bevorderen

We horen het vaak: in het onderwijs van de 21ste eeuw moet creativiteit een belangrijke plaats krijgen (zie ook de “visietekst duurzaam onderwijs”). Creatief denken kan mensen helpen om hun persoonlijke leven te verrijken, problemen op te lossen, nieuwe dingen te ontdekken en zich verder te ontwikkelen. En mooi meegenomen: creatief denken kan bijzonder bevrijdend, leuk en verrassend zijn.

Er bestaan echter veel misvattingen over creativiteit, en voor het onderwijs kan het behoorlijk bevrijdend zijn om die op te ruimen:

 Misvatting 1: Creativiteit heeft met kunst (en dus met kunstopvoeding) te maken. Velen denken spontaan aan Picasso, Van Gogh, Mozart en Shakespeare als het woord ‘creativiteit’ valt.  Maar creativiteit uit zich niet alleen in de kunsten: het kan betrekking hebben op alle aspecten van het leven. Overal waar mensen nieuwe dingen doen met bestaande objecten (“kijk, mama, mijn haarspeld is nu een paperclip geworden”), een idee vanuit een andere hoek bekijken of bestaande ideeën op een nieuwe manier combineren, een probleem op een eigenwijze manier proberen op te lossen, een nieuw woord verzinnen (“kijk, mama, een paperspeld”), een nieuwe kleur of vorm aan iets geven, of een nieuwe of onverwachte beweging uitvoeren, is er sprake van creativiteit. In essentie gaat creativiteit om het loskomen van bestaande ideeën, praktijken, gebruiken, objecten. Een voorbeeld uit de transportsector: De “London tube map” is zo overzichtelijk en compact omdat de ontwerper Harry Beck in 1931 lichtelijk afweek van de exacte afstanden en exacte geografische ligging van de stations boven de grond, en zo tot een meer ordelijk ondergronds plan van de stad kwam.

Les voor het onderwijs: Creatief denken kan je doorheen het curriculum (dus in alle vakken) bevorderen. Het gebeurt overal waar leerlingen mogen proberen om iets eigenzinnigs of nieuws te doen met een bestaand voorwerp, met een idee, met een onderwerp, met een beweging, met kennis, met een probleem…

Misvatting 2: Creativiteit is een aangeboren talent, je kan het niet ontwikkelen. Uit de biografieën van zogenaamde creatieve genieën als Edison en John Lennon blijkt dat hun ‘uitvindingen’ het product zijn van kleine verschuivingen in denken en doen, en dat zij heel erg verderbouwden op de kennis en ideeën van anderen. Lennon en McCartney maakten gretig gebruik van de ritmes en songteksten van de vroege rock ’n roll, en bleven daarop zeven jaar lang slim en ongeremd variëren. En de gloeilamp? Edison was niet de enige die de gloeilamp uitvond: door de bestaande kennis van die tijd en vernieuwende ideeën van andere wetenschappers slim te gebruiken kwam ook bijvoorbeeld Joseph Swan in diezelfde periode tot de uitvinding van de gloeilamp, maar Edison was veel handiger in het bemachtigen en exploiteren van het patent, en in het creëren van grote netwerken voor gloeilampen waardoor grotere gebouwen en wijken konden verlicht worden. Met andere woorden: we moeten geen mythe maken van creativiteit. De magie van de creativiteit zit niet in het supertalent van een handvol genieën, maar in het grootse dat kan voortvloeien uit kleine afwijkingen, kleine variaties, kleine creaties. 

Les voor het onderwijs:Iedereen heeft creatief vermogen in zich. En bovendien, dat soort creatief vermogen kan aangewakkerd worden door (jonge) mensen vaak de kans te geven om ideeën te exploreren, dingen van een andere kant te bekijken, hun verbeelding de vrije loop te laten, andere zintuigen of oplossingsmethodes te laten gebruiken dan de gebruikelijke (bij een bepaalde opdracht)….

Misvatting 3: Creativiteit is een individuele competentie. Edison kon zijn netwerk van gloeilampen maar uitbouwen dankzij de steun en hulp van een team van medewerkers. Creëren is vaak een kwestie van teamwerk. Dat is ook logisch: als je met zes mensen samenzit (zeker als dat mensen zijn met verschillende voorkennis en talenten), dan vergroot de kans dat er nieuwe ideeën, kleine afwijkingen en variaties ontstaan. De kans vergroot ook dat er verschillende soorten ideeën of voorstellen op tafel komen, waarvan er een, of net de combinatie van een paar ideeën, heel vruchtbaar kan werken. Als mensen samenzitten, kunnen ze verderbouwen op mekaars inbreng. Zo ontstaat dan vaak een grote vernieuwing als optelsom van de kleine variaties van verschillende individuen.   Bovendien zijn vele hedendaagse problemen zo complex dat de inbreng van verschillende mensen (met verschillende voorkennis en ideeën) gewoonweg nodig is om ze op te lossen.

Les voor het onderwijs: geef groepen vaak de opdracht om een uitdagend probleem of een uitdagende taak samen uit te voeren. Stimuleer hen om mekaars ideeën te beluisteren en te combineren. Durf klasoverschrijdende groepswerken aan.

 

Misvatting 4: Creativiteit is altijd positief. Mensen kunnen oneindig veel nieuwe ideeën bedenken, maar hoe waardevol ze zijn hangt af van waarvoor we ze gebruiken. Sommige ideeën bieden een oplossing voor een bepaalde groep mensen of voor een bepaald probleem, maar zijn helemaal niet geschikt voor andere mensen of problemen.  Creatief denken wordt in het leven heel vaak aangewakkerd door onze ontevredenheid met de bestaande gang van zaken. We willen iets oplossen, iets beter maken, iets verbeteren. We kunnen dan (samen) brainstormen en onze verbeelding de vrije loop maken, maar we moeten onze ideeën blijven aftoetsen aan de waarde die ze hebben voor het doel dat we voor ogen hebben. Zoals de wetenschapper Csikszentmihalyi het stelt: “Divergent thinking is not much use without the ability to tell a good idea from a bad one”.

Les voor het onderwijs: Creatief denken en doen kan in het onderwijs worden ingebed in allerhande opdrachten en taken waarbij leerlingen kleine en grote problemen trachten op te lossen. Leerlingen moeten hun nieuwe ideeën dan aftoetsen aan de opdracht. Zo kan creatief denken het probleemoplossend vermogen van kinderen verhogen en hen leren planmatig te denken.

–   Misvatting 5: Enkel creatieve leerkrachten kunnen de creativiteit van hun leerlingen stimuleren. Uit het bovenstaande is gebleken dat alle leerkrachten creatief zijn, en dat het vooral cruciaal is dat leerkrachten de openheid creëren voor hun leerlingen om creatief te denken en doen. Leerkrachten moeten geen beeldende kunstenaars of genieën zijn om de creativiteit van hun leerlingen aan te wakkeren. Maar als ze uitstralen dat ze geloven dat leerlingen met nieuwe ideeën op de proppen kunnen komen, dat hun creatief denken kan lonen, dat creativiteit in de geschiedenis van de mensheid al tot vele mooie en verbazingwekkende dingen heeft geleid, dat creativiteit ook in kleine dingen zit en kleine problemen kan oplossen, dan kan dat een groot verschil maken.

Enkele concrete ideeën voor leerkrachten om de creativiteit van hun leerlingen te bevorderen:–          Ontwerp: laat de leerlingen bepaalde onderdelen van de schoolomgeving mee (of zelf) vormgeven: muren, klaslokalen, speelplaats, briefpapier, website… Laat leerlingen ideeën ontwerpen om hun wijk te verfraaien, of om het leven in hun wijk (of omgeving rond de school) te verrijken en verbeteren (bv. een betere verkeersdoorstroming, een creatieve bestrijding van zwerfvuil…)

–          Ontwerp plus: laat leerlingen in een eerste fase een omgeving ontwerpen (bv. de (ingebeelde) schooltuin of de openbare bibliotheek van de toekomst), maar geef hen in een tweede fase een bijkomende eis (bv. geef hen een egel, drie vlindersoorten en drie vogelsoorten die in de schooltuin moeten kunnen overleven, of vraag hen of de ideale bib van de toekomst ook zo ideaal is voor senioren of rolstoelpatiënten), zodat ze hun ideeën aan bepaalde eisen moeten aftoetsen.

–          Vragen staat vrij: Roep een uitdagende wetenschappelijke vraag op waarover leerlingen in de eerste fase vanuit hun voorkennis, hun verbeelding, of een gezamenlijke brainstorm mogen reageren, maar waarbij ze nadien hun antwoorden via het zoeken naar relevante informatie moeten onderbouwen. Inspiratie voor uitdagende vragen vind je bijvoorbeeld in het “Grote boek van nutteloze kennis”: hoe weet je hoe hoog je op een berg bent? Hoe kan je het best je hoofd wegen? Hoe weet je in een bos waar het noorden is?  Hoe herken je radioactieve stoffen?

–          Gebruik de schoolomgeving: Als er om de hoek van de school een gigantische put wordt gegraven voor het aanleggen van een ondergrondse parkeergarage, daag de leerlingen dan uit om de meest efficiënte methode te bedenken om te berekenen hoeveel kilo zand er door hoeveel vrachtwagens moet worden afgevoerd. Of geef leerlingen de taak om buiten de school kennis te vergaren door verschillende mensen (met verschillende perspectieven) over een bepaald onderwerp te interviewen.

–          Doe meer met verhalen: laat leerlingen een einde bedenken voor een onaf verhaal (of een alternatief einde voor een ‘af’ verhaal), het begin bedenken voor het middenstuk van een verhaal (wat ging vooraf?), of laat ze hun leeservaringen (van een roman) op verschillende manieren verwerken (een interview met een personage, een ontwerp voor een cover, een promofilmpje op youtube, een tekening of schilderij, de soundtrack bij het verhaal…)

–          Groepswerk plus: laat groepen van leerlingen uitdagende problemen oplossen die hen interesseren of aanbelangen. Zet daarbij leerlingen van verschillende studierichtingen of leerjaren bij mekaar (maak gebruik van het sociaal potentieel in de school).

–          Leerlingen geven les: daag leerlingen uit om met gebruik van moderne media een verworven inzicht in de wetenschap duidelijk uit te leggen aan de leerlingen van een graad of leerjaar lager.

–          Nodig mensen uit:Nodig ervaringsdeskundigen, ouders, experts uit om in de klas en onderwerp vanuit hun ervaring of deskundigheid toe te lichten.

–          Vanuit een andere hoek bekeken: Bekijk een onderwerp vanuit een ander perspectief (hoe zagen de middeleeuwen er uit in China of Iran?). Laat leerlingen reageren met een ‘ander’ zintuig op een prikkel (wat hoor je in deze afbeelding?). Roep veel “wat als…” vragen op: wat als mensen (net als kippen) een klein beetje konden vliegen? Wat als er geen bacteriën waren?

–          Maak er iets mee: geef leerlingen heel weinig materiaal (drie lucifers en een touw) en vraag hen om er veel mee te doen (maak een brug). Geef leerlingen een vreemd voorwerp dat ze in een presentatie moeten integreren. Geef leerlingen drie foto’s waarrond ze een overtuigend verhaal moeten bouwen. Geef dergelijke huiswerken, maar geef leerlingen een paar dagen om ze uit te voeren (door iets te laten liggen en sudderen, kom je vaker op goede ideeën).

–          Spelend leren: Zoek naar mogelijkheden om leerlingen via allerlei spelvormen te doen leren. Onderschat het leerpotentieel in spelvormen niet. Integreer serious gaming in het onderwijs. Daag leerlingen uit om zelf spellen te ontwerpen en de regels te verwoorden. Onderzoek met de leerlingen welke sociale en wetenschappelijke dingen je allemaal uit spellen kunt leren.

Nog meer ideeën? Vul maar aan….

P.S. Deze ideeën kunnen uitgevoerd worden door alle leerlingen, niet alleen door de ‘beste’, ‘meest creatieve’ of ‘meest getalenteerde’ leerlingen in de klas….

Olympische Spelen en duurzaam onderwijs

“When individuals are united in a large common purpose, it can bring out the best in us.” Volgens de Britse krant “The Independent” is dat een van de belangrijkste lessen die uit de Olympische spelen in Londen kan gehaald worden (5 augustus 2012). Een jaar geleden stond Londen nog in rep en roer: rellen teisterden de binnenstad. Heel wat jonge mensen waren daarbij betrokken. Een jaar later zijn de Britse kranten euforisch nadat de Britten op één avond goud behaalden op de 10.000 meter, het verspringen en de zevenkamp voor vrouwen. Bovendien verloopt de organisatie van de Spelen zeer goed: dat is onder meer te danken aan de inzet van duizenden jonge vrijwilligers (van alle rassen en standen). Kan onderwijs ook goud halen? Kan het het beste bij jonge mensen (van alle rassen en klassen) naar boven halen door hen vaker aan een gezamenlijk doel te laten werken? Kan onderwijs jongeren vaker het gevoel geven dat wat ze op school doen en leren, een zinvol gezamenlijk doel dient? Kan onderwijs jongeren afleveren die geleerd en gevoeld hebben dat als mensen samen aan ‘a large common purpose’ werken, ze er beter van worden? Kan onderwijs jonge mensen op die manier bezielen? En moeten daarvoor dan niet wat vaker de schotten tussen klassen, vakken en studierichtingen weggehaald worden, en de muren tussen school en buitenwereld gesloopt?

 

Jongeren over onderwijs: het jongerenpact ondertekend

Op dinsdag 26 juni ondertekenden jongerenvertegenwoordigers en de Vlaamse regering het Jongerenpact 2020. Het onderdeel “onderwijs” van dat Pact sluit mooi aan bij de basisprincipes van duurzaam onderwijs:

“De jongeren vinden dat de school een belangrijke rol heeft om jongeren voor te bereiden op de uitdagingen van onze maatschappij. De school moet hierbij uitgaan van de sterktes en interesses van de leerlingen. Ze moet jongeren opvoeden tot wereldburgers die na hun opleiding gemakkelijk hun weg vinden in deze wereld die alsmaar internationaler is. Talenkennis en internationale ervaringen zijn hierbij een belangrijke troef.”

Het engagement dat de Vlaamse regering in het Jongerenpact aangaat, luidt als volgt: “Jongeren die in 2020 het onderwijs verlaten, hebben hun vaardigheden opgebouwd vertrekkende vanuit hun eigen competenties en interesses. De jongeren moeten klaargestoomd worden om op creatieve manieren het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen in een geglobaliseerde wereld die constant in verandering is ondermeer in functie van de arbeidsmarkt.”

http://www.jongerenpact2020.be/agenda/ondertekening-van-het-jongerenpact-2020/

Een jaar geleden pleitte de Vlaamse scholierenkoepel op basis van een enquête onder 4000 scholieren ook al voor ‘zinvolle’ leerstof.